In deze civiele zaak stond centraal of gedaagde 1 na zijn dienstverband bij eiseres in strijd heeft gehandeld met het concurrentie- en relatiebeding en of hij tijdens het dienstverband onrechtmatig heeft gehandeld. Tevens werd onderzocht of gedaagde 2 onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van kennis en goodwill van gedaagde 1.
Eiseres stelde dat gedaagde 1 tijdens het dienstverband onrechtmatig handelde door werkzaamheden te verrichten voor een onderneming van zijn vader en dat hij na het dienstverband het concurrentie- en relatiebeding schond. Gedaagde 1 verweerde zich met een overeengekomen finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst en een addendum dat het concurrentiebeding beperkte tot drie maanden bij eigen ontslag.
De rechtbank oordeelde dat de finale kwijting ook ziet op de overtredingen tijdens het dienstverband, waardoor eiseres geen beroep meer kan doen op onrechtmatig handelen of schending nevenbeding. Daarnaast werd het addendum uitgelegd als een beperking van het concurrentiebeding, waarbij bij ontslag door eiseres geen concurrentiebeding geldt. Hierdoor werd de vordering tot een verklaring voor recht dat het concurrentiebeding werd geschonden afgewezen.
Ook de vordering tegen gedaagde 2 werd afgewezen omdat geen onrechtmatig handelen kon worden vastgesteld zonder schending door gedaagde 1. De gevorderde schadevergoeding en boete werden eveneens afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.