ECLI:NL:RBROT:2025:12235

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/699753 / JE RK 25-997
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de ouder zonder gezag, de vader. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond had verzocht om verlenging van deze machtiging tot het einde van de ondertoezichtstelling, maar trok dit verzoek tijdens de zitting in.

De minderjarige woont sinds de zomervakantie weer bij zijn moeder, waarbij sprake is van een prille positieve ontwikkeling in de opvoedsituatie. De GI wil de situatie bij de moeder verder aankijken, mede omdat de plaatsing bij de vader niet succesvol was en de samenwerking tussen de GI en de vader gestagneerd is. De vader uitte tijdens de zitting zijn onvrede over de ondersteuning en de betrokken jeugdbeschermer.

De kinderrechter constateert dat de opvoedsituatie bij de moeder eerder onvoldoende was, maar dat de plaatsing bij de vader niet succesvol verliep. Door de intrekking van het verzoek kan het aangehouden deel niet verder worden onderzocht en wijst de kinderrechter het verzoek af voor zover daarover nog niet eerder is beslist. De kinderrechter benadrukt het belang van een goede samenwerking tussen de GI en de vader en het belang van de minderjarige bij de verdere besluitvorming over zijn woonplaats.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wordt afgewezen na intrekking door de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/699753 / JE RK 25-997
Datum uitspraak: 29 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2].

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 juni 2025, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 23 september 2025.
1.2.
Op 29 september 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juni 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder zonder gezag, te weten bij de vader tot 3 oktober 2025 en is het verzoek voor het overige aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 3 oktober 2025 is al beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 14 januari 2026.
3.2.
De GI trekt ter zitting het aangehouden deel van het verzoek in. [minderjarige] woont sinds de zomervakantie weer bij zijn moeder, waar sprake is van een prille positieve ontwikkeling. De GI wil aankijken hoe de plaatsing bij de moeder verloopt, vanwege de (grote) zorgen die er in het verleden waren over de opvoedsituatie. Het is belangrijk dat [minderjarige] snel naar school kan. Er is inmiddels een school voor hem gevonden, maar omdat de moeder [minderjarige] niet kan brengen moet het taxivervoer nog worden geregeld. De GI betreurt dat de samenwerking met de vader verstoord is geraakt. Dit maakt dat er op dit moment geen communicatie plaatsvindt tussen de jeugdbeschermer en de vader.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij veel hulp gevraagd heeft aan de GI toen [minderjarige] bij hem thuis woonde, maar deze niet heeft gekregen. De vader is ontevreden over de betrokken jeugdbeschermer en wil een vervanger. De vader had graag meer ondersteuning gehad vanuit de GI, omdat hij van mening is dat [minderjarige] het best bij hem kan wonen. De vader uit zijn zorgen over de thuissituatie bij de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Nu de GI ter zitting het aangehouden deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag, te weten de vader intrekt, kunnen de gronden daarvan niet verder worden onderzocht. De kinderrechter zal daarom het aangehouden deel van het verzoek afwijzen.
5.2.
De kinderrechter merkt op dat de opvoedsituatie bij de moeder eerder onvoldoende gebleken is. De opvoedsituatie bij de vader leek goed genoeg, maar de plaatsing is niet succesvol verlopen waarna [minderjarige] bij de moeder is gaan wonen. De samenwerking tussen de vader en de GI is gestagneerd, hetgeen van invloed is geweest op de plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Het is de kinderrechter onduidelijk of de gestagneerde samenwerking met de GI berust op misverstanden of op onmacht van de vader. In het belang van [minderjarige] moet gekeken worden of hieraan nog iets gedaan kan worden, voordat de GI een beslissing neemt over waar [minderjarige] het best kan opgroeien.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af, voor zover hier niet eerder op is beslist.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg en mr. M. Henschen als griffiers, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.