ECLI:NL:RBROT:2025:12644

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/704162 / JE RK 25-1561
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling van minderjarige in het kader van de zorg- en opvoedingstaken

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 7 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De vader van [minderjarige] heeft verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar en om de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft te vervangen. De moeder heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek, stellende dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is en dat het goed gaat met [minderjarige]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling op 28 januari 2025 voor het laatst is verlengd tot 29 juli 2025 en dat er op dit moment geen ondertoezichtstelling meer loopt. Hierdoor is het primaire verzoek van de vader om verlenging niet mogelijk en wordt dit verzoek afgewezen. Het subsidiaire verzoek om [minderjarige] opnieuw onder toezicht te stellen wordt ook afgewezen, omdat de kinderrechter van oordeel is dat de maatregel van ondertoezichtstelling niet langer doelmatig is. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat een vernieuwde ondertoezichtstelling positieve resultaten zal opleveren. De ouders worden aangespoord om met steun van de hulpverlening in het vrijwillig kader uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704162 / JE RK 25-1561
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M. van der Weide, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. L.A. Jansen, kantoorhoudende te Oud-Beijerland .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de GI JB west, gevestigd in Dordrecht,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI LDH, gevestigd te Rotterdam,
In de raadgevende en/of adviserende rol op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vader van 28 juli 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van de GI LDH van 31 juli 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 11 september 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van de GI LDH van 18 september 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het bericht met bijlagen van mr. M. van der Weide van 22 september 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het bericht met bijlagen van de GI JB west van 22 september 2025;
  • de pleitnota van mr. M. van der Weide, overhandigd en voorgedragen ter zitting op 23 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI JB west, [vertegenwoordiger 1] ;
  • twee vertegenwoordigers van de GI LDH, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 4] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De vader verzoekt primair om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de GI die het toezicht heeft te vervangen door de GI Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, althans een andere GI.
3.2.
De vader verzoekt subsidiair om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, met benoeming van de GI Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering als uitvoerende GI, althans een andere GI.

4.Het standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en – onder verwijzing naar het verzoekschrift – nader toegelicht. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kinderrechter een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarin de omgang tussen [minderjarige] en de vader in stappen wordt opgebouwd. Inmiddels zou volgens deze beschikking de derde stap aan de orde moeten zijn, maar het is nog niet gelukt om de tweede stap volledig af te ronden. De financiering voor de hulpverlening vanuit Enver loopt voor zover bekend tot eind oktober 2025 en zal daarna worden afgerond. Daarbij geeft Enver aan dat het de taak van de GI JB west en de casusregiehouder is om bij de vader thuis langs te gaan, terwijl de GI JB west niet meer bij het gezin betrokken is en bij de gemeente geen casusregiehouder beschikbaar is om de taken van de GI JB west over te nemen. De vader heeft [minderjarige] daarom sinds halverwege juni 2025 niet meer gezien. De vader begrijpt dat de omgang voorzichtig moet worden opgebouwd en wil hierin graag meedenken. Hij vertrouwt er echter niet meer op dat de omgang tussen hem en [minderjarige] binnen het vrijwillig kader zal worden gerealiseerd. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarom noodzakelijk, bij voorkeur uitgevoerd door een andere GI dan de GI JB west, zoals de GI LDH. Het feit dat bij de GI LDH capaciteitsproblemen bestaan en dat de zaak niet volledig aansluit op de doelgroep, kan hieraan niet in de weg staan.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader. [minderjarige] heeft sinds 2021 onder toezicht gestaan. De ondertoezichtstelling is inmiddels geëindigd, omdat de GI het niet nodig vond om nog een verlengingsverzoek in te dienen. De moeder staat hier nog steeds achter. [minderjarige] wordt niet ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Het gaat juist goed met hem, zowel thuis als op school. De moeder heeft daarbij altijd meegewerkt aan de inzet van hulpverlening en zal dit ook altijd blijven doen. De financiering van Enver loopt op 1 oktober 2025 af, maar kan worden verlengd via het wijkteam. De omgang tussen [minderjarige] en de vader kan daarom nog steeds binnen het vrijwillig kader worden vormgegeven. [minderjarige] heeft in gesprekken met de kindercoach, die op aanraden van de GI JB west is ingeschakeld, aangegeven dat hij geen omgang meer met de vader wil. Het is daarom belangrijk om de omgang tussen [minderjarige] en de vader laagdrempelig op te starten. De moeder heeft hiertoe vaker mogelijkheden aangedragen, maar de vader reageert hier niet op.

5.De informatie

5.1.
De GI JB west brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De afgelopen jaren is het met de inzet van hulpverlening, door weerstand van de moeder, niet gelukt om de omgang tussen [minderjarige] en de vader uit te breiden. Gelet op de ervaringen is de GI JB west tot de conclusie gekomen dat een verdere ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet meer helpend zou zijn, waardoor niet is verzocht om deze te verlengen. De Raad heeft het voornemen om niet te verlengen getoetst en daarmee ingestemd. Bij de afronding van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is de zaak overgedragen naar Jeugdteam Hoeksche Waard. Hier bestaat echter een wachtlijst, waardoor de taken van de GI nog niet zijn overgenomen. De GI JB west vindt het jammer dat de situatie in de tussentijd niet is verbeterd en erkent dat nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Totdat de moeder de gebeurtenissen uit het verleden verwerkt en leert om [minderjarige] de nodige emotionele toestemming te geven om omgang met de vader te hebben, verwacht de GI JB west echter niet dat in de situatie daadwerkelijk iets kan veranderen.
5.2.
De GI LDH brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat zij het verzoek tot bereidverklaring voor de overname/uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft afgewezen. De GI JB west is in het kader van de ondertoezichtstelling eerder bij [minderjarige] betrokken geweest. Als [minderjarige] weer opnieuw onder toezicht wordt gesteld, is de betrokkenheid van de GI JB west daarom het meest passend. [minderjarige] en zijn ouders passen ook niet in de doelgroep van GI LDH. Mocht de GI LDH toch worden belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, dan zullen de jeugdbeschermers zich wel inzetten om deze zo goed mogelijk uit te voeren.
5.3.
De Raad brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De afgelopen jaren veel is geprobeerd om onbelaste omgang tussen [minderjarige] en de vader te realiseren, maar dit is door de weerstand van de moeder niet gelukt. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is op 28 januari 2025 voor het laatst verlengd tot 29 juli 2025. Op dit moment loopt daarom voor [minderjarige] geen ondertoezichtstelling meer. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kinderrechter een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarin de omgang tussen [minderjarige] en de vader in stappen wordt opgebouwd. Het is van belang dat dit stappenplan zo snel mogelijk wordt gevolgd. De moeder geeft ter zitting aan dat zij hieraan wil meewerken. Voordat [minderjarige] opnieuw onder toezicht wordt gesteld, dient te worden bekeken of dit in het vrijwillig kader nog mogelijk is. De Raad adviseert daarom om de beslissing op het verzoek van de vader in zijn geheel aan te houden, voor de duur van zes maanden, en in de aanhoudingsbeschikking concreet op te nemen wat de aankomende periode van de ouders wordt verwacht.

6.De beoordeling

Ten aanzien van het primaire verzoek
6.1.
De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op 28 januari 2025 voor het laatst verlengd is tot 29 juli 2025. Op dit moment loopt daarom voor [minderjarige] geen ondertoezichtstelling meer. Een verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals door de vader primair is verzocht, is daarom niet langer mogelijk. Het primaire verzoek zal reeds om die reden worden afgewezen.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek
6.2.
Uit de stukken en hetgeen te zitting is besproken, komt naar voren dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling sinds januari 2021 heeft getracht de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader op te bouwen. Die inspanningen hebben er gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling echter niet toe geleid dat er structureel onbelaste en onbegeleide omgang heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. De betrokken partijen, anders dan de moeder, menen ook dat een dergelijk omgang mogelijk moet zijn. Contra-indicaties daarvoor worden niet gezien in de interactie tussen [minderjarige] en de vader.
6.3.
GI JB west heeft voldoende onderbouwd aangevoerd dat het gebrek aan voortgang is te wijten aan de opstelling van de moeder, die weerstand biedt aan alle pogingen om tot uitbreiding te komen. Ook uit het dossier komt het beeld naar voren dat de moeder ‘meestribbelt’. Zij verschijnt op afspraken met hulpverleners, blijft in contact, maar concrete stappen blijven uit. Daarvan wordt de verantwoordelijkheid vervolgens weer elders gelegd. Zo heeft recent in juli van dit jaar nog de betrokken hulpverlener vanuit Enver besloten de hulpverlening stop te zetten, nadat de moeder meerdere keren heimelijk de gesprekken had opgenomen. Ter zitting heeft de moeder daarover alleen opgemerkt dat zij dat heeft gedaan om die gesprekken met haar ouders na te bepreken, maar zij heeft geen enkel inzicht getoond in de laakbaarheid van dat gedrag en de schade die zij daarmee heeft aangebracht aan het hulpverleningstraject.
6.4.
Dat de GI JB west met deze voorgeschiedenis en onder deze omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat er binnen het kader van een de ondertoezichtstelling geen verbetering meer is te bewerkstelligen, is voorstelbaar. Dat komt bij dat er bij beschikking van 28 februari 2025 een concrete zorgregeling is vastgesteld, waarmee ouders verder aan de slag moeten.
6.5.
De vraag ligt dan ook voor of [minderjarige] nu opnieuw, ondanks de hiervoor geschetste omstandigheden, onder toezicht moet worden gesteld. Met alle betrokkenen is de kinderrechter het eens dat de eerder vastgestelde ernstige ontwikkelingsbedreiging nog niet is weggenomen, en dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Desondanks zal de kinderrechter het subsidiaire verzoek ook afwijzen.
6.6.
Daarbij is van belang dat de kinderrechter, met de GI JB west, van oordeel is dat de maatregel van de ondertoezichtstelling inmiddels niet langer doelmatig is. In de afgelopen jaren heeft de GI JB west ingezet op uitbreiding van de omgang en het creëren van draagvlak daarvoor bij de moeder. Dat heeft helaas onvoldoende resultaat opgeleverd, maar de kinderrechter ziet geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat een vernieuwde ondertoezichtstelling die resultaten wel zal opleveren. Het is in beginsel aan de ouders om, met steun van de hulpverlening in het vrijwillig kader, uitvoering te gaan geven aan de vastgestelde zorgregeling. De moeder is daartoe ook gehouden.
6.7.
De kinderrechter merkt wel op dat het wenselijk was geweest dat de ondertoezichtstelling pas werd afgesloten op het moment dat het wijkteam ook kon instappen. In de huidige situatie is er, in verband met een wachtlijst bij het wijkteam van ongeveer zes maanden, gedurende langere tijd geen casusregisseur betrokken. Dat is ongelukkig en heeft ook impact gehad op de voortzetting van de hulpverlening door Enver. Deze omstandigheid maakt de afweging op dit moment echter niet anders, nu aangenomen mag worden dat het wijkteam inmiddels op afzienbare termijn wel aan de slag kan.
6.8.
Alles afwegende is de kinderrechter dan ook van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat een ondertoezichtstelling op dit moment een verdere positieve bijdrage zal leveren aan de totstandkoming en uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de vader en daarmee aan het wegnemen van de gestelde ontwikkelingsbedreiging. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.