Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[persoon B],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding van 23 februari 2024, met producties 1 tot en met 14;
- het vonnis in incident van 22 mei 2024, waarin de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd heeft verklaard, met de daarin genoemde stukken;
- het exploot tot oproeping na verwijzing van 7 juni 2024;
- het herstelvonnis in het incident van 19 juni 2024;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens houdende akte overlegging producties 15 tot en met 31d;
- de brief van 30 november 2024 van [persoon B] c.s. met aanvullende producties 11 tot en met 17;
- de oproepingsbrief van 14 maart 2025 van de rechtbank voor de mondelinge behandeling op 15 juli 2025;
- de e-mail van 9 juli 2025 van [persoon B] c.s. met een beter leesbaar exemplaar van de eerder ingediende productie 16;
- de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling;
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2025, waarbij [persoon B] via een Teams verbinding aanwezig was.
3.De feiten
4.Het geschil
in conventie
5.De beoordeling
in conventie
- Voor een gedeelte van € 20.000,00 heeft zij een beroep gedaan op verrekening, in verband met volgens haar door [persoon A] veroorzaakte schade aan een plafond.
- Een gedeelte van € 26.897,47 heeft [bedrijf B 1] betwist, omdat zij de verschuldigdheid van de laatste drie door [persoon A] gezonden facturen van in totaal € 26.897,47 betwist, aangezien [persoon A] in de desbetreffende periode niet voor [bedrijf B 1] zou hebben gewerkt.
- Voor het restant, van in totaal € 4.289,70, heeft [bedrijf B 1] deels een beroep gedaan op verrekening en deels in rekening gebrachte bedragen betwist.
[bedrijf B 1] betwist dat de betalingsverplichting van [persoon A] pas ontstond als de vof zou betalen binnen de afgesproken termijn.
De rechtbank stelt voorop dat deze facturen zien op verrichte werkzaamheden in de periode nadat [bedrijf B 1] haar activiteiten had overgedragen. [persoon B] heeft ter zitting verklaard dat hij alles netjes voor de klant wilde afronden, waarmee hij heeft erkend dat [bedrijf B 1] na het overdragen van haar activiteiten [persoon A] heeft laten doorwerken op het lopende project. Dit blijkt ook uit de door [persoon A] overgelegde Whatsapp berichten, waarin te zien is dat [bedrijf B 1] [persoon A] nog aanwijzingen geeft. Hiervoor heeft [persoon A] dus uren en kosten moeten maken. Dat deze facturen voor rekening van [bedrijf B 1] komen, is hiervoor onder 5.15 tot en met 5.17, al geoordeeld.
De rechtbank stelt vast dat zelfs als deze bedragen, van in totaal € 100.000,00, wel waren betaald door die derden (of alsnog zouden worden betaald), er onvoldoende middelen zouden zijn om de erkende facturen te voldoen, want die overstijgen het bedrag van €100.000,00 in ruime mate. Laat staan dat er voldoende middelen waren geweest om de genoemde facturen van na 30 juni 2023 te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat er andere middelen / vermogen is om de vorderingen te voldoen. In dit kader heeft [persoon A] gesteld dat er ook gezien het negatief eigen vermogen geen verhaal zou zijn, wat ook volgt uit de jaarrekening over 2022. Dit is door [bedrijf B 1] niet gemotiveerd weersproken.
[persoon B] heeft ter zitting ook nog verklaard dat op het moment dat hij besloot de activiteiten te beëindigen, er geen goodwill zat in [bedrijf B 1] .
6.De beslissing
12 november 2025voor het nemen van een akte door [persoon B] c.s., zoals omschreven in overweging 5.51,