ECLI:NL:RBROT:2025:12663

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/706544 / KG ZA 25-918 en C/10/707820 / KG ZA 25-997
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 196 lid 1 RvArt. 2:8 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzagevordering en gedeeltelijke toewijzing onrechtmatige concurrentie tussen voormalige samenwerkende IT-ondernemingen

De rechtbank Rotterdam behandelde twee samenhangende kort gedingzaken tussen partijen die langdurig hadden samengewerkt in de IT-sector. In zaak I vorderde eiser inzage in financiële stukken van gedaagde om te controleren of kosten ten onrechte werden opgevoerd om dividenduitkering te voorkomen. Deze vordering werd afgewezen omdat het belang van gedaagde bij bescherming van vertrouwelijke informatie en het risico van onrechtmatige concurrentie zwaarder wogen dan het belang van eiser.

In zaak II vorderden eisers een verbod op onrechtmatige concurrentie door gedaagden. De rechtbank oordeelde dat gedaagde partij 1 stelselmatig en structureel klanten van eisers benaderde en daarbij vertrouwelijke informatie gebruikte, wat onrechtmatig was. De voorzieningenrechter legde een verbod op om relaties van eisers actief te benaderen voor twee jaar, met een gematigde dwangsom.

De rechtbank wees de overige vorderingen af, waaronder inzage in jaarrekeningen die eisers reeds bezaten, en een vordering tot betaling van managementvergoeding wegens tegenvordering en opschorting. De proceskosten werden verdeeld: eiser in zaak I werd veroordeeld tot betaling, terwijl in zaak II de kosten werden gecompenseerd. Het vonnis werd op 27 oktober 2025 gewezen door rechter Th. Veling.

Uitkomst: Inzagevordering afgewezen, onrechtmatige concurrentie deels toegewezen met verbod en dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

team handel en haven
Zaaknummers: C/10/706544 / KG ZA 25-918 en C/10/707820 / KG ZA 25-997
Vonnis in kort geding van 27 oktober 2025
in de zaak met zaaknummer C/10/706544 / KG ZA 25-918 (hierna: zaak I) van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. K.M. Janssen,
tegen
[gedaagde partij] B.V., tevens h.o.d.n.
[handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris,
en in de zaak met zaaknummer C/10/707820 / KG ZA 25-997 (hierna: zaak II) van

1.[eisende partij] B.V.,tevens h.o.d.n. [handelsnaam] ,

te [plaats 2] ,
2.
[eisende partij 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eisende partij] en [eisende partij 2] , of gezamenlijk: eisers,
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[gedaagde partij 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
3.
[gedaagde partij 3] B.V.,
te [plaats 1] ,
4.
[gedaagde partij 4],
te [plaats 1] aan Zee,
5.
[gedaagde partij 5] B.V.,
te [plaats 1] aan Zee,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] , [gedaagde partij 3] , [gedaagde partij 4] en [gedaagde partij 5] , of gezamenlijk: gedaagden,
advocaat: mr. K.M. Janssen.

1. De zaken in het kort

[gedaagde partij] en [eisende partij] (en hun bestuurders) hebben langdurig met elkaar samengewerkt. De samenwerking is verstoord geraakt. [eisende partij] wil inzage in verschillende financiële stukken van [gedaagde partij] om daarmee te kunnen vaststellen of (de bestuurder van) [gedaagde partij] ten onrechte kosten ten laste van [gedaagde partij] brengt, om daarmee te voorkomen dat een dividenduitkering aan medeaandeelhouder [eisende partij] moet worden gedaan. Deze vordering wordt afgewezen. Omgekeerd meent [gedaagde partij] dat gedaagden zich schuldig maken aan onrechtmatige concurrentie. De hiermee verband houdende vordering wordt (in afgezwakte vorm) toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure in zaak I blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2025, met producties 1 t/m 12;
- de conclusie van antwoord, met producties A t/m H;
- de akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering eis, met producties 13 t/m 26;
- de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Het verloop van de procedure in zaak II blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025, met producties 1 t/m 21;
- de aanvullende producties 22 t/m 26 van eisers;
- de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde partij 1] is enig bestuurder van [eisende partij] en, via [eisende partij] , van [gedaagde partij 3] . [gedaagde partij 4] is indirect enig bestuurder van [gedaagde partij 5] . De heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is enig bestuurder van [gedaagde partij] en indirect enig bestuurder van [eisende partij 2] . [gedaagde partij] levert – kort gezegd – IT-diensten.
3.2.
Op 29 december 2016 hebben [eisende partij] als opdrachtnemer en [gedaagde partij] als opdrachtgever een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de managementovereenkomst). Daarin zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:
Artikel 1 De Pro opdracht
1.1.
Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten: het adviseren, informeren en ondersteunen van de directie van Opdrachtgever met betrekking tot de commerciële activiteiten van Opdrachtgever en daarbij behorende taken, […]
Artikel 4 Opzegging Pro overeenkomst
4.1
Partijen kunnen deze overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden te allen tijde en zonder opgaaf van reden(en) opzeggen.
Artikel 5 Vergoeding Pro, facturering en betaling
5.1.
Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer een vergoeding voor de werkzaamheden van € 12.500 exclusief BTW per maand. Partijen komen overeen dat deze vergoeding van tijd tot tijd in onderling overleg naar boven of beneden kan en zal worden bijgesteld.
Artikel 7 Geheimhouding Pro
7.1.
Zowel tijdens als na het einde van deze overeenkomst zal Opdrachtnemer geheimhouding betrachten ten aanzien van alle vertrouwelijke gegevens die hem omtrent Opdrachtgever bekend zijn. Deze geheimhoudingsplicht omvat ook vertrouwelijke gegevens van met Opdrachtgever gelieerde ondernemingen, klanten en andere relaties van Opdrachtgever. Vertrouwelijke gegevens zijn gegevens die niet openbaar zijn (gemaakt).
7.2.
Opdrachtnemer is bij beëindiging van de overeenkomst gehouden, uiterlijk op de laatste dag waarop werkzaamheden worden verricht, alle aan hem en de heer [gedaagde partij 1] ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen, correspondentie, documenten en andere zaken aan Opdrachtgever te retourneren.
3.3.
Laatstelijk bedroeg de in artikel 5 genoemde Pro maandelijkse vergoeding € 17.500 exclusief btw. [gedaagde partij] heeft de vergoeding over september 2025 niet aan [eisende partij] betaald.
3.4.
Ter uitvoering van de managementovereenkomst onderhield [gedaagde partij 1] de contacten met de klanten en leveranciers van [gedaagde partij] en [eisende partij 2] . Daartoe behoren onder meer:
klanten:
  • ABN-AMRO
  • ING-bank
  • Swift
  • NXP
  • Nexperia
  • Eurocontrol
  • DJI-JIO
  • Ministerie van Defensie
  • EPO (European Patent Office)
  • PwC
  • KLM
  • UCB
  • UZB
  • Vodafone-Ziggo
  • Voxbone
leveranciers:
  • Legrand (Minkels, Raritan)
  • Carrier (Nlyte)
  • Cohesity
  • Vertiv/Avocent
  • HPE
  • Rittal
  • Server Technology
  • Juniper
  • ADVA
3.5.
Sinds 19 oktober 2017 is [eisende partij] houder van 7.250 stemrechtloze aandelen in het kapitaal van [gedaagde partij] (ongeveer 28% van het totaal). De overige aandelen in [gedaagde partij] worden gehouden door (een vennootschap van) [persoon A] . De beide aandeelhouders en [gedaagde partij] hebben op diezelfde dag een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is overeengekomen:

4.Informatie

4.1
Het bestuur van [gedaagde partij] zal ten behoeve van de Algemene Vergadering en eventuele andere benoemde toezichthouders en/of adviseurs een periodieke rapportage opstellen in de vorm van en met een frequentie als van tijd tot tijd door de Algemene Vergadering zal worden vastgesteld. Bij aanvang van deze Overeenkomst spreken Partijen af dat deze rapportage bestaat uit een maandelijks debiteuren/crediteuren/onderhandenwerkoverzicht, alsmede per kwartaal een balans van de activiteiten van [handelsnaam] .
[…]

6.Geheimhouding

Partijen zijn verplicht, zowel gedurende de looptijd van deze Overeenkomst als ook na beëindiging van deze Overeenkomst, strikte geheimhouding te betrachten omtrent alle aangelegenheden van [gedaagde partij] en aan haar gelieerde ondernemingen, waarvan het vertrouwelijk karakter verondersteld mag worden bij hen bekend te zijn, alsmede omtrent het bestaan en de inhoud van deze Overeenkomst.
3.6.
Op verschillende momenten heeft [gedaagde partij 1] aan [persoon A] gevraagd naar de financiële resultaten van [gedaagde partij] , dit met het oog op een mogelijke dividenduitkering. Vanaf begin 2025 is het contact hierover verscherpt. Een dividenduitkering is tot nu toe nog niet gedaan.
3.7.
Op 18 juli 2025 heeft [gedaagde partij 1] namens [gedaagde partij] twee offertes gestuurd aan Nexperia, een klant van [gedaagde partij] , voor het verlengen/vernieuwen (
renewal) van een contract. Een
werknemer van Nexperia heeft vervolgens aan [gedaagde partij] het volgende geschreven per Whatsappbericht:
still in progress, [naam] ask for some discount, and [gedaagde partij 1] metioned we can have must better discount if we can switch to his another company, but with 5 years contract, not sure if it is workable or not, so I am pushing [naam] to settle this with [gedaagde partij 1] soon.
3.8.
Op 22 augustus 2025 heeft [gedaagde partij 1] twee offertes gestuurd aan NXP Semiconductors (hierna: NXP), voor het verlengen/vernieuwen (
renewal) van een jaarcontract dat NXP met [gedaagde partij] had afgesloten. Die offertes zijn uit naam van [gedaagde partij 5] verstuurd. Bij de offertes zitten uitgebreide specificaties.
3.9.
Op 9 september 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] doen dagvaarden in een bodemprocedure bij deze rechtbank. In de dagvaarding vordert [eisende partij] nietigverklaring dan wel vernietiging van de jaarrekeningen van [gedaagde partij] over de jaren 2022 tot en met 2024.
3.10.
Op 16 september 2025 heeft [gedaagde partij 1] de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2025. Als reden daarvoor noemt hij dat het voor hem niet langer mogelijk is om de samenwerking voort te zetten. Hij schrijft verder onder meer:
Ondanks mijn herhaalde verzoeken stel je mij bovendien niet in staat om de administratie in te kunnen zien van de vennootschap, zodat ik de verantwoording van de overeengekomen winstdelingsregeling kan controleren. Daarvoor is alle aanleiding gelet op de reële vermoedens die er zijn dat jij [gedaagde partij] B.V. op onbehoorlijke wijze hebt bestuurd, althans dat je actief handelingen hebt verricht in jouw eigen belang, die voor mij nadelig zijn gelet op de winstdelingsregeling én die niet in het belang zijn van de vennootschap.
3.11.
Op 30 september 2025 heeft Nlyte Software Limited (hierna: Nlyte) brieven gestuurd aan [gedaagde partij] en [eisende partij 2] om de lopende samenwerkingsovereenkomsten op te zeggen. Tijdens een telefoongesprek van 3 oktober 2025 met [persoon A] heeft een medewerker van Nlyte – kort gezegd – aangegeven dat Nlyte de samenwerking via [gedaagde partij 1] zou gaan voortzetten omdat hij de afgelopen elf jaren met Nlyte had samengewerkt en alle projecten had gedaan.
3.12.
Op 10 oktober 2025 stuurde een medewerker van VodafoneZiggo, een klant van [gedaagde partij] , het volgende e-mailbericht aan [gedaagde partij] :
Dank voor je bericht, voor zover ik van [gedaagde partij 1] heb begrepen zijn de TSU(s) waar VodafoneZiggo gebruik van maakt geen onderdeel meer van [handelsnaam] (deze zijn overgenomen door de nieuwe organisatie van [gedaagde partij 1] ) of …

4.Het geschil

Zaak I
4.1.
[eisende partij] vordert, na haar eis bij akte te hebben vermeerderd en tijdens de mondelinge behandeling te hebben verminderd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. te bepalen dat [eisende partij] recht heeft op een afschrift van, dan wel op inzage in [de voorzieningenrechter begrijpt: [gedaagde partij] te veroordelen tot afgifte van een afschrift aan [eisende partij] dan wel het door [eisende partij] laten inzien van]:
a. de jaarrekeningen 2021, 2022, 2023 en 2024 van [gedaagde partij] ;
b. [ingetrokken];
c. de bankmutaties van [gedaagde partij] van 1 januari 2021 tot datum vonniswijziging;
d. de grootboekadministratie en zo nodig de onderliggende boekingsstukken van [gedaagde partij] voor de boekjaren 2021, 2022, 2023 en 2024;
met betrekking tot sub c en d, te bepalen dat het recht op inzage is beperkt tot de in de administratie van [gedaagde partij] verantwoorde overige bedrijfskosten, zoals genoemd in de jaarrekeningen van voormelde boekjaren;
te bevelen dat [gedaagde partij] gehouden is om:
a. met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 ieder kwartaal informatie te verschaffen aan [eisende partij] over de financiële stand van [gedaagde partij] , w.o. bestaande uit een balans van [gedaagde partij] , en
b. met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 maandelijks een
debiteuren-, crediteuren- en onderhandenwerkoverzicht te verstrekken, en
c. dat [gedaagde partij] wordt bevolen om [eisende partij] op voorhand te kennen in belangrijke besluiten die impact hebben op de financiële belangen en rechtspositie van [eisende partij] ;
te bepalen dat [gedaagde partij] de onder i genoemde bescheiden binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de advocaat van [eisende partij] dient te (laten) verstrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 250.000 en groot € 10.000 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, waarbij een deel van een dag wordt gerekend als een gehele dag, zulks met een maximum van € 1.000.000;
te bepalen dat [gedaagde partij] de onder ii genoemde met terugwerkende kracht reeds verschuldigde kwartaalinformatie binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de advocaat van [eisende partij] dient te (laten) verstrekken en de per maand en kwartaal te verstrekken informatie binnen 14 dagen na afloop van iedere maand respectievelijk kwartaal, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 250.000 en groot € 10.000 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, waarbij een deel van een dag wordt gerekend als een gehele dag, zulks met een maximum van € 1.000.000;
te bepalen dat het [gedaagde partij] is verboden om geldleningsovereenkomsten, en daarmee vergelijkbare rechtshandelingen, te sluiten en feitelijke handelingen te verrichten die ertoe strekken gelden (al dan niet tegen een rentevergoeding) ter beschikking te stellen aan [persoon A] en aan hem gelieerde natuurlijke en/of rechtspersonen voor de duur van twaalf maanden te rekenen vanaf het moment van het wijzen van vonnis in de onderhavige procedure, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom groot € 500.000 en groot € 10.000 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, waarbij een deel van een dag wordt gerekend als een gehele dag, zulks met een maximum van € 1.000.000;
[gedaagde partij] te veroordelen om aan [eisende partij] te betalen de managementvergoeding over de maand september ten bedrage van € 21.175,00 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
[gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Zaak II
4.3.
[eisende partij] en [eisende partij 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden ieder, hoofdelijk, te veroordelen dan wel te bevelen:
I. dat het gedaagden voor de duur van 2 jaar, althans voor de duur van een in goede justitie te bepalen termijn, na het in dit geding te wijzen vonnis wordt verboden om contact te hebben en/of contracten aan te gaan met de zakelijke relaties van eisers als vermeld onder 2.4 van de dagvaarding en/of hen te bedienen en/of voor hen, direct of indirect, op enigerlei wijze IT-werkzaamheden en/of diensten te verrichten, en/of IT-oplossingen aan te bieden, en/of (software)producten aan hen te leveren en/of van hen geleverd te krijgen, dan wel daartoe voor anderen te bemiddelen;
II. om het doen van negatieve en/of onjuiste uitlatingen over eisers, [persoon A] of andere leden van het management en/of medewerkers van eisers, de (eerdere) samenwerking tussen partijen en/of het volgens gedaagden bestaande conflict, te staken en gestaakt te houden;
III. om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis (i) een volledige overdrachtsnotitie op te stellen en aan eisers te verstrekken van alle lopende projecten, klanten en interne zaken, (ii) alle documenten, contracten, digitale toegangen, wachtwoorden, inloggegevens en administratie van [gedaagde partij] compleet en geordend aan eisers over te dragen, en (iii) aan eisers een actuele lijst aan stamgegevens (met contactgegevens (e-mail en telefoon)) te verstrekken van alle klanten, leveranciers en relaties van eisers en met hen gelieerde vennootschappen waarmee de afgelopen 10 jaar contacten zijn onderhouden;
IV. vorderingen I, II en II [de voorzieningenrechter begrijpt: III] op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500.000 per overtreding, vermeerderd met € 10.000 per (deel van een) dag, dat (een of meer) gedaagden geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven te voldoen aan ieder van de onder I tot en met III genoemde veroordelingen dan wel bevelen, althans op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom;
V. om de proceskosten te betalen aan eisers, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met veroordeling van eisers in de proceskosten.

5.De beoordeling

5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd om, gezien de samenhang tussen zaak I en zaak II, de producties die in de ene zaak zijn overgelegd ook als overgelegd in de andere zaak te beschouwen en andersom. Voor de beoordeling in beide zaken is dan ook geen onderscheid gemaakt naar de zaak waarin een productie is overgelegd. Dit geldt ook voor de over en weer ingenomen standpunten. De beoordelingen in beide zaken zullen hierna separaat aan de orde komen.
Zaak I
Achtergrond
5.2.
[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde partij 1] en [persoon A] een winstdelingsregeling zijn overeengekomen die er kort gezegd op neerkomt dat [eisende partij] in haar hoedanigheid van aandeelhouder van [gedaagde partij] recht heeft op 50% van het bedrijfsresultaat na belastingen (de winst) van [gedaagde partij] . Het bestaan van deze regeling wordt volgens [eisende partij] bevestigd door een overzicht van het saldo van de winstdelingsregeling tot en met 2022, opgesteld door de financieel adviseur van [persoon A] . Daarin staat een saldo vermeld van € 1.461.041.
5.3.
[gedaagde partij] betwist dat de door [eisende partij] gestelde winstdelingsregeling is overeengekomen. Zij voert aan dat [gedaagde partij 1] en [persoon A] (slechts) zijn overeengekomen dat, zodra er ruimte zou zijn voor een besluit tot dividenduitkering, [eisende partij] 50% van het op basis van dat besluit uit te keren dividend zou ontvangen in plaats van 28% conform zijn aandelenbelang in [gedaagde partij] . De cijfers in het overzicht van het saldo waar [eisende partij] op wijst zijn bovendien niet volledig. Aangezien het eigen vermogen van [gedaagde partij] tot en met 2023 negatief is geweest, heeft [gedaagde partij] tot op heden geen winst en/of dividend uitgekeerd, dus ook niet aan [eisende partij] .
5.4.
[eisende partij] wenst haar aanspraken uit hoofde van de winstdelingsregeling vast te stellen dan wel te controleren met de onderhavige inzagevordering. Zij vermoedt dat [gedaagde partij] ten onrechte bepaalde kosten opvoert om de winst te drukken teneinde winstuitkeringen aan [eisende partij] te dwarsbomen. [gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] recht heeft op inzage en daarbij spoedeisend belang heeft en heeft in dat kader verschillende verweren gevoerd.
Ontvankelijkheid
5.5.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat een inzagevordering niet in een zelfstandig kort geding kan worden gedaan als inmiddels een bodemzaak loopt. Dat strookt volgens [gedaagde partij] met de gedachte van de wetgever dat bewijsverrichtingen moeten lopen via de rechter die met de bodemzaak is belast; een voorlopige bewijsverrichting mag die lopende procedure niet doorkruisen. Tussen partijen loopt een hoofdzaak die aanhangig is vanaf 9 september 2025. Volgens [gedaagde partij] moet [eisende partij] haar inzagevordering dan ook in die bodemprocedure instellen en is zij in dit kort geding niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
5.6.
Per 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Uitgangspunt van die wet is dat verzoeken tot het treffen van voorlopige bewijsverrichtingen niet meer mogelijk zijn als eenmaal de bodemprocedure loopt (artikel 196 lid 1 Rv Pro). De wet biedt echter geen duidelijkheid over de vraag of dit ook betekent dat een inzagevordering niet meer in kort geding kan worden gedaan tijdens een lopende bodemprocedure. De wetsgeschiedenis dwingt niet tot die (door [gedaagde partij] bepleite) interpretatie. Daarin is toegelicht dat de inzagevordering in kort geding juist los staat van de procedure onder het nieuwe bewijsrecht waarin de verschillende voorlopige bewijsverrichtingen zijn samengevoegd tot één verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen, terwijl daarin ook naar voren komt dat de wetgever geen breuk met de gangbare praktijk onder het oude bewijsrecht heeft beoogd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat de door [gedaagde partij] bepleite opvatting kan meebrengen dat het voor een partij met een spoedeisend belang bij inzage in praktische zin lastig wordt om daarover op korte termijn een oordeel te krijgen. Een beoordeling van een inzagevordering, inclusief mondelinge behandeling, zal in een bodemprocedure immers veelal niet op korte termijn te realiseren zijn. Een kort geding is dan de geëigende weg.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanhangige bodemprocedure niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van [eisende partij] in haar vordering tot inzage in dit kort geding.
Spoedeisend belang
5.8.
[eisende partij] heeft gesteld dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij door het achterhouden van de gewenste informatie wordt benadeeld in haar financiële en procesrechtelijke positie. De verhouding tussen partijen is inmiddels verslechterd. Dat heeft ertoe geleid dat [gedaagde partij] en [persoon A] vorderingen op [eisende partij] opeisen, terwijl [gedaagde partij] anderzijds weigert openheid van zaken te geven over mogelijke vorderingen van [eisende partij] op grond van de winstdelingsregeling. In dat verband kan niet van [eisende partij] worden gevergd eerst een bodemprocedure te doorlopen. Hiermee heeft [eisende partij] het vereiste spoedeisend belang voldoende onderbouwd. Of de vordering ook inhoudelijk toewijsbaar is, wordt hierna beoordeeld.
[eisende partij] beschikt al over een deel van de stukken
5.9.
[eisende partij] vordert onder meer inzage in de jaarrekeningen van [gedaagde partij] over de jaren 2021 tot en met 2024. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat [eisende partij] al over de jaarrekeningen beschikt. Zij heeft deze stelling geïllustreerd door te verwijzen naar de in 3.9 bedoelde dagvaarding in de bodemprocedure. Bij die dagvaarding heeft [eisende partij] de jaarrekeningen over 2022, 2023 en 2024 overgelegd. Die producties zijn niet in dit kort geding overgelegd, maar de drie jaarrekeningen worden wel vermeld in de bij de dagvaarding behorende lijst van producties. [eisende partij] heeft deze stelling van [gedaagde partij] niet betwist.
5.10.
De voorzieningenrechter neemt daarom als vaststaand aan dat [eisende partij] al over de gevraagde jaarrekeningen beschikt. Dat geldt ook voor de jaarrekening over 2021, nu [gedaagde partij] gesteld heeft dat [eisende partij] die al heeft en [eisende partij] (ook) dat niet heeft betwist. Gelet hierop valt niet in te zien welk belang [eisende partij] heeft bij een veroordeling van [gedaagde partij] om de jaarrekeningen (nogmaals) te verstrekken. De vordering wordt in zoverre afgewezen. Voor zover de inzagevordering ziet op de gegevens genoemd onder c en d overweegt de voorzieningenrechter verder het volgende.
Het inzagerecht
5.11.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Voor toewijzing van de inzagevordering van [eisende partij] dient aldus voldaan te zijn aan vier vereisten:
  • [eisende partij] moet partij zijn bij een rechtsbetrekking (waar de verlangde informatie op ziet);
  • de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn;
  • [eisende partij] moet voldoende belang hebben bij de inzage; en
  • [gedaagde partij] moet over de verlangde informatie beschikken.
Als aan deze vereisten is voldaan, is [gedaagde partij] verplicht inzage of afschrift van de verzochte gegevens te verstrekken, tenzij haar een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten (artikel 194 lid 2 Rv Pro).
Vereiste 1: Rechtsbetrekking
5.12.
In het kader van de vereiste rechtsbetrekking heeft [eisende partij] aangevoerd dat zij (minderheids)aandeelhouder is in [gedaagde partij] , dat partijen een winstdelingsregeling zijn overeengekomen en dat er sterke aanwijzingen bestaan dat [persoon A] / [gedaagde partij] onrechtmatig handelt jegens [eisende partij] . Dat onrechtmatig handelen bestaat volgens [eisende partij] uit het ten onrechte opvoeren van bepaalde kosten om de winst te drukken teneinde winstuitkeringen op grond van de winstdelingsregeling aan [eisende partij] te dwarsbomen.
5.13.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat een minderheidsaandeelhouder geen automatisch recht heeft op ruime inzage. In die hoedanigheid had [eisende partij] een verzoek om informatie op een algemene vergadering van aandeelhouders moeten doen, hetgeen zij heeft nagelaten. Zij heeft [gedaagde partij] ook niet verzocht om een algemene vergadering te houden. Ook voert [gedaagde partij] aan dat de gegevens waarvan inzage gevorderd wordt niet relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarop [eisende partij] zich beroept.
5.14.
De gestelde winstdelingsregeling en onrechtmatige daad vormen rechtsbetrekkingen waarmee aan het eerste vereiste van artikel 194 Rv Pro wordt voldaan. De verlangde informatie heeft betrekking op het kunnen aantonen en staven van de gestelde onrechtmatige daad, die samenhangt met de gestelde winstdelingsregeling. In dit kader is relevant dat het bestaan van een rechtsbetrekking nog niet in rechte hoeft vast te staan. De inzet van een inzagevordering kan immers ook bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat, zoals in dit geval een onrechtmatige daad. Gelet hierop is niet van belang dat [eisende partij] wellicht ook via de band van een algemene vergadering van aandeelhouders om de gevraagde informatie had kunnen vragen, nog daargelaten dat die vergaderingen ten onrechte nooit door de bestuurder van [gedaagde partij] ( [persoon A] ) zijn uitgeroepen.
Vereiste 2: Bepaalde bescheiden
5.15.
In de vordering van [eisende partij] onder i. is duidelijk omschreven om welke gegevens het gaat. De verlangde informatie is daarmee voldoende bepaald, zeker nadat [eisende partij] haar eis heeft verminderd. Met die eisvermindering is immers de beperking tot “de overige bedrijfskosten, zoals genoemd in de jaarrekeningen van voormelde boekjaren” toegevoegd met betrekking tot de gevorderde inzage in de gegevens sub c en sub d. De omvang van de gevorderde informatie is daarmee nader ingekaderd waardoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen onduidelijkheid bestaat over de vraag welke gegevens vallen onder de gevorderde inzage.
Vereiste 3: Voldoende belang
5.16.
Volgens [eisende partij] wordt haar aanspraak op dividend kunstmatig weggedrukt door het ongegrond in de boeken opbrengen van allerlei kosten die worden gemaakt ten behoeve van aan [persoon A] dan wel [gedaagde partij] gelieerde vennootschappen. Als dat klopt, en uitgaande van het bestaan van de winstdelingsregeling zoals door [eisende partij] gesteld, dan zou [persoon A] dan wel [gedaagde partij] daarmee de positie van [eisende partij] benadelen. [eisende partij] wil de gang van zaken kunnen controleren. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende belang in de zin van artikel 194 Rv Pro.
Vereiste 4: [gedaagde partij] beschikt over de informatie
5.17.
Dat [gedaagde partij] over de gegevens beschikt waarvan inzage dan wel afschrift wordt gevorderd, staat tussen partijen niet ter discussie.
Gewichtige redenen en belangenafweging
5.18.
Aan de vier vereisten voor het recht op inzage is voldaan. De vordering van [eisende partij] ligt in zoverre voor toewijzing gereed. [gedaagde partij] heeft echter met een beroep op artikel 194 lid 2 sub b Rv Pro aangevoerd dat gewichtige redenen in de weg staan aan toewijzing van de vordering van [eisende partij] . Volgens [gedaagde partij] gaat het om vertrouwelijke gegevens en heeft [gedaagde partij 1] in voorbereiding op de beëindiging van de samenwerking tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] relaties van [gedaagde partij] benaderd in de hoop die relaties mee te nemen naar zijn eigen onderneming. [gedaagde partij] vreest daarom dat [eisende partij] de concurrentiegevoelige informatie in de gegevens waarvan zij inzage vordert zal gebruiken om haar verder te beconcurreren.
5.19.
De voorzieningenrechter overweegt dat [eisende partij] door haar eis te verminderen een deel van het bezwaar van [gedaagde partij] zal hebben weggenomen. Met die eisvermindering is de omvang van de inzagevordering voor zover die ziet op bankmutaties en grootboekadministratie immers beperkt tot de post “overige bedrijfskosten”. Niet zonder meer aannemelijk is echter dat met deze eisvermindering het zwaarwegende belang van [gedaagde partij] bij bescherming van vertrouwelijke gegevens is gewaarborgd. [gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de post “overige bedrijfskosten” ook concurrentiegevoelige informatie bevat, waaronder informatie over representatiekosten. Dit komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor.
5.20.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het beroep van [gedaagde partij] op gewichtige redenen en staan die gewichtige redenen, in elk geval op dit moment, aan inzage in de gevraagde gegevens in de weg. Van wezenlijk belang daarvoor is dat, zoals uit de beoordeling in zaak II volgt, aannemelijk is dat [eisende partij] , althans haar bestuurder [gedaagde partij 1] , zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie van [gedaagde partij] . Die onrechtmatige concurrentie heeft zich gemanifesteerd in dezelfde periode als waarin [eisende partij] deze inzagevordering heeft ingesteld. De situatie is dus zo dat enerzijds moet worden aangenomen dat (onder anderen) [gedaagde partij 1] op onrechtmatige wijze [gedaagde partij] beconcurreert, terwijl [eisende partij] anderzijds inzage van [gedaagde partij] verlangt van gegevens die mede bruikbaar kunnen zijn voor die onrechtmatige concurrentie. In die situatie is [gedaagde partij] naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht bevreesd om [eisende partij] dergelijke informatie te verstrekken. Die gegronde vrees wordt niet volledig weggenomen door het enkele feit dat in zaak II een voorziening wordt getroffen die ertoe strekt aan die onrechtmatige concurrentie een einde te maken. Die voorziening is immers geen garantie dat ( [gedaagde partij 1] via) [eisende partij] de door [gedaagde partij] te verstrekken informatie niet alsnog gebruikt om [gedaagde partij] onrechtmatig te beconcurreren. Hierbij speelt mee dat eenmaal verstrekte informatie niet ongedaan gemaakt kan worden.
5.21.
Mogelijk zou over het voorgaande anders geoordeeld moeten worden als sprake is van klemmende omstandigheden aan de kant van [eisende partij] om op korte termijn over de gevraagde informatie te beschikken. Daarvan is echter niet gebleken. Anders dan [eisende partij] heeft gesteld, valt niet in te zien waarom [eisende partij] in de lopende bodemprocedure over de jaarrekeningen niet mede de informatieverplichting van [gedaagde partij] zou kunnen betrekken. Ook een procedure bij de Ondernemingskamer behoort in beginsel tot de mogelijkheden. Een afweging van de wederzijdse belangen brengt dus enerzijds mee dat het voor [gedaagde partij] zeer bezwaarlijk is om op korte termijn de gevraagde informatie te verstrekken, terwijl het gerechtvaardigde belang van [eisende partij] niet zodanig klemmend is dat enig uitstel redelijkerwijs niet van haar gevergd zou kunnen worden. De vorderingen i sub c en d worden op basis van deze afweging afgewezen.
Vorderingen ii en v
5.22.
[eisende partij] vordert verder dat [gedaagde partij] informatie moet (blijven) verschaffen aan [eisende partij] over de financiële stand van [gedaagde partij] alsmede diverse overzichten moet (blijven) verstrekken (vordering ii sub a en b). Zij voert daartoe geen specifieke grondslag aan maar doet wel een beroep op artikel 2:8 BW Pro en zij verwijst in haar processtukken naar artikel 4.1 van de aandeelhoudersovereenkomst.
5.23.
In artikel 4.1 van de aandeelhoudersovereenkomst is bepaald dat [gedaagde partij] ten behoeve van de algemene vergadering periodieke rapportages opstelt, waaronder een maandelijks debiteuren/crediteuren/onderhandenwerk-overzicht en per kwartaal een balans. Op basis van deze bepaling, in verbinding met hetgeen voortvloeit uit artikel 2:8 BW Pro, is op zichzelf aannemelijk dat [eisende partij] aanspraak kan maken op de gevorderde periodieke informatievoorziening. Een belangenafweging leidt echter tot afwijzing van de vordering. Daarvoor zijn dezelfde omstandigheden bepalend die hierboven ook hebben geleid tot het aannemen van zwaarwichtige redenen om geen inzage te verstrekken. Het gerechtvaardigd belang van [gedaagde partij] om gevrijwaard te blijven van onrechtmatige concurrentie brengt mee dat zij niet in kort geding behoort te worden gedwongen om periodiek informatie te verstrekken waar (onder anderen) [eisende partij] haar voordeel mee kan doen.
5.24.
Hiermee is niet gezegd dat [eisende partij] geen recht op informatie heeft. Zij kan die informatie verkrijgen binnen het geëigende kader van de algemene vergadering van aandeelhouders. De gevraagde informatie ziet op het lopende jaar en zal dus aan de orde kunnen komen bij gelegenheid van de vaststelling van de jaarrekening over 2025.
5.25.
De vorderingen ii sub c en v delen hetzelfde lot. Deze vorderingen, die er kort gezegd toe strekken dat [eisende partij] op voorhand in de besluitvorming moet worden gekend respectievelijk dat [gedaagde partij] bepaalde geldleningsovereenkomsten niet meer kan sluiten, komen er feitelijk op neer dat het bestuur van [gedaagde partij] in ernstige mate in zijn bestuursbevoegdheid wordt beknot en dat de macht van [eisende partij] aanzienlijk wordt vergroot zonder dat daarvoor een grondslag bestaat in een aandeelhouders- of bestuursbesluit. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging. Als [eisende partij] meent dat het bestuur van [gedaagde partij] zich schuldig maakt aan wanbeleid, dan zijn er geëigende middelen om dat aan de orde te stellen, bijvoorbeeld door middel van een procedure bij de Ondernemingskamer. Ook deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
Managementvergoeding
5.26.
[eisende partij] vordert ten slotte een vergoeding voor haar werkzaamheden onder de managementovereenkomst over de maand september 2025 ten bedrage van € 21.175 inclusief btw (€ 17.500 exclusief btw). Zij stelt daarbij een spoedeisend belang te hebben omdat [gedaagde partij 1] de vergoeding nodig heeft om in zijn dagelijkse levensonderhoud te voorzien.
5.27.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
5.28.
Tussen partijen staat vast dat de managementvergoeding in september 2025 € 21.175 inclusief btw bedroeg, dat [gedaagde partij] die vergoeding niet aan [eisende partij] heeft betaald en dat de managementovereenkomst pas na die maand (al dan niet rechtsgeldig) is beëindigd. In beginsel heeft [eisende partij] dan ook aanspraak op betaling van die vergoeding. Daarnaast acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat [gedaagde partij 1] de vergoeding nodig heeft voor zijn levensonderhoud, waardoor hij een spoedeisend belang heeft bij die betaling.
5.29.
Daar staat echter tegenover dat de voorzieningenrechter ook aannemelijk acht dat [gedaagde partij] een tegenvordering heeft op [eisende partij] , te meer daar de accountant van [eisende partij] zelf heeft verklaard dat in de jaarrekening van [eisende partij] over 2022 € 185.480 als schuld aan [gedaagde partij] is opgenomen en in de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde partij 1] een schuld aan [gedaagde partij] van € 135.000. Die vordering(en) kan [gedaagde partij] mogelijk verrekenen met de managementvergoeding die [eisende partij] toekomt. Gelet hierop lijkt het aannemelijk dat [gedaagde partij] zich op goede grond op opschorting heeft beroepen voor wat betreft de verplichting tot betaling van de managementvergoeding. Per saldo betekent dit dat de vordering van [eisende partij] onvoldoende hard is om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Bovendien is van belang dat, juist omdat [gedaagde partij 1] die vergoeding nodig heeft voor zijn levensonderhoud, het restitutierisico voor [gedaagde partij] logischerwijs erg groot is. Ook deze vordering van [eisende partij] zal dus worden afgewezen.
Proceskosten
5.30.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
  • griffierecht € 714,00
  • salaris advocaat € 1.107,00
  • nakosten
Totaal € 1.999,00
5.31.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Zaak II
Onrechtmatige concurrentie
5.32.
Eisers ( [eisende partij] en [eisende partij 2] ) leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat gedaagden ( [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] , [gedaagde partij 3] , [gedaagde partij 4] en [gedaagde partij 5] ) op brede schaal relaties (zowel klanten als leveranciers) van eisers benaderen, waarbij gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke informatie van eisers. Zij stellen zich aldus op het standpunt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie.
5.33.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen geen relatie-, concurrentie- of anti-ronselbedingen zijn overeengekomen. Het staat gedaagden daarom in beginsel vrij om eisers te beconcurreren, ook wanneer eisers daarvan nadeel ondervinden. Bijkomende omstandigheden kunnen wel tot onrechtmatigheid leiden. Zo speelt, specifiek in de verhouding tussen [eisende partij] en [gedaagde partij 2] , onder meer een rol dat zowel in de aandeelhoudersovereenkomst als in de managementovereenkomst een geheimhoudingsbeding is opgenomen. Volgens vaste rechtspraak geldt voor ex-werknemers dat sprake is van onrechtmatige concurrentie wanneer voldaan is aan drie vereisten, namelijk 1) het stelselmatig en substantieel afbreken van 2) het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever 3) met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen. De vraag of het benaderen van relaties onrechtmatig is in voornoemde zin, hangt onder meer af van de wijze waarop en de mate waarin dat plaatsvindt. De genoemde drie vereisten zijn ook van toepassing wanneer sprake is van voormalige zakenpartners.
5.34.
Eisers hebben aan de hand van overgelegde correspondentie onderbouwd gesteld dat en op welke wijze [gedaagde partij 1] tijdens de looptijd van de managementovereenkomst actief heeft gepoogd relaties van [eisende partij] over te laten stappen van [eisende partij] naar zijn eigen bedrijf. Daarbij heeft hij volgens eisers gebruik gemaakt van kennis uit de managementovereenkomst, zoals informatie over het einde van lopende contracten, marges en prijzen. [eisende partij] heeft aan de hand van voorbeelden beschreven wat daarbij de handelwijze was. De door eisers gegeven onderbouwing vat de voorzieningenrechter als volgt samen:
  • uit het bij 3.6 geciteerde Whatsapp-bericht blijkt dat [gedaagde partij 1] , terwijl hij werkzaam was voor [eisende partij] , tegen Nexperia, een klant van [eisende partij] , heeft gezegd dat zij een korting kon krijgen als zij zou overstappen naar een 5-jarig contract bij zijn eigen vennootschap;
  • [gedaagde partij 1] wist vanwege zijn werkzaamheden voor [eisende partij] op welk moment een
  • in een gesprek met een medewerker van [eisende partij] heeft de verantwoordelijke manager van NXP gezegd dat hij ervan baalt dat hij door [gedaagde partij 1] “op het verkeerde been was gezet” en dat hij van [gedaagde partij 1] had begrepen dat de bedrijven werden gesplitst en dat het contract daarom via “het nieuwe bedrijf” zou gaan;
  • klanten van [eisende partij] die gebruik maken van producten van Nlyte krijgen een flyer van gedaagden waarop de onderneming van [gedaagde partij 1] wordt genoemd als officiële reseller van dergelijke producten;
  • uit het bij 3.12 geciteerde bericht van VodafoneZiggo, ook klant van [eisende partij] , volgt dat zij “van [gedaagde partij 1] ” heeft begrepen dat zijn vennootschap een deel van de werkzaamheden van [eisende partij] heeft overgenomen;
  • Nlyte heeft de samenwerking met [eisende partij] opgezegd op dezelfde dag waartegen [gedaagde partij 1] de managementovereenkomst heeft beëindigd, waarbij Nlyte heeft aangegeven de samenwerking via [gedaagde partij 1] voort te zetten;
  • na de opzegging van de managementovereenkomst heeft [gedaagde partij 1] aan eisers laten weten dat onder andere het contract met NXP aan een renewal toe was en dat een “quote” van [eisende partij] aan NXP dus nog gemaakt moest worden, waarbij hij heeft verzwegen dat hij toen al op naam van [gedaagde partij 5] een offerte aan NXP had gestuurd waarvoor zelfs al een purchase order was verstrekt.
5.35.
Deze stellingen, die ieder voor zich zijn onderbouwd met mails, whatsappberichten en schriftelijke verklaringen, rechtvaardigen in onderlinge samenhang in beginsel het oordeel dat [gedaagde partij 1] stelselmatig en structureel heeft geprobeerd om bestaande klanten en relaties van eisers weg te lokken om deze voortaan zelf te bedienen. Het ligt alleszins in de rede dat hij hierbij gebruik heeft gemaakt van de kennis die hij tijdens zijn samenwerking met [eisende partij] heeft opgedaan, omdat hij dankzij die kennis aanbiedingen kon doen die scherper waren dan de voorwaarden die voor de betreffende klant golden bij [eisende partij] . [gedaagde partij 1] heeft dit alles gedaan in een periode dat hij via [gedaagde partij 2] nog verbonden was aan [eisende partij] en dus in die verhouding verplicht was zich als goed opdrachtnemer te gedragen. Bij dit alles komt dan nog dat [gedaagde partij 2] vervolgens de managementovereenkomst met [eisende partij] op een veel te korte termijn heeft opgezegd.
5.36.
De reactie hierop van gedaagden schiet te kort. Zij hebben erop gewezen dat het logisch is dat [gedaagde partij 1] , toen de verhouding met [persoon A] begon te verslechteren, zich heeft voorbereid op een voortzetting van zijn carrière los van [eisende partij] , maar binnen de IT-branche. Dat is misschien wel logisch en daartegen verzet zich op zichzelf ook geen enkele rechtsregel, maar gedaagden miskennen met dit verweer dat die voorbereiding niet de vorm mocht krijgen die daaraan is gegeven. De kaarten zouden heel anders hebben gelegen als [gedaagde partij 1] het had gelaten bij een aankondiging dat hij gaat stoppen met zijn werk bij [eisende partij] en verder gaat met zijn eigen bedrijf. Uit de stellingen van eisers volgt dat hij veel verder is gegaan dan dat. Ook de stelling van gedaagden dat het klanten van [eisende partij] vrij staat om zaken te doen met wie zij willen, bagatelliseert ten onrechte de eigen actieve rol die gedaagden bij dit alles hebben gespeeld. Toen [gedaagde partij 1] tijdens de mondelinge behandeling met de door eisers aangehaalde berichten en verklaringen werd geconfronteerd, kwam daarvoor geen goede verklaring. Met name is zonder verklaring gebleven dat verschillende contactpersonen van klanten van [eisende partij] spreken over een overname door het bedrijf van [gedaagde partij 1] van een deel van de werkzaamheden van [eisende partij] . Het lijkt in hoge mate onaannemelijk dat die contactpersonen dit zelf hebben verzonnen. Het verweer dat [gedaagde partij 1] zich onder druk gezet voelde door het handelen van [eisende partij] in verband met zijn aanspraak op grond van de winstdelingsregeling rechtvaardigt zijn handelen niet. Om die aanspraak te gelde te maken had hij andere routes moeten bewandelen.
5.37.
Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat aannemelijk is dat [gedaagde partij 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] door haar onrechtmatig te beconcurreren.
5.38.
Eisers hebben aangevoerd dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 4] en de aan hen verbonden vennootschappen [gedaagde partij 2] , [gedaagde partij 3] en [gedaagde partij 5] samenwerken om de onrechtmatige concurrentie van [gedaagde partij 1] mogelijk te maken. Die samenwerking kan ook worden afgeleid uit het feit dat [gedaagde partij 1] offertes heeft verzonden uit naam van de recentelijk opgerichte vennootschap van [gedaagde partij 4] , [gedaagde partij 5] . Gedaagden hebben die samenwerking onvoldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de in het kader van de onrechtmatige concurrentie op te leggen voorlopige voorziening dan ook niet alleen [gedaagde partij 1] maar alle gedaagden te betreffen om te voorkomen dat één van gedaagden daarmee in strijd zou kunnen (blijven) handelen.
De vorderingen
5.39.
De onrechtmatige concurrentie rechtvaardigt in beginsel een voorziening die ertoe strekt dat het gedaagden wordt verboden om bestaande relaties van eisers actief te benaderen met de bedoeling hen te bewegen om over te stappen van [eisende partij] naar (één van) hen. Wat eisers hebben gevorderd onder I gaat echter veel verder dan dat. Toewijzing van die vordering zou de contractsvrijheid van bestaande relaties van [eisende partij] te ver inperken en zou strijdig zijn met het uitgangspunt dat het gedaagden in beginsel vrij staat om eisers te beconcurreren. Die vordering wordt dus afgewezen, maar de voorzieningenrechter wijst wel de in die vordering besloten liggende minder verstrekkende voorziening toe zoals nader omschreven onder de beslissing. Daarin wordt ook een beperking van de geldigheidsduur van de voorziening opgenomen. De voorzieningenrechter gaat uit van de lijst van relaties zoals die in 3.4 van dit vonnis is opgenomen. Deze is overgenomen uit de dagvaarding en gedaagden hebben de juistheid daarvan niet betwist. Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter op dat de hieronder vermelde voorziening de rechtsgeldigheid van inmiddels tot stand gekomen overeenkomsten met een relatie van [eisende partij] ongemoeid laat.
5.40.
Vordering II impliceert een vergaande beperking van de vrijheid van meningsuiting. Daar moeten zwaarwegende gronden voor zijn; in deze zaak zijn die niet aan de orde. Er is geen grond om [gedaagde partij 1] bij voorbaat te verbieden om te spreken over het conflict met [eisende partij] en [persoon A] . Vordering II wordt dus afgewezen.
5.41.
Ook vordering III, strekkende tot het opstellen van een overdrachtsnotitie en het verstrekken van gedetailleerde informatie, zal worden afgewezen. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij niet aan deze vordering kunnen voldoen omdat [gedaagde partij 1] inmiddels niet meer werkzaam is bij [eisende partij] en dus geen toegang heeft tot de informatie die nodig is om aan de vordering te voldoen. [eisende partij] heeft dat niet gemotiveerd bestreden.
5.42.
De onder IV gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 100.000 voor iedere overtreding van het op te leggen verbod, met een maximum van € 1.000.000.
Proceskosten
5.43.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in de zaak met zaaknummer C/10/706544 / KG ZA 25-918
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [eisende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eisende partij] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de zaak met zaaknummer C/10/707820 KG ZA 25-997
6.5.
verbiedt gedaagden om de relaties (klanten en leveranciers) van eisers, zoals opgenomen in 3.4 van dit vonnis, voor de duur van twee jaar na datum van dit vonnis telefonisch, schriftelijk of op welke andere wijze dan ook actief te benaderen met de bedoeling hen over te halen om met (één van) gedaagden een overeenkomst te sluiten;
6.6.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, om aan eisers een dwangsom te betalen van € 100.000 voor iedere keer dat één van hen het in 6.5 genoemde verbod overtreedt, tot een gezamenlijk maximum van € 1.000.000 is bereikt;
6.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in beide zaken
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
3533 / 1980