Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:12209

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 september 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/680502 / FA RK 24-4368
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omgangsregeling na intrekking door vader

De vader heeft een regeling voor de uitoefening van het omgangsrecht met zijn dochter verzocht, nadat hij enkele jaren geen contact meer had. De rechtbank benoemde een bijzondere curator om de belangen van de minderjarige te behartigen. De bijzondere curator concludeerde dat er geen ruimte is voor duurzame contacten, omdat de minderjarige daar niet voor openstaat en contactherstel niet mogelijk bleek.

De moeder steunde het advies van de bijzondere curator en bevestigde dat de stem van de minderjarige goed was verwoord. Vervolgens trok de vader zijn verzoek in, omdat hij de procedure niet verder wilde voortzetten in het belang van zijn dochter. De rechtbank besloot het verzoek af te wijzen en de werkzaamheden van de bijzondere curator te beëindigen, tenzij er een rechtsmiddel wordt ingesteld.

De rechtbank waardeerde de inspanningen van de bijzondere curator, die meerdere gesprekken met de minderjarige voerde en de ouders weer met elkaar in contact bracht, maar zonder resultaat. De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen na intrekking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/680502 / FA RK 24-4368
Beschikking van 5 september 2025 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. M.S. Odink te Den Haag.
In deze zaak treedt op als bijzondere curator van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] :
mr. G.E. van der Pols, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen: de bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 6 juni 2024;
  • de beschikking van 20 september 2024 waarbij de bijzondere curator is benoemd;
  • het verslag van de bijzondere curator van 19 februari 2025;
  • het bericht van de vrouw van 4 maart 2025;
  • het bericht van de man van 27 augustus 2025.
1.2.
Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De beoordeling

2.1.
Ingetrokken verzoek
2.1.1.
De man heeft een opbouwende regeling van de uitoefening van het omgangsrecht verzocht. Hij heeft al enkele jaren geen contact met zijn dochter. De rechtbank heeft naar aanleiding van het verzoek een bijzondere curator benoemd. In zijn rapport concludeert de bijzondere curator dat er geen ruimte is voor (duurzame) contacten tussen de man en zijn dochter. De minderjarige staat daar niet voor open en het is ook niet mogelijk geweest om stappen te ondernemen tot contactherstel.
2.1.2.
Naar aanleiding van het rapport heeft de vrouw aangegeven dat de stem van de minderjarige goed is verwoord in het verslag. Zij ondersteunt het advies van de bijzondere curator.
2.1.3.
De man heeft in zijn bericht van 27 augustus 2025 zijn verzoek ten aanzien van het vaststellen van een opbouwende regeling van de uitoefening van het omgangsrecht ingetrokken. De man geeft aan de moeilijke beslissing te hebben genomen om de zaak en zijn wens om omgang te hebben met zijn dochter niet op de spits te willen drijven. De bijzondere curator heeft een helder verslag geschreven en de man legt zich daar met pijn in zijn hart bij neer.
2.1.4.
Gelet op het ingetrokken verzoek van de man zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
2.2.
Bijzondere curator
2.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
2.2.2.
De rechtbank waardeert de inspanningen van de bijzondere curator om te komen tot contactherstel tussen de minderjarige en haar vader. Gebleken is dat de bijzondere curator meerdere keren met de minderjarige heeft gesproken en heeft gezocht naar een ingang tot contactherstel. Daarbij heeft de bijzondere curator ook ouders voor het eerst in jaren met elkaar in contact gebracht. Ondanks deze inspanningen, is het helaas niet gekomen tot contactherstel. Van groot belang is echter dat de minderjarige een duidelijke stem in deze procedure heeft gekregen. Dit heeft ertoe geleid dat de man in het belang van zijn dochter ervoor heeft gekozen om deze procedure te staken.
2.3.
Proceskosten
2.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht met de minderjarige;
3.2.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van heden als beëindigd;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, op 5 september 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.