ECLI:NL:RBROT:2025:12460

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/693098 / HA ZA 25-100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgplicht van financieel adviseur bij overlijdensrisicoverzekering en schadevergoeding na overlijden partner

In deze zaak heeft [persoon A] een vordering ingesteld tegen HMJ Makelaardij B.V. wegens het niet afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering in het kader van de financiering van een nieuwe woning. [persoon A] en haar partner hebben HMJ ingeschakeld voor financieel advies, waarbij een overlijdensrisicoverzekering als onderdeel van de financiering werd besproken. Na het overlijden van haar partner binnen een jaar na de advisering, ontdekte [persoon A] dat de verzekering niet was afgesloten. De rechtbank oordeelt dat HMJ haar zorgplicht heeft geschonden door niet adequaat te adviseren over het belang van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering. De rechtbank concludeert dat HMJ aansprakelijk is voor de schade die [persoon A] heeft geleden als gevolg van deze tekortkoming. De schade wordt begroot op € 87.806, het bedrag dat zou zijn uitgekeerd indien de verzekering wel was afgesloten. De rechtbank wijst de vordering van [persoon A] toe en veroordeelt HMJ tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast wordt HMJ veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

team handel en haven
Zaaknummer: C/10/693098 / HA ZA 25-100
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[persoon A],
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. M.A.M. Euverman,
tegen
HMJ MAKELAARDIJ B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HMJ,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker.

1.De kern van de zaak

[persoon A] en wijlen haar echtgenoot hebben zich gewend tot HMJ voor financieel advies in verband met de aankoop van een nieuwe woning. De bedoeling was dat een overlijdensrisicoverzekering deel zou uitmaken van de financiering. Een dergelijke voorziening is niet gerealiseerd. Daar is [persoon A] achter gekomen toen haar echtgenoot een klein jaar later overleed. De rechtbank oordeelt in deze procedure dat HMJ haar zorgplicht als financieel adviseur heeft geschonden en dat zij de door [persoon A] geleden schade moet vergoeden. Die schade wordt begroot op een lager bedrag dan [persoon A] heeft gevorderd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 januari 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de mail van de rechtbank van 19 augustus 2025 met een zittingsagenda;
- de mondelinge behandeling van 29 september 2025;
- de pleitaantekeningen van de beide advocaten.
2.2.
Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3.De feiten

3.1.
[persoon A] heeft samen met wijlen haar partner, [persoon B] , in 2018 een huis gekocht.
3.2.
Ten behoeve van het verkrijgen van financiering voor deze aankoop hebben [persoon A] en [persoon B] zich gewend tot HMJ voor financieel advies.
3.3.
HMJ heeft een klantenprofiel opgesteld. Dit profiel bevat de volgende, voor deze zaak relevante, passages:
“Uw risicobereidheid uit zich als volgt:
U heeft een lage risicobereidheid.
U wilt liefst zoveel mogelijk zekerheid over behoud van uw inkomsten in alle situaties.
U geeft hierbij wel aan dat u risico's tegen een redelijke prijs wilt kunnen afdekken, beleggen ziet u absoluut niet meer zitten, ondanks de huidige 2 beleggingsverzekeringen.
[…]
Uw voorkeur heeft het de huidige beleggingsopbouw polissen te stoppen en gewoon op de hypotheek zelf af te gaan lossen.
[…]
Doelstellingen
Waarvoor wilt u een nabestaandenvoorziening treffen?
[…]
Eenmalige uitkering bij overlijden
[…]
Aflossing van een hypotheekschuld
[…]
Uw kennis en ervaring is: u geeft aan naast elkaar en uw kind geen andere specifieke nabestaanden te hebben. In de huidige situatie is bij overlijden erfrechtelijk uw spaargeld alsmede de overwaarde in de woning het belangrijkste item. U heeft beiden geen schulden.
Uw wensen en doelstellingen zijn: momenteel loopt de overlijdensrisico verzekering bij Aegon via Ooms op 1 leven en bij Rabobank via Interpolis op 1 leven naast de huidige hypotheek. Hebben wel via research en middels gesprekken met kennissen gehoord dat soms een dekking bij overlijden noodzakelijk is. U geeft aan dit tot een bepaald bedrag te willen beperken. Bij Florius is er geen verpanding nodig.”
3.4.
Op basis van het klantenprofiel heeft HMJ een adviesrapport opgesteld (hierna ook: het adviesrapport). De voor deze zaak relevante passages uit dit rapport zijn de volgende:
“Uw duidelijke wens was om de beide beleggingspolissen te beëindigen en deze waarden stop
te zetten We hebben nog wel cijfermatig laten zien wat er gebeurt als deze blijven doorlopen,
met name na aflossing van de waarden na 2028 en 2032. U kiest voor de lagere lasten nu
i.c.m. met een opgroeiend kind en een hogere restschuld na 30 jaar. We hebben e.e.a.
uitgebreid op kantoor besproken en ook cijfermatig de gevolgen laten zien.
[…]
De beide beleggingswaarden polissen die nu gekoppeld zijn aan de hypotheek wilt u stoppen,
maar wel de verzekering doorzetten.
We hebben cijfermatig laten zien dat de maandlasten dan de 1e jaren (tot 2032 en de 2e polis
tot 2038) hoger liggen en daarna aanzienlijk lager.
Gezien uw gevoel bij deze polissen alsmede de hogere maandlasten in de huidige periode
met kinderen blijft u bij uw beslissing de polissen te stoppen. De waarde wordt dan afgelost
van de nieuwe schuld, zodat aan deze verplichting van de bijleenregeling ook voldaan is.
[…]
Scenario overlijden
Bij het scenario “overlijden” wordt ervan uitgegaan dat er een inkomensontwikkeling is,
inclusief door u getroffen voorzieningen.
[…]
In het klantprofiel is aangegeven dat er nu 2 andere verzekeringen gekoppeld met een beleggingsdeel lopen. Deze lopen via Ooms financieel adviseurs en de Rabobank en kunnen m.b.t. het overlijdensrisicodeel blijven doorlopen.
Na uw overlijden wenst u dat uw nabestaanden de woning in ieder geval zonder restschuld kunnen verkopen. Zie ook de uitleg van de inkomens risico’s. Tevens heeft u aangegeven eventueel op hulp van ouders te kunnen terugvallen.
[…]
Mocht er in de toekomst sprake zijn van een gewijzigd inkomenssituatie (bijv. aangaan van een relatie of een andere wijziging in de persoonlijke situatie), dan is het van belang dat u hierover nagaat of de huidige verzekeringen voldoende zijn. Er dient dan opnieuw een inventarisatie te worden gedaan.”
3.5.
[persoon A] en [persoon B] beschikten al sinds 2005 ieder over een beleggingsverzekering. Deze liepen via Ooms en Rabobank. Van deze verzekeringen maakte een overlijdensrisicoverzekering onderdeel uit. In het kader van de financiering van de nieuwe woning hebben [persoon A] en [persoon B] deze beleggingsverzekeringen opgezegd en de naar aanleiding daarvan ontvangen bedragen gebruikt om de hypothecaire lening te verminderen.
3.6.
De hypotheekakte in verband met de nieuwe woning is op 24 december 2018 bij de notaris gepasseerd. Tot de hypothecaire lening behoort een aflosvrij deel ter grootte van
€ 247.500,--.
3.7.
Een nieuwe overlijdensrisicoverzekering ten behoeve van [persoon A] en [persoon B] is niet tot stand gekomen.
3.8.
[persoon B] is op 22 november 2019 overleden.
3.9.
Op 15 april 2022 heeft [persoon A] bij het Kifid een klacht ingediend over het feit dat geen overlijdensrisicoverzekering tot stand was gekomen. Op initiatief van HMJ is vervolgens een mediationtraject doorlopen. Dit traject heeft niet het resultaat geleid. Op 18 augustus 2022 heeft [persoon A] het Kifid verzocht haar klachtdossier te heropenen.
3.10.
Op 13 februari 2023 heeft de geschillencommissie van het Kifid een tussenuitspraak gedaan. Deze uitspraak vermeldt onder andere dat partijen hebben gekozen voor een bindend advies.
3.11.
Op 30 april 2024 heeft de geschillencommissie einduitspraak gedaan. In deze einduitspraak heeft de geschillencommissie geoordeeld dat HMJ een beroepsfout heeft gemaakt en dat zij een bedrag van € 185.625,-- aan [persoon A] moet vergoeden. Dit bedrag is gebaseerd op de hoogte van het aflosvrije deel van de hypothecaire lening, verminderd met een percentage voor eigen schuld. De uitspraak vermeldt verder dat het gaat om een niet bindend advies.

4.Het geschil

4.1.
[persoon A] vordert – samengevat – primair een verklaring voor recht dat HMJ is tekortgeschoten de nakoming van de overeenkomst en veroordeling van HMJ tot betaling van € 247.500, te vermeerderen met de rente verschuldigd over het aflosvrije deel van de hypothecaire lening, subsidiair veroordeling van HMJ tot nakoming van het bindend advies van de geschillencommissie, in beide gevallen met veroordeling van HMJ in de proceskosten.
4.2.
HMJ voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.

5.De beoordeling

de standpunten van partijen
5.1.
[persoon A] meent dat HMJ is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht door [persoon A] en [persoon B] niet adequaat te adviseren over het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering. Als gevolg daarvan is een dergelijke verzekering niet stand gekomen en lijdt zij – na het overlijden van [persoon B] – schade. [persoon A] stelt zich ook op het standpunt dat hierover al bindend is beslist door de geschillencommissie, omdat partijen zijn overeengekomen dat die uitspraak bindend zou zijn. De als subsidiair geformuleerde vordering strekt dan ook tot nakoming van dit bindend advies. De als primair geformuleerde vordering betreft het totale bedrag van de volgens [persoon A] geleden schade, waarop zij meent aanspraak te kunnen maken als de uitspraak van de geschillencommissie wordt weggedacht.
5.2.
HMJ bestrijdt dat de uitspraak van de geschillencommissie bindend is. Verder stelt HMJ zich op het standpunt dat van handelen in strijd met de zorgplicht geen sprake is en dat [persoon A] eigen schuld heeft aan eventuele schade. Het meest verstrekkende verweer van HMJ komt erop neer dat [persoon A] te laat heeft geklaagd over enigerlei schending van de zorgplicht.
de beslissing van de geschillencommissie is niet bindend
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de geschillencommissie niet geldt als bindend advies.
5.4.
Op de procedure bij de geschillencommissie van het Kifid zijn spelregels van toepassing. Deze zijn neergelegd in het Reglement. De relevante bepalingen uit dit Reglement luiden als volgt:

16. Moeten u en de financiële dienstverlener zich houden aan de uitspraak?
[…]
2. Bent u een consument?
a. Dan doen we uitspraak in de vorm van een bindend advies als u en de financiële dienstverlener dit allebei willen. Als een van de partijen dit niet wil, of als u geen keuze maakt, is de uitspraak niet bindend. Zie ook vraag 17 […]
b. In de volgende situatie geldt een uitzondering. Tenzij partijen hier iets anders over afspreken, is onze uitspraak niet bindend voor zover:
[…]
- De financiële dienstverlener geen lid is van het verbond van verzekeraars of de Nederlandse vereniging van banken en Kifid een bedrag toewijst van meer dan € 100.000 (exclusief vertragingsrente en kosten).
[…]
17. Hoe kunnen u en de financiële dienstverlener een keuze maken voor bindend advies?
[…]
5. Als u en de financiële dienstverlener allebei hebben ingestemd met bindend advies, dan is ons advies bindend. Maar er zijn uitzonderingen. Deze leest u in vraag 16 […].”
5.5.
[persoon A] heeft gesteld dat al tijdens het eerste gesprek tussen haar en (de bestuurder van) HMJ onder leiding van een medewerker van het Kifid is afgesproken dat de beoordeling door de geschillencommissie bindend zou zijn. Voor [persoon A] was dit van belang, omdat het voortduren van dit financiële geschil in de nasleep van het overlijden van [persoon B] voor haar heel belastend was. HMJ heeft deze stellingen niet voldoende betwist. Tijdens de zitting heeft de bestuurder van HMJ niet meer verklaard dan dat hij “niet [kan] bevestigen dat dit akkoord is gegeven.” In het licht van het concrete relaas van [persoon A] is dat onvoldoende concreet. Als vaststaand kan daarom worden aangenomen dat beide partijen op zichzelf – voorafgaande aan de beslissing van de geschillencommissie – hebben ingestemd met bindend advies.
5.6.
Dat is in dit geval echter niet beslissend. Uit de artikelen 16 en 17 van het reglement volgt immers dat een beslissing van de geschillencommissie in beginsel
nietbindend is als een bedrag van meer dan € 100.000,-- wordt toegewezen, ook niet als beide partijen tevoren hadden ingestemd met bindend advies. Deze situatie doet zich hier voor. Dit is alleen anders als partijen hierover specifiek iets anders afspreken. Uit de stellingen van [persoon A] kan niet worden afgeleid dat partijen hebben willen overeenkomen dat, in weerwil van de spelregels die op de klachtenprocedure bij het Kifid van toepassing zijn, de beslissing van de geschillencommissie ook bindend zou zijn als een bedrag van meer dan € 100.000,-- zou worden toegewezen. Het enkele feit dat tijdens de eerste hoorzitting bij het Kifid al een claim van € 247.500,-- op tafel lag, is daarvoor onvoldoende.
5.7.
De vordering is dus niet toewijsbaar op grond van nakoming van de beslissing van de geschillencommissie.
de zorgplicht van de financieel adviseur
5.8.
Tussen [persoon A] en [persoon B] enerzijds en HMJ anderzijds bestond een overeenkomst van opdracht. In die verhouding behoort HMJ zich te gedragen als goed opdrachtnemer. Dit betekent dat HMJ als financieel adviseur de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Wat deze maatstaf in een concreet geval meebrengt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
HMJ heeft haar zorgplicht geschonden
5.9.
Van HMJ mocht worden verwacht dat zij, voorafgaande aan haar advisering, onderzoek zou doen naar de wensen van [persoon A] en [persoon B] op het gebied van de financiering van hun nieuwe woning. Daarbij hoort ook de vraag of en in hoeverre zij behoefte hadden aan een voorziening voor het geval een van hen zou komen te overlijden. HMJ heeft dat onderzoek op zichzelf in voldoende mate verricht. Uit dit onderzoek volgde dat [persoon A] en [persoon B] een voorziening in geval van overlijden noodzakelijk vonden. Op dit punt speelde de bijzonderheid dat [persoon A] en [persoon B] al beschikten over lopende kapitaalverzekeringen waarvan een overlijdensrisicoverzekering deel uitmaakte, maar dat zij van die kapitaalverzekeringen om bepaalde redenen af wilden. In haar advies heeft HMJ opgenomen dat beide polissen zouden worden beëindigd, maar dat het overlijdensrisicodeel daarvan zou worden voortgezet. Vervolgens hebben [persoon A] en [persoon B] de kapitaalverzekeringen opgezegd; het vrijkomende kapitaal is gebruikt om de hypothecaire lening te verlagen. Het overlijdensrisicodeel is niet voortgezet en evenmin is een aparte overlijdensrisicoverzekering afgesloten.
5.10.
In de gegeven omstandigheden had van FMJ verwacht mogen worden [persoon A] en [persoon B] expliciet te wijzen op het belang van het behoud van het overlijdensrisicodeel uit de lopende verzekeringen en, zo nodig, hen ook uit te leggen hoe zij dat konden realiseren. Daar was aanleiding voor, omdat HMJ wist van de dringende behoefte van [persoon A] en [persoon B] aan een voorziening in geval van overlijden en zij (uiteraard) ook wist dat een nieuw af te sluiten overlijdensrisicoverzekering geen onderdeel was van de financiering die zij voor de nieuwe woning ging afsluiten. Bovendien wist FMJ ook dat de lopende kapitaalverzekeringen niet bij haar in portefeuille zaten, zodat zij de opzegging (en het voortzetten van het overlijdensrisicodeel) niet voor [persoon A] en [persoon B] kon verzorgen.
5.11.
FMJ heeft hier onvoldoende op gewezen. In het (omvangrijke) adviesrapport komt het voortzetten van het overlijdensrisicodeel slechts in een enkel bijzinnetje voor. HMJ heeft niet gesteld dat, laat staan op welke wijze, zij daarnaast nog wel aandacht heeft gevraagd voor dit onderdeel. Ook is HMJ kennelijk na afronding van haar advisering niet nagegaan of [persoon A] en [persoon B] het advies op dit specifieke punt goed hadden begrepen en het hen duidelijk was wat zij precies moesten doen om in overeenstemming met dat advies te handelen. Daar bestond alle aanleiding voor, omdat van [persoon A] en [persoon B] zelf bepaalde specifieke handelingen werden verwacht (namelijk het opzeggen van de beleggingsverzekeringen, maar met behoud van het overlijdensrisicodeel). Hierin had HMJ hen behoren te begeleiden. HMJ heeft deze zorg onvoldoende betracht.
5.12.
De rechtbank verwerpt de opvatting van HMJ dat het op de weg van [persoon A] en [persoon B] lag om haar te laten weten dat zij het overlijdensrisicodeel
niethadden voortgezet. Die opvatting doet geen recht aan de positie van HMJ als professioneel adviseur tegenover cliënten die consument zijn en niet beschikken over bijzondere kennis van zaken op dit terrein.
5.13.
Dit betekent dat HMJ is tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Deze tekortkoming moet naar zijn aard aan HMJ worden toegerekend. Zij is dus aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [persoon A] geleden schade.
het beroep op schending van de klachtplicht faalt
5.14.
HMJ heeft zich op het standpunt gesteld dat [persoon A] te laat heeft geklaagd over de gebrekkige prestatie van HMJ. Van [persoon A] en [persoon B] had verwacht mogen worden na te gaan of de uiteindelijk gerealiseerde financiering conform hun wensen en behoeften was. Dat onderzoek hadden zij binnen enkele maanden moeten verrichten. [persoon A] en [persoon B] zouden dan hebben geconstateerd dat een voorziening in geval van overlijden ontbrak en zij hadden dat aan HMJ moeten melden. Omdat [persoon A] pas na het overlijden van [persoon B] heeft geklaagd, had HMJ niet meer de mogelijkheid het gebrek te herstellen. Door het te late klagen is HMJ dus aanzienlijk benadeeld.
5.15.
De rechtbank verwerpt dit betoog en licht dit als volgt toe.
5.16.
Op grond van artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen als hij over het gebrek niet binnen bekwame tijd na ontdekking of nadat hij het gebrek had behoren te ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. Voor het antwoord op de vraag of de schuldeiser tijdig heeft geklaagd zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder het nadeel dat de schuldenaar lijdt als gevolg van het late moment van klagen, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen en de waarneembaarheid van het gebrek. Artikel 6:89 BW geldt als toepassing van het leerstuk van de rechtsverwerking. Dat brengt mee dat het achterwege blijven van een klacht over het gebrek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar moet zijn met het alsnog vorderen van schadevergoeding vanwege dat gebrek.
5.17.
De rechtbank neemt veronderstellenderwijs aan dat HMJ binnen korte termijn alsnog ten behoeve van [persoon A] en [persoon B] een overlijdensrisicoverzekering had kunnen afsluiten als zij HMJ over het ontbreken daarvan hadden geïnformeerd. Als [persoon A] en [persoon B] dit binnen enkele maanden na het tot stand komen van de financiering hadden gedaan, had HMJ het gebrek dus tijdig voor het overlijden van [persoon B] kunnen herstellen. In zoverre is evident dat HMJ nadeel leidt doordat [persoon A] en [persoon B] niet binnen enkele maanden na het tot stand komen van de financiering hebben geklaagd.
5.18.
Dit belang weegt in de gegeven omstandigheden echter minder zwaar dan het belang van [persoon A] bij behoud van haar aanspraak op schadevergoeding. Tot die omstandigheden rekent de rechtbank allereerst de hoedanigheid van partijen. HMJ is de professional die juist is ingeschakeld om te voorzien in een deugdelijke financiering, waartoe uitdrukkelijk ook behoorde een voorziening in geval van overlijden. [persoon A] is een consument die niet beschikt over kennis van zaken op dit terrein. Zij mocht er in beginsel op vertrouwen dat HMJ deugdelijk werk had geleverd.
5.19.
Anders dan HMJ heeft betoogd, kan niet worden aangenomen dat het gebrek – voor een consument zonder kennis van zaken – eenvoudig waarneembaar was. Zo heeft [persoon A] aangevoerd dat zij en [persoon B] onder de nieuwe financiering € 500,-- per maand meer gingen betalen dan voorheen, zodat zij niet direct behoefden te onderkennen dat zij kennelijk geen premie voor een overlijdensrisicoverzekering betaalden (en dus dat er iets mis was gegaan rondom de financiering). Het is juist dat, zoals HMJ heeft gesteld, [persoon A] en [persoon B] geen offerte en geen polis voor een overlijdensrisicoverzekering hebben gekregen en ook geen (bij een dergelijke verzekering gebruikelijke) gezondheidsverklaring hebben hoeven invullen, maar dat [persoon A] en [persoon B] dit niet direct is opgevallen acht de rechtbank niet verwonderlijk, zeker niet als bedacht wordt dat met de levering van de nieuwe woning en de totstandkoming van de nieuwe financiering al het nodige papierwerk gemoeid zal zijn geweest. Ook is van belang dat het tijdsverloop tussen het tot stand komen van de financiering en het overlijden van [persoon B] kort is geweest: slechts elf maanden, waarvan [persoon A] en [persoon B] ook nog eens zes maanden druk zijn geweest met verbouwen en verhuizen.
5.20.
Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd kan niet worden gezegd dat [persoon A] te laat heeft geklaagd.
de hoogte van de schade
5.21.
[persoon A] stelt dat haar schade gelijk is aan de hoogte van het aflosvrije deel van de hypothecaire lening (€ 247.500,--). Haar redenering is de volgende: zij en [persoon B] hebben aan HMJ te kennen gegeven dat zij in geval van overlijden van de ander de woning zonder restschuld willen kunnen verkopen; van de hypothecaire lening werd € 247.500,-- niet afgelost gedurende de looptijd daarvan; daarom is dit bedrag de hiervoor bedoelde restschuld; de door hen gewenste overlijdensrisicovoorziening diende dus dat bedrag te dekken; zonder de tekortkoming van HMJ zou deze overlijdensrisicoverzekering tot stand zijn gekomen en zou dit bedrag inmiddels tot uitkering zijn gekomen.
5.22.
De rechtbank volgt [persoon A] niet in dit betoog, omdat uitgegaan moet worden van een ander hypothetisch scenario voor het geval HMJ haar zorgplicht niet zou hebben geschonden.
5.23.
HMJ heeft geadviseerd het overlijdensrisicodeel uit de lopende beleggingsverzekeringen voort te zetten. Tijdens de zitting heeft [persoon A] gesteld dat zij het adviesrapport van HMJ nooit heeft ontvangen, maar de rechtbank verwerpt die stelling als onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat [persoon A] hierover niets in de dagvaarding heeft opgenomen (terwijl zij daarin wel naar het adviesrapport heeft verwezen) en ook niet heeft gesteld wat HMJ op dit punt dan wel zou hebben geadviseerd. HMJ heeft verder aangevoerd dat met het overlijdensrisicodeel uit de lopende beleggingsverzekeringen in voldoende mate zou zijn voorzien in opvang van het verlies aan inkomen in geval van overlijden. Hier relevant is (uitsluitend) de verzekering op het leven van [persoon B] . Niet ter discussie staat dat onder die polis in geval van overlijden een bedrag van € 87.806,-- zou worden uitgekeerd. In de conclusie van antwoord heeft HMJ concreet uiteengezet dat met die uitkering de hypothecaire geldlening zodanig lager zou worden dat [persoon A] in staat zou zijn de daarbij horende maandlasten te dragen, mede gegeven het nabestaandenpensioen van de werkgever van [persoon B] dat dan ook beschikbaar zou komen. Hierop heeft [persoon A] niet voldoende concreet gereageerd. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van dit betoog.
5.24.
Hieruit volgt in beginsel dat in het scenario zonder fout van HMJ het overlijdensrisicodeel van de lopende beleggingsverzekering zou zijn voortgezet of dat HMJ zich ervoor zou hebben ingespannen dat alsnog een overlijdensrisicoverzekering met een verzekerd kapitaal van € 87.806,-- tot stand zou zijn gekomen. In dit kader is niet van belang dat onder de lopende beleggingsverzekering de kinderen van [persoon B] de begunstigden waren (en niet [persoon A] ), omdat deze polis was verpand aan de hypothecaire geldverstrekker. HMJ heeft dat gesteld en de juistheid daarvan blijkt ook uit de door [persoon A] in het geding gebrachte polis. Aangenomen moet daarom worden dat het verzekerd bedrag op de hypothecaire lening in mindering zou zijn gekomen als het overlijdensrisicodeel uit de beleggingsverzekering zou zijn voortgezet.
5.25.
Het voorgaande zou alleen anders zijn als [persoon A] voldoende onderbouwd zou hebben gesteld dat zij en [persoon B] specifiek hadden aangedrongen op een inkomensvoorziening bij overlijden ter grootte van het aflosvrije deel van de hypothecaire lening. Dat heeft zij niet gedaan. De enkele verwijzing naar hun wens om ervoor te zorgen dat hun nabestaanden de woning te zijner tijd zonder restschuld kunnen verkopen is daarvoor onvoldoende. Of bij verkoop van de woning sprake is van een restschuld, hangt namelijk af van verschillende omstandigheden, waaronder niet in de laatste plaats de ontwikkeling van de huizenmarkt. [persoon A] heeft nog gesteld dat voor haar vader, die bereid was om garant te staan voor het aflosvrije deel van de lening, een overlijdensrisicoverzekering voor dit bedrag relevant was, maar uit de stellingen in dit verband kan niet worden afgeleid dat dit destijds ook voor HMJ kenbaar was.
5.26.
De slotsom hiervan is dat zonder de fout van HMJ een bedrag van € 87.806,-- tot uitkering zou zijn gekomen dat in mindering zou hebben gestrekt op de hypothecaire lening. Dit bedrag is dus de schade die [persoon A] heeft geleden.
eigen schuld
5.27.
HMJ heeft een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [persoon A] . HMJ heeft daaraan dezelfde argumenten ten grondslag gelegd als de argumenten ter onderbouwing van het beroep op schending van de klachtplicht: het had [persoon A] en [persoon B] moeten zijn opgevallen dat zij geen overlijdensrisicoverzekering hadden, omdat zij geen offerte en polis hadden ontvangen, geen gezondheidsverklaring hebben hoeven invullen en geen premie betaalden. Daarnaast stelt HMJ dat [persoon A] en [persoon B] er zelf voor hebben gekozen om de lopende beleggingsverzekeringen, inclusief het overlijdensrisicodeel, op te zeggen.
5.28.
Om van eigen schuld van de benadeelde te kunnen spreken, moet hij zich anders hebben gedragen dan redelijkerwijs van hem mocht verwacht, terwijl dat eigen handelen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
5.29.
Hiervan is geen sprake voor wat betreft het verwijt dat [persoon A] en [persoon B] er zelf voor hebben gekozen de beleggingsverzekeringen op te zeggen zonder het overlijdensrisicodeel voort te zetten. De schending van de zorgplicht van HMJ heeft in de gegeven omstandigheden immers juist ook betrekking op in onvoldoende mate zeker stellen dat [persoon A] en [persoon B] het advies op dit specifieke punt goed hebben begrepen en het hen duidelijk was wat zij moesten doen. Zou HMJ dat hebben gedaan, dan ligt alleszins in de rede dat [persoon A] en [persoon B] conform dat advies zouden hebben gehandeld dan wel zou HMJ tijdig hebben onderkend dat het (toch) niet goed was gegaan en zou zij dit tijdig hebben kunnen herstellen. Zo bezien heeft het handelen van [persoon A] en [persoon B] niet bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
5.30.
Voor het overige geldt dat geen sprake is van een situatie dat [persoon A] en [persoon B] zich anders hebben gedragen dan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht. De rechtbank verwijst naar het overwogene in 5.19. Denkbaar is dat vanaf enig moment van [persoon A] en [persoon B] verwacht had mogen worden zich af te vragen of het met de financiering wel goed was gegaan, maar de tijd tussen de totstandkoming van de financiering en het overlijden van [persoon B] is te kort geweest om aan het ontbreken van enige actie de kwalificatie van eigen schuld te verbinden.
de rente
5.31.
De vordering van [persoon A] heeft ook betrekking op rente. De vordering is niet heel duidelijk geformuleerd. [persoon A] spreekt van hypotheekrente (over het aflosvrije deel), rente en de wettelijke rente. HMJ wijst terecht op deze onduidelijkheid. Wat hier ook van zij, het gaat in deze zaak om een geldbedrag (namelijk de uitkering van € 87.806,--) dat zonder de fout van HMJ eerder aan [persoon A] ten goede gekomen zou zijn. Voor de schade die zij heeft geleden vanwege de vertraging van deze uitkering komt uitsluitend de wettelijke rente in aanmerking.
5.32.
Met het overlijden van [persoon B] is nakoming door HMJ blijvend onmogelijk geworden. Zij is daarom van rechtswege in verzuim geraakt (artikel 6:83 onder a in verbinding met artikel 6:74 lid 2 BW). De schade is geleden op het moment waarop de uitkering van € 87.806,-- gedaan zou zijn als HMJ geen fout zou hebben gemaakt. Dat is niet al op het moment van overlijden. Terecht wijst HMJ erop dat de verzekeraar enige tijd nodig heeft om een melding van overlijden te verwerken. De rechtbank zal het moment waarop de schade is geleden naar redelijkheid vaststellen op 1 januari 2020. Vanaf dat moment is HMJ wettelijke rente verschuldigd.
geen belang bij een verklaring voor recht
5.33.
Omdat in dit vonnis de schade wordt begroot en HMJ tot betaling daarvan wordt veroordeeld, heeft [persoon A] onvoldoende belang bij de gevraagde verklaring voor recht.
buitengerechtelijke incassokosten
5.34.
[persoon A] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. [persoon A] heeft onvoldoende gesteld, ook niet naar aanleiding van het concrete verweer van HMJ in de conclusie van antwoord, dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor werkzaamheden die waren gericht op het bereiken van een oplossing buiten rechte. De ene overgelegde brief van haar advocaat aan HMJ is onvoldoende.
proceskosten
5.35.
HMJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.1214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.476,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt HMJ om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 87.806,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 1 januari 2020 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt HMJ in de proceskosten van € 5.476,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als HMJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
1980/3455