De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de periode van 1 april 2024 tot en met 27 juni 2024. De tenlastelegging hield in dat zij samen met een ander, althans alleen, een omgebouwde revolver in haar bezit zou hebben gehad. Tijdens de zitting gaf verdachte aan zich niet bewust te zijn geweest van het wapen in de auto.
De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met haar dochter, de medeverdachte, in de auto zat en dat verdachte de auto bestuurde tijdens een korte autorit van enkele minuten. In de auto lag een rugzak met daarin een tasje waarin het wapen zich bevond. De medeverdachte had tijdens de rit aan verdachte verteld dat er mogelijk een wapen in het tasje zat.
De rechtbank oordeelde dat de enkele mededeling van de medeverdachte onvoldoende bewijs vormde om bewustheid van het wapen bij verdachte aan te nemen. Daarnaast maakte de verpakkingswijze, de korte duur van de autorit en het feit dat verdachte reed, dat zij feitelijk niet over het wapen kon beschikken. De beschuldiging werd niet wettig en overtuigend bewezen verklaard, waarna verdachte werd vrijgesproken.