ECLI:NL:RBROT:2025:12615

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
ROT 23/206
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:7 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering handhaving aarden wal bij agrarisch bedrijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden om zijn verzoek om handhavend op te treden tegen een agrarisch bedrijf af te wijzen. Het geschil betreft de hoogte van een aarden wal die volgens eiser niet voldoet aan de hoogte-eis van twee meter zoals vastgelegd in het maatwerkvoorschrift 1.1.

De rechtbank overweegt dat het verzoek om handhaving is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet en dat het oude Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing blijft. Het college heeft een meting uitgevoerd op twee punten van de wal waaruit bleek dat de hoogte boven de vereiste twee meter ligt. Eiser heeft geen deskundig tegenonderzoek overgelegd, maar slechts een visuele inschatting en foto's vanaf zijn perceel. Dit is onvoldoende om te concluderen dat de wal niet over de gehele lengte aan de hoogte-eis voldoet.

Verder is vastgesteld dat het verslag van de hoorzitting ontbreekt, wat een gebrek is, maar eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad omdat hij zijn bezwaren heeft kunnen inbrengen. Een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat in een andere zaak reeds een vergoeding is toegekend voor de samenhangende procedures.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het bestreden besluit en draagt het college op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/206

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden

(gemachtigde: mr. S. Delen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[maatschap]uit [plaats] , [maatschap]
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het college van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen [maatschap] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 13 januari 2023 (het primaire besluit) heeft het college op grond van de Veelschrijversrichtlijn van de gemeente Molenlanden geweigerd om inhoudelijk te beslissen op eisers verzoek om handhaving van 23 oktober 2022.
2.1.
Met het besluit van 1 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft het college onder overname van het advies van de commissie bezwaarschriften van 17 maart 2023 eisers bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2023 gegrond verklaard en eisers handhavingsverzoek alsnog afgewezen.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 1] en [naam 2] en de gemachtigde van [maatschap] .
Feiten
3. [maatschap] exploiteert een veehouderij aan [adres 1] in [plaats] . Dit is een inrichting type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).
3.1.
Eiser woont aan [adres 2] in [plaats] . Zijn perceel grenst aan het perceel van [maatschap] en de toegangsweg daarnaartoe. Op 23 oktober 2022 heeft hij bij het college een verzoek om handhaving ingediend, omdat volgens hem niet wordt voldaan aan de hoogte-eis van het maatwerkvoorschrift 1.1 dat aan de inrichting van [maatschap] is opgelegd. Het gedeelte van het geluidscherm dat als grondwal is uitgevoerd is geen twee meter hoog meer, waardoor hij meer geluidoverlast ondervindt, aldus eiser.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft het college gesteld dat een toezichthouder de hoogte van de aarden wal heeft gecontroleerd op 9 maart 2023 naar aanleiding van eisers handhavingsverzoek. Er is daarbij geen overtreding van de hoogte-eis, opgenomen in het bij besluit van 20 november 2015 aan [maatschap] opgelegde maatwerkvoorschrift 1.1, vastgesteld. Het college heeft toegezegd dat handhavend zal worden opgetreden als niet meer aan het maatwerkvoorschrift wordt voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
5.1.
Het verzoek om handhaving van het Activiteitenbesluit is gedaan op 23 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval het Activiteitenbesluit, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
5.2.
Het relevante wettelijke kader staat in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgronden voor zover die betrekking hebben op het niet tijdig nemen van een beslissing ingetrokken.
7. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op een niet bestaand besluit. In het advies heeft de commissie bezwaarschriften verwezen naar de maatwerkvoorschriften die in 2020 voor de inrichting zijn vastgesteld, maar het besluit waarbij die maatwerkvoorschriften zijn vastgesteld is bij uitspraak van deze rechtbank van 19 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6402 vernietigd, zodat de bij besluit van 20 november 2015 vastgestelde maatwerkvoorschriften gelden. Op grond van die maatwerkvoorschriften moet de aarden wal over de volledige lengte twee meter hoog zijn. Het college heeft erop gewezen dat de aarden wal op 9 maart 2023 is gemeten op twee punten, maar die meting is volgens eiser niet toereikend omdat daaruit niet blijkt dat de wal over de volledige lengte de juiste hoogte heeft. De drijver van de inrichting heeft de aarden wal op 1 maart 2023 opgehoogd, maar er is geen ophoging rond de bomen die in de wal zijn geplant. Daardoor voldoet de wal niet over de volledige lengte aan de hoogte-eis. Het oostelijke deel van de wal is in elk geval geen twee meter hoog, aldus eiser.
7.1.
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het in deze zaak gaat om de vraag of het bij besluit van 20 november 2015 vastgestelde maatwerkvoorschrift 1.1 uit 2015 is overtreden. In dat maatwerkvoorschrift is het volgende bepaald:
“Er dient een geluidscherm of -wal van 2 meter hoog te worden gerealiseerd, dat wordt geplaatst aan de zuidzijde van de inrichting vanaf de inrit van de inrichting tot aan de reeds aanwezige geluidswal. Het gewicht van een wal/scherm moet minimaal 10 kg/m2 bedragen en geheel gesloten worden uitgevoerd.”
7.2.
Op 9 maart 2023 heeft een toezichthouder namens het college een meting uitgevoerd waarbij de hoogte van de aarden wal op twee verschillende punten is gemeten. Daarbij is vastgesteld dat de wal op die twee punten 2,15 meter respectievelijk 2,50 meter hoog is. Hetgeen eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de aarden wal niet over de gehele lengte zou voldoen aan de hoogte-eis van twee meter. Eiser heeft geen (deskundig) tegenonderzoek overgelegd, maar enkel op basis van zijn eigen visuele inschatting en foto’s vanaf zijn eigen perceel gesteld dat de aarden wal lager is dan twee meter. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat het verslag van de hoorzitting ontbreekt en dat het ontbreken daarvan in strijd is met de wet.
8.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijkt dat met een verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. De plicht tot schriftelijke verslaglegging kan op verschillende wijzen worden vormgegeven. Zo kan ook uit de beslissing op bezwaar blijken wat op de hoorzitting is verhandeld. [1]
8.2.
Van de hoorzitting is geen afzonderlijk verslag overgelegd. In het bestreden besluit en het advies van de commissie bezwaarschriften is niet vermeld wat tijdens de hoorzitting is voorgevallen. Hiermee is niet voldaan aan de eis van artikel 7:7 van Pro de Awb. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Eiser is door dit gebrek echter niet in zijn belangen geschaad. Hij heeft de ter zitting geuite bezwaren in beroep naar voren kunnen brengen. Er bestaat daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren.
9. Ten aanzien van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting zijn meerdere zaken behandeld waarbij een handhavingsverzoek van eiser jegens [maatschap] onderwerp is geweest van geschil. In de uitspraak in de zaak ROT 23/305 van heden is aan eiser een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,- toegekend. De aanspraak op immateriële schadevergoeding vloeit voort uit door de rechtszoekende gevoelde spanning en frustratie die wordt veroorzaakt door de lange behandelingsduur van de door hem aangespannen procedure. Nu eiser in al deze zaken opkomt tegen gestelde omgevingsrechtelijke overtredingen van [maatschap] die verband houden met geluidhinder is de rechtbank van oordeel dat er in zoverre sprake is van onderlinge samenhang in de door eiser ingediende handhavingsverzoeken, zodat er geen reden is om te veronderstellen dat de duur van deze procedure daarbij voor extra ervaren spanning en frustratie heeft gezorgd. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met de toekenning van de vergoeding in zaak ROT 23/305 en zal de rechtbank in deze zaak geen schadevergoeding toekennen.

Conclusie en gevolgen

10. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Vanwege het in 8.2. geconstateerde gebrek is er wel aanleiding om te bepalen dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Op de zitting van 26 juni 2025 is eveneens de hiervoor genoemde zaak ROT 23/305 behandeld. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank in die zaak een proceskostenveroordeling, inhoudende een vergoeding van de gemaakte reiskosten, toegewezen. Omdat eiser deze kosten maar één keer heeft gemaakt is er in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:7

Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Voetnoten

1.Memorie van Toelichting, Kamerstukken 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 151