ECLI:NL:RBROT:2025:12650

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/705853 / JE RK 25-1794
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uithuisplaatsing van minderjarige in het kader van jeugdbescherming

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 6 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, te verlenen. De minderjarige verblijft bij haar oma aan moederszijde, die sinds juli 2025 geen alcohol meer drinkt en naar eigen zeggen goed voor haar kan zorgen. De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren gevoerd, waarbij de oma en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. Tijdens de zitting is de minderjarige gehoord, en de kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over haar welzijn en ontwikkeling zijn verminderd sinds de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de situatie bij de oma niet onveilig of instabiel genoeg is om een uithuisplaatsing noodzakelijk te maken. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI dan ook afgewezen, met de overweging dat de minderjarige een hechte band heeft met haar oma en dat een verhuizing naar een zorgboerderij, die op 40 kilometer afstand ligt, niet in haar belang zou zijn. De beslissing is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 13 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705853 / JE RK 25-1794
Datum uitspraak: 6 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[geboorteplaats],
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz), wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende te Vlaardingen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 augustus 2025, ontvangen op 29 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de oma mz met mr. W.J. Oomkes (waarnemend voor mr. W.J.J. Trooster);
  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
Aangezien de oma mz de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met (telefonische) bijstand van A. Kanabus, tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 27 juli 2018 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de oma mz.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma mz.
2.3.
Bij beschikking van 10 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [minderjarige] woont al sinds jonge leeftijd bij de oma mz. Zij heeft een hechte band met de oma mz en zorgt ook wel voor haar. De GI begrijpt dat het daarom voor [minderjarige] erg moeilijk is om ergens anders te gaan wonen. Tegelijkertijd worden er vanuit de betrokken hulpverlening en school zorgen geuit over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] bij de oma mz. [minderjarige] heeft mentaal veel te verwerken en is zichtbaar afgevallen. Het lukt de oma mz niet om [minderjarige] hierin voldoende te ondersteunen. Daarbij is de moeder van [minderjarige] nog regelmatig bij de oma mz aanwezig, wat bij [minderjarige] traumatische ervaringen kan oproepen. De GI gunt [minderjarige] een verblijfplek waar zij zich in alle rust kan ontwikkelen en weer kind kan zijn. Inmiddels is voor [minderjarige] een woonplek op een zorgboerderij gevonden, op een half uur reizen van de oma mz en dichtbij de school van [minderjarige] . De GI vermoedt dat de zorgboerderij voor [minderjarige] een passende plek is, waar zij de zorg kan krijgen die zij nodig heeft. De GI kan echter, gelet op de weerstand van [minderjarige] , niet met zekerheid zeggen dat een plaatsing van [minderjarige] op de zorgboerderij daadwerkelijk helpend zal zijn.
4.2.
Door en namens de oma mz wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De oma mz ziet dat de GI het beste met [minderjarige] voorheeft. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is echter niet meer passend. [minderjarige] heeft de afgelopen periode haar leven in [plaats] opgebouwd. Zij gaat in de buurt naar school, stage en de manege, waar zij vriendinnen heeft gemaakt. Ook in de flat waar zij woont heeft zij inmiddels een vriendin. Het is niet in het belang van [minderjarige] om haar opnieuw weg te halen uit haar vertrouwde omgeving. Dit kan averechts werken en is bovendien niet noodzakelijk. De oma mz heeft sinds juli 2025 geen alcohol meer gedronken en kan goed (genoeg) voor [minderjarige] zorgen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds zorgen bestaan om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] , zoals door de GI ter zitting ook is verwoord. Deze zorgen zijn ten opzichte van het moment van ondertoezichtstelling van [minderjarige] echter al sterk verminderd. Daarbij komt dat [minderjarige] naar school gaat, stage heeft in een garagebedrijf en naar een manege gaat, allen in [plaats] en Rotterdam-Zuid. De kinderrechter constateert dat de zorgboerderij in een klein dorpje, rechtsboven Dordrecht, op een afstand van zo’n 40 kilometer van [plaats] ligt. Dit betekent dat [minderjarige] telkens flink reistijd zou hebben van en naar haar school, stage en vriendinnen, waarbij komt dat het openbaar vervoer in een dorp (veel) minder frequent rijdt dan in [plaats] en Rotterdam. De kinderrechter is het op zich met de GI eens dat het voor [minderjarige] goed zou kunnen zijn om op de zorgboerderij te verblijven, maar acht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk. De situatie van [minderjarige] bij oma mz is niet dermate onveilig of instabiel dat aan dit criterium is voldaan. De kinderrechter weegt daarbij ook mee dat [minderjarige] heeft aangegeven absoluut niet naar deze plek te willen, maar bij de oma mz wil blijven. De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.