ECLI:NL:RBROT:2025:12595

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
11745631 CV EXPL 25-13524
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:30 BWArt. 6:44 BWArt. 6:159 BWArt. 6:265 BWArt. 43 algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst en betaling achterstallige termijnen met auto-inlevering

In deze zaak vordert eiseres de ontbinding van een leaseovereenkomst wegens niet-betaling van de maandelijkse leasebedragen door gedaagde sinds december 2024. Gedaagde stelt dat het leasecontract is overgenomen door een derde partij, maar dit is niet bewezen omdat instemming van eiseres ontbreekt.

De kantonrechter oordeelt dat het contract niet is overgenomen zonder instemming en dat gedaagde daardoor gebonden blijft aan de verplichtingen. Er is een betalingsachterstand vastgesteld van bijna drie maanden, wat volgens de algemene voorwaarden en de wet een gegronde reden is voor ontbinding.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van €7.188,05, bestaande uit achterstallige termijnen, contractuele rente en incassokosten. Tevens moet gedaagde de auto binnen 72 uur inleveren, met een dwangsom van €400 per dag bij niet-naleving. Kosten voor eventueel innemen van de auto en aangifte bij politie worden ook toegewezen.

De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige vorderingen af.

Uitkomst: De kantonrechter ontbindt de leaseovereenkomst en veroordeelt gedaagde tot betaling van €7.188,05, inlevering van de auto binnen 72 uur met dwangsom, en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11745631 CV EXPL 25-13524
datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon A] en [persoon B] .

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 juni 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie namens [gedaagde] en de bijlagen die toen zijn overhandigd;
  • de repliek;
  • de akte van [eiseres] , met een bijlage;
  • de schriftelijke reactie namens [gedaagde] , met bijlagen.

2.De beoordeling

Een opmerking vooraf
2.1.
Er is bij [eiseres] begrijpelijk wat verwarring over de processtukken van [gedaagde] die zij via de rechtbank heeft ontvangen. De kantonrechter legt dit daarom uit. Bij de mondelinge reactie zijn namens [gedaagde] bijlagen overhandigd. Uit de repliek maakte de kantonrechter op dat die bijlagen niet naar [eiseres] zijn verstuurd. Zij heeft die daarom alsnog op laten sturen naar [eiseres] en haar de gelegenheid gegeven om daar eerst op te reageren. Dit staat niet in de begeleidende brief, waardoor [eiseres] dacht dat dit een reactie was op de repliek. Dat is dus niet zo.
Waar gaat de zaak over?
2.2.
[gedaagde] heeft van [eiseres] een auto geleased. [gedaagde] moest elke maand een leasebedrag aan [eiseres] betalen en heeft dat volgens [eiseres] vanaf december 2024 niet meer gedaan. [eiseres] heeft daarom de overeenkomst ontbonden. Zij eist in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt de auto terug te geven, de achterstand te betalen en de schade van [eiseres] te vergoeden.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens haar heeft [bedrijf X] . (hierna: [bedrijf X] ) het leasecontract overgenomen. Ze stelt verder dat alles is betaald, deels door haarzelf en deels door [bedrijf X] .
De voorlopige voorziening wordt afgewezen
2.4.
[eiseres] vraagt een voorlopige voorziening voor de tijd dat deze procedure duurt (artikel 223 Rv Pro). Deze eis wordt afgewezen, omdat in dit vonnis een eindbeslissing wordt gegeven.
Het contract is niet overgenomen door [bedrijf X]
2.5.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat het leasecontract is overgenomen door [bedrijf X] . Het is op zich mogelijk dat [bedrijf X] het leasecontract overneemt van [gedaagde] , maar dat kan alleen als [eiseres] daarmee instemt (artikel 6:159 BW Pro). Het is niet gebleken dat dit is gebeurd.
2.6.
[gedaagde] heeft bij haar mondelinge reactie wel een indeplaatsstellingsakte tussen haar en [bedrijf X] overhandigd. Maar uit niets blijkt dat deze naar [eiseres] is opgestuurd en dat [eiseres] hier ook mee heeft ingestemd. [gedaagde] heeft verder een paar mails aan [eiseres] en Janssen & Janssen overhandigd, waarin zij ook schrijft dat het contract is overgenomen, maar dat is onvoldoende. Hieruit blijkt namelijk ook niet dat [eiseres] daarmee instemt.
2.7.
[gedaagde] heeft er verder op gewezen dat [bedrijf X] facturen heeft betaald. Dat mag uiteraard (artikel 6:30 BW Pro), maar dat betekent ook niet dat [eiseres] ermee heeft ingestemd dat [bedrijf X] de overeenkomst heeft overgenomen.
2.8.
Omdat [bedrijf X] het contract niet met instemming van [eiseres] heeft overgenomen blijft [gedaagde] gebonden aan de verplichtingen uit dat contract.
[gedaagde] had in april 2025 een achterstand van € 580,34
2.9.
[gedaagde] moest op basis van het leasecontract iedere maand € 197,75 aan [eiseres] betalen. [eiseres] stelt dat [gedaagde] dat vanaf december 2024 niet meer heeft gedaan, waardoor er in april 2025 een achterstand was van vijf maanden. Volgens [gedaagde] was er toen geen achterstand. Ze heeft bij haar antwoord zeven betalingsbewijzen overhandigd:
€ 197,75 op 5 mei 2024 voor factuur 117984723
€ 207,75 op 9 september 2024 voor factuur 118349375
€ 217,75 op 20 oktober 2024 voor factuur 118444135
€ 207,75 op 16 november 2024 voor factuur 118543441
€ 207,75 op 5 december 2024 voor factuur 118641132
€ 197,75 op 13 maart 2025 voor factuur 118740437
€ 217,75 op 13 maart 2025 voor factuur 118842357
2.10.
De eerste vier betalingen zijn van voor december 2024 en gaan over andere factuurnummers en zijn dus niet relevant. De vijfde betaling is wel van december 2024, maar dat is voor een oudere factuur, blijkt uit het genoemde factuurnummer. De zesde en zevende betaling zijn voor de facturen van december 2024 en januari 2025 die in de dagvaarding zijn genoemd.
2.11.
Volgens [eiseres] moeten de betalingen van 13 maart 2025 eerst worden afgetrokken van de kosten. Dat klopt (artikel 6:44 BW Pro). Uit niets blijkt dat er op 13 maart 2025 al kosten waren gemaakt. Daarom gaan de betalingen eerst af van de rente en daarna van de hoofdsom van de betreffende maanden.
2.12.
De rente voor de factuur van december 2024 bedroeg op 13 maart 2025 € 3,48. Na de betaling van € 197,75 stond op 13 maart 2025 dus nog € 3,48 aan hoofdsom voor december 2024 open. De rente voor de factuur van januari 2025 bedroeg op 13 maart 2025 € 2,31. Door de betaling van € 217,75 zijn die rente en de hoofdsom helemaal betaald en was er nog € 17,69 over (€ 217,75 - € 2,31 - € 197,75). Daarmee is de restanthoofdsom van € 3,48 voor december 2024 betaald. Het resterende bedrag van € 14,21 (€ 17,69 - € 3,48) moet worden afgetrokken van de rente en de hoofdsom van februari 2025. De rente over die factuur bedroeg op 13 maart 2025 € 1,30. Die rente is dus betaald. De rest van € 12,91 (€ 14,21 - € 1,30) moet van de hoofdsom worden afgetrokken. De hoofdsom van februari 2025 bedroeg op 13 maart 2025 dus nog € 184,84 (€ 197,75 – € 12,91).
2.13.
[gedaagde] heeft geen andere betalingsbewijzen overhandigd. Dat betekent dat er in april een achterstand was van bijna drie maanden, namelijk € 184,84 voor februari, en € 197,75 voor zowel maart als april 2025. Dus in totaal gaat het om € 580,34.
[eiseres] heeft de overeenkomst terecht ontbonden
2.14.
Op 1 mei 2025 heeft Hiltermannde overeenkomst ontbonden vanwege de betalingsachterstand. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] dat recht had op basis van de algemene voorwaarden (artikel 43) en de wet (artikel 6:265 BW Pro). De achterstand van bijna drie maanden is daarvoor ernstig genoeg.
[gedaagde] moet de achterstand van € 6.534,59 betalen
2.15.
[gedaagde] moet een achterstand van € 6.534,59 betalen. Er stond op het moment van de ontbinding € 580,34 open. Door de ontbinding moet [gedaagde] daarnaast alle resterende termijnen betalen, op basis van de algemene voorwaarden (artikel 43). [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat dit neerkomt op € 5.954,25. [gedaagde] moet dus in totaal € 6.534,59 betalen.
[gedaagde] moet contractuele rente betalen
2.16.
[gedaagde] moet op basis van de algemene voorwaarden 1,5% rente per maand betalen over alle bedragen die zij moet betalen, vanaf de vervaldag (artikel 15). Dat is vanaf de volgende data:
  • over € 197,75 vanaf 1 maart 2025 (premie maart);
  • over € 184,84 vanaf 13 maart 2025 (premie februari, zie 2.13);
  • over € 197,75 vanaf 1 april 2025 (premie april);
  • over € 5.954,25 vanaf 1 mei 2025 (de resterende termijnen);
De twee betalingen van 13 maart 2025 waren niet in de dagvaarding verwerkt. De rente die [eiseres] eis is daarom verkeerd berekend. Daarom wijst de kantonrechter de rente toe vanaf de data die hierboven staan.
[gedaagde] moet incassokosten van € 653,46 betalen
2.17.
Op basis van de algemene voorwaarden moet [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten betalen (artikel 53). De partijen hebben afgesproken dat dit 10% van de achterstand is. Dat komt neer op € 653,46 (0,1 x € 6.534,59). Dit bedrag wordt daarom toegewezen, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld om totaal € 7.188,05 te betalen.
[gedaagde] moet de auto inleveren
2.18.
Omdat de overeenkomst is ontbonden moet [gedaagde] de auto inleveren. Dat staat in de algemene voorwaarden (artikel 43 en Pro 44). Als [gedaagde] de auto niet binnen 72 uur inlevert moet zij een dwangsom betalen. De kantonrechter stelt de dwangsom per dag en het maximum vast op een bedrag dat de kantonrechter redelijk vindt.
2.19.
Als [gedaagde] de auto inlevert en [eiseres] de auto verkoopt, dan wordt de opbrengst afgetrokken van het bedrag dat [gedaagde] moet betalen.
2.20.
Als [gedaagde] de auto niet zelf inlevert zal [eiseres] mogelijk de auto zelf innemen of aangifte doen. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat dit € 859,10 en € 211,75 kost. Zij eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die kosten aan haar te betalen, als zij de auto zal innemen en/of aangifte zal doen. Die eis wordt toegewezen. Uit de algemene voorwaarden volgt dat [gedaagde] dat verplicht is (artikel 44).
De kantonrechter behandelt de tegeneis van [gedaagde] niet
2.21.
In haar laatste stuk verzoekt [gedaagde] de kantonrechter Janssen & Janssen te veroordelen [bedrijf X] van een zwarte lijst te halen en ‘te rectificeren’ met een dwangsom daaraan gekoppeld. Hier kan de kantonrechter echter niet naar kijken, omdat [gedaagde] deze tegeneis uiterlijk bij het antwoord had kunnen indienen (artikel 137 Rv Pro). Dit heeft [gedaagde] niet gedaan. Overigens zijn Janssen & Janssen en [bedrijf X] geen partij bij deze procedure, zodat ook om die reden de kantonrechter in dit vonnis het verzoek van [gedaagde] niet kan beoordelen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.22.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.478,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen over de auto met het kenteken [kentekennummer] is ontbonden;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] de auto binnen 72 uur nadat dit vonnis is betekend af te geven aan [eiseres] of aan iemand die door [eiseres] is aangewezen en bepaalt dat als [gedaagde] dit niet doet zij aan [eiseres] een dwangsom moet betalen van € 400,- per dag met een maximum van € 10.000,-;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 7.188,05 met de contractuele rente van 1,5% per maand over
  • over € 197,75 vanaf 1 maart 2025;
  • over € 184,84 vanaf 13 maart 2025;
  • over € 197,75 vanaf 1 april 2025;
  • over € 5.954,25 vanaf 1 mei 2025;
tot de dag dat volledig is betaald en bepaalt dat als [gedaagde] de auto inlevert en [eiseres] de auto verkoopt, de opbrengst afgaat van het bedrag dat [gedaagde] moet betalen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 859,10 aan kosten als [gedaagde] de auto niet op tijd afgeeft en [eiseres] deze moet innemen;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 211,75 aan kosten als [gedaagde] de auto niet op tijd afgeeft en [eiseres] aangifte moet doen bij de politie;
3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.478,35;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
33394