ECLI:NL:RBROT:2025:12482

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/707347 / KG ZA 25-969
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 6:51 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag na stellen vervangende zekerheid via depotovereenkomst

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin eiser verzocht om opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde c.s. was gelegd op een appartement en banktegoeden ten bedrage van €294.473,60. Het beslag was gelegd op grond van een eerder verleend verlof en de vordering was begroot op dat bedrag.

Eiser had het appartement inmiddels verkocht en wilde het beslag laten opheffen onder de voorwaarde dat een depotovereenkomst wordt gesloten waarbij de notaris de verkoopopbrengst als zekerheid onder zich houdt. Gedaagde c.s. weigerden mee te werken, stellende dat de depotovereenkomst onvoldoende zekerheid bood vanwege bepalingen omtrent uitkering en kosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de depotovereenkomst voldoende zekerheid biedt omdat de notaris het bedrag vasthoudt en alleen uitkeert na een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde gerechtelijke uitspraak of kracht van gewijsde. Hierdoor kunnen gedaagde c.s. zonder moeite verhaal nemen. Bezwaren tegen de uitkeringsmomenten en kosten werden verworpen, mede omdat de kosten relatief gering zijn ten opzichte van het depotbedrag.

De voorzieningenrechter besloot het beslag op te heffen zodra de depotovereenkomst rechtsgeldig is ondertekend en door de notaris is bevestigd. Tevens werden de proceskosten aan gedaagde c.s. opgelegd. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven na ondertekening van een depotovereenkomst die voldoende zekerheid biedt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en have
Zaaknummer: C/10/707347 / KG ZA 25-969
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a Rv van
29 september 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eiser,
advocaat: mr. P. van der Mersch,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. S. Kegreisz.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde c.s.] genoemd.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Aanwezig zijn mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, en mr. L.A. Bosch, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
- [eiser] in persoon,
- mr. Van der Mersch,
- [gedaagde sub 1] , gedaagde sub 1,
- [gedaagde sub 2] , gedaagde sub 2,
- mr. Kegreisz.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 12 december 2024 op verzoek van [gedaagde c.s.] verlof verleend tot het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [eiser] . De voorzieningenrechter heeft daarbij de vordering van [gedaagde c.s.] begroot op € 294.473,60.
1.2.
[gedaagde c.s.] hebben van het verlof gebruik gemaakt en hebben op 13 december 2024 conservatoir (derden)beslag gelegd:
- op het appartementsrecht aan [adres] , [postcode] [plaats] (kadastraal bekend [kadasternummer] ; hierna: het appartement), waarvan [eiser] voor de onverdeeld helft eigenaar is, en
- onder Rabobank op – kort gezegd – al hetgeen zij aan [eiser] verschuldigd is tot een bedrag van € 294.473,60.
1.3.
[eiser] en zijn voormalig partner hebben het appartement op 8 april 2025 verkocht. De levering is gepland op 30 september 2025 om 9.45 uur bij [notariskantoor] .
1.4.
[eiser] heeft [gedaagde c.s.] verzocht de beslagen op te heffen tegen het stellen van zekerheid, in die zin dat de notaris de verkoopopbrengst van het appartement onder zich houdt op grond van een depotovereenkomst waarin is bepaald wanneer om uitkering kan worden verzocht. [gedaagde c.s.] heeft geweigerd hieraan mee te werken.
1.5.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van het beslag op het appartement en het beslag onder Rabobank, zodra [eiser] de definitieve depotovereenkomst rechtsgeldig zal hebben ondertekend en door de notaris zal zijn verklaard, dat hij ten behoeve van het depot een bedrag van € 294.473,60 onder zich heeft, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde c.s.] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
1.6.
Het verweer van [gedaagde c.s.] strekt tot afwijzing van het gevorderde. Volgens hen biedt de depotovereenkomst onvoldoende zekerheid. Zij wijzen in dat kader op artikel 4 lid Pro 2, artikel 4 lid 4 en Pro artikel 4 lid 6 van Pro de depotovereenkomst.
1.7.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6:51 lid 2 BW Pro moet de aangeboden zekerheid zodanig te zijn dat de vordering en zo daartoe gronden zijn de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat [gedaagde c.s.] daarop zonder moeite verhaal zullen kunnen nemen.
1.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel van de voorgestelde depotovereenkomst voldoende vervangende zekerheid voor de door [gedaagde c.s.] gelegde beslagen vormt. Indien die depotovereenkomst tot stand komt, zal de notaris – kort gezegd – de verkoopopbrengst tot een bedrag van € 294.473,60 gaan houden en vervolgens uitkeren zodra bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde gerechtelijke uitspraak is beslist, dan wel die gerechtelijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Dat betekent dat wanneer [gedaagde c.s.] een al dan niet gedeeltelijke toewijzende beslissing krijgen, zij zonder moeite verhaal kunnen nemen op het depot.
1.9.
[gedaagde c.s.] betwijfelen of het allemaal klopt. De voorzieningenrechter overweegt daarover dat het beslag pas wordt opgeheven, nadat de notaris heeft verklaard dat hij het depotbedrag, dat overeenkomt het de in beslagverlof begrote vordering, ook daadwerkelijk onder zich heeft.
1.10.
Als het betoog van [gedaagde c.s.] dat het depot hangende een eventueel hoger beroep in stand dient te blijven wordt gevolgd, dan zouden [gedaagde c.s.] in een betere positie komen te verkeren dan zij nu zijn. Het bezwaar tegen het moment van uitkering wordt daarom verworpen.
1.11.
Het bezwaar tegen de einddatum wordt ook verworpen. Ten eerste houdt die einddatum blijkbaar verband met de maximumduur dat de notaris bereid is het bedrag in depot te houden. Verder is moeilijk voorstelbaar dat de notaris een uitkering gaat doen die niet in overstemming is met de stand van de zaken van de procedure tussen partijen op dat moment. Voor zover op dat moment nog een bedrag in depot wordt gehouden, wat gelet op het hiervoor overwogene niet voor de hand ligt, zijn er alternatieven denkbaar.
1.12.
De kosten die de notaris op grond van artikel 4 lid 6 van Pro de depotovereenkomst in mindering mag brengen op uit te keren bedragen, bedragen € 90,00 per maand, wat betekent dat deze over de looptijd van de depotovereenkomst maximaal € 2.160,00 bedragen. Nog afgezien van wat in 1.11 is overwogen, is dat gelet op het totale depotbedrag verwaarloosbaar, zodat toewijzing van de vordering daarop niet afstuit. De vordering wordt dan ook toegewezen.
1.13.
[gedaagde c.s.] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter begroot de proceskosten van [eiser] op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten
€ 178,00 [1]
Totaal € 1.616,00
1.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
heft op het op 13 december 2024 ten laste van [eiser] gelegde beslag op het appartement en het beslag onder Rabobank, zodra [eiser] de definitieve depotovereenkomst rechtsgeldig zal hebben ondertekend en door de notaris zal zijn verklaard, dat hij ten behoeve van het depot een bedrag van € 294.473,60 onder zich heeft,
2.2.
veroordeelt [gedaagde c.s.] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde c.s.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagde c.s.] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Nadat het vonnis is uitgesproken is de mondelinge behandeling gesloten.
Waarvan proces-verbaal,

Voetnoten

1.plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing