Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij hij een akkoord aanbood met een betaling van 1,9% aan preferente en 0,95% aan concurrente schuldeisers. Dit akkoord is gebaseerd op een saneringskrediet en de huidige afloscapaciteit, berekend op basis van een ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering.
Een aantal schuldeisers, waaronder Ziggo, Esso en Odido, stemden niet in met het akkoord en voerden aan dat verzoeker niet het maximaal haalbare heeft aangeboden en dat er sprake is van brandstofdiefstal bij Esso. Verzoeker stelde dat hij sinds een bedrijfsongeval in 2018 zwaar hoofdletsel heeft en niet kan werken, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker niet in staat is om minimaal 36 uur per week te werken en dat het aangeboden akkoord daarom niet het uiterste is wat van hem verwacht mag worden. De belangen van de weigeraars wegen zwaarder dan die van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt daarom afgewezen.