Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Hij kampt met schuldenproblematiek en wil via schuldhulpverlening zijn situatie oplossen. Verzoeker werkt als ZZP’er en heeft voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen, wat blijkt uit overgelegde facturen en betaling van huur van juni tot en met september 2025.
Verweerster, de verhuurder, betoogt dat verzoeker een wisselvallig betalingspatroon vertoont en eerder een afbetalingsregeling niet is nagekomen. Zij heeft geen vertrouwen in tijdige betaling van toekomstige huurtermijnen en wenst uitvoering van het vonnis tot ontruiming.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening schort de ontruiming op en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van zes maanden vanaf 22 augustus 2025, met een rapportageverplichting van schuldhulpverlening twee weken voor afloop van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.