In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 7 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De vader van [minderjarige] heeft verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar en om de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft te vervangen. De moeder heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek, stellende dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is en dat het goed gaat met [minderjarige]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling op 28 januari 2025 voor het laatst is verlengd tot 29 juli 2025 en dat er op dit moment geen ondertoezichtstelling meer loopt. Hierdoor is het primaire verzoek van de vader om verlenging niet mogelijk en wordt dit verzoek afgewezen. Het subsidiaire verzoek om [minderjarige] opnieuw onder toezicht te stellen wordt ook afgewezen, omdat de kinderrechter van oordeel is dat de maatregel van ondertoezichtstelling niet langer doelmatig is. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat een vernieuwde ondertoezichtstelling positieve resultaten zal opleveren. De ouders worden aangespoord om met steun van de hulpverlening in het vrijwillig kader uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling.