De ouders van eiseres huurden sinds 1974 een woning in Rotterdam, waarin eiseres als minderjarige woonde. Na diverse verhuizingen keerde zij in 2020 terug naar het ouderlijk huis. Na het overlijden van haar moeder in 2023 en vader in 2024 vorderde eiseres voortzetting van de huur op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar ouders.
Havensteder betwistte dit en eiste ontruiming, stellende dat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond en dat eiseres onvoldoende financiële waarborg bood. De kantonrechter stelde vast dat eiseres haar hoofdverblijf in de woning had en dat er sprake was van feitelijk samenleven, ondersteund door verklaringen van vrienden, foto's en WhatsApp-berichten.
De kantonrechter vond dat de gemeenschappelijke huishouding duurzaam was, mede gelet op de onverwachte dood van de vader en het ontbreken van inschrijving als woningzoekende door eiseres. Financieel kon eiseres de huur dragen, wat bleek uit loonstroken. Daarom mocht zij de huur voortzetten. Havensteder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.