Op 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht, betreffende een minderjarige, geboren in 2012. De kinderrechter heeft de moeder van de minderjarige als belanghebbende aangemerkt. De procedure begon met een verzoekschrift van de Raad van 8 september 2025, waarin werd verzocht om de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Tijdens de zitting, die op 6 oktober 2025 plaatsvond, waren de moeder, een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond aanwezig. De minderjarige heeft haar mening gedeeld met de kinderrechter, die deze samenvatte voor de aanwezigen.
De feiten tonen aan dat de moeder het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft en dat de minderjarige bij haar woont. Er zijn zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige, die al langere tijd niet naar school gaat, geen dagbesteding heeft en in aanraking is gekomen met de politie. De moeder heeft moeite om de minderjarige te begrenzen en te sturen. De Raad heeft daarom verzocht om een ondertoezichtstelling, zodat er meer ruimte is voor hulpverlening en de betrokken jeugdreclasseerder als vaste jeugdbeschermer kan optreden.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat er forse zorgen zijn over de minderjarige, die complex zijn en de draagkracht van de moeder overstijgen. Daarom heeft de kinderrechter besloten om de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, met de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is openbaar uitgesproken op 6 oktober 2025 door mr. A.L. Pöll, kinderrechter, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.