ECLI:NL:RBROT:2025:12672

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
83.158831.23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen verduistering van geldbedragen via onrechtmatige overboekingen

De rechtbank Rotterdam heeft op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die samen met anderen geldbedragen van bedrijf A onrechtmatig heeft toegeëigend. De verdachte werd primair verdacht van medeplegen van verduistering en subsidiair van witwassen. De rechtbank wees een voorwaardelijk verzoek tot het horen van elf getuigen af, omdat het bewijs ook zonder hun verklaringen overtuigend was.

Vaststaat dat medeverdachte 1 als middellijk bestuurder van bedrijf A beschikte over gelden die via facturen en overboekingen aan onderneming X, eigendom van de verdachte en medeverdachten, werden overgemaakt. De verdachte kon als mede-eigenaar van onderneming X als heer en meester over deze gelden beschikken, terwijl deze overboekingen zonder grondslag waren en onrechtmatig werden verricht. WhatsApp-berichten tonen aan dat de verdachten op de hoogte waren van de onrechtmatigheid en de gelden gebruikten voor het uitkopen van stille investeerders.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van verduistering van een contant opgenomen bedrag van €100.000 en van een bedrag van €140.000 afkomstig van een andere onderneming in Zweden, omdat onvoldoende bewijs bestond dat deze gelden toebehoorden aan bedrijf A of B. Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte opzettelijk circa €230.000 heeft verduisterd in nauwe samenwerking met medeverdachten.

De rechtbank achtte het feit ernstig en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen en het lange tijdsverloop sinds het delict. De straf werd vastgesteld op een taakstraf van 180 uur, korter dan de door de officier van justitie geëiste 240 uur. Vervangende hechtenis van 90 dagen is opgelegd voor het geval de taakstraf niet wordt uitgevoerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf voor medeplegen van verduistering van circa €230.000.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 83.158831.23
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1975,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 8 april 2024 en 7 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T. Lucas heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Het verwijt
De verdachte wordt primair verweten dat hij samen met anderen geldbedragen toebehorende aan [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] dan wel [bedrijf B] (hierna: [bedrijf B] ) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, subsidiair wordt hem verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van verduistering. De verdachte heeft zich gelden niet wederrechtelijk toegeëigend, maar deze beschermd tegen valse claims van [bedrijf B] . Het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van het geld ontbrak.
Voor zover de rechtbank niet tot vrijspraak komt, verzoekt de verdediging dat 11 getuigen gehoord zullen worden.
4.1.3.
Beoordeling
Voorwaardelijk verzoek
De rechtbank stelt voorop dat zij niet tot vrijspraak komt. Verzocht is om de boekhouder van [bedrijf A] en de curator als getuige te horen. De bewezenverklaring is echter niet in beslissende mate gebaseerd op de verklaring(en) die deze getuige(n) hebben afgelegd, maar wordt op de belastende onderdelen in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Er is geen noodzaak gebleken om de overige verzochte getuigen te horen. De rechtbank acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht. Het (herhaald) verzoek tot het horen van voornoemde getuigen wordt daarom afgewezen.
Vaststaande feiten
De medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) was middellijk bestuurder van [bedrijf A] . [bedrijf A] verrichtte werkzaamheden in opdracht van één opdrachtgever, [bedrijf B] . Hiertoe was een contract tussen hen gesloten. [bedrijf B] is het officiële visumservicecentrum van Saoedi-Arabië.
[onderneming X] (hierna: [onderneming X] ) is een onderneming gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en eigendom van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ).
In de administratie van [bedrijf A] zijn drie facturen aangetroffen van [onderneming X] aan [bedrijf A] : een factuur gedateerd 10 december 2017 voor een bedrag van € 250.000,-, een factuur gedateerd 27 december 2017 voor een bedrag van € 120.000,- en een factuur gedateerd 6 maart 2018 voor een bedrag van € 100.000,-. Op de facturen is telkens als omschrijving vermeld: ‘IT-services-consultancy’.
Op 30 april 2018 is een bedrag van € 100.000,- contant opgenomen van de bankrekening van [bedrijf A] . Op 4 mei 2018 en 22 juni 2018 is van de bankrekening van [bedrijf A] respectievelijk € 120.000,- en € 250.000,- overgeboekt naar de bankrekening ten name van [onderneming X] .
Oordeel van de rechtbank
Medeverdachte [medeverdachte 1] kon in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder beschikken over de gelden van [bedrijf A] . Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte wetenschap had van de contante opname van € 100.000,- door [medeverdachte 1] en dat hij over dit geldbedrag kon beschikken. De verdachte zal daarom van verduistering van dit bedrag worden vrijgesproken.
Door bedragen van de rekening van [bedrijf A] over te boeken op de rekening van [onderneming X] , kon de verdachte, als mede-eigenaar van [onderneming X] , als heer en meester over deze gelden beschikken. De overboekingen zijn zonder grondslag verricht. De verdachte was op de hoogte van de overboekingen van [bedrijf A] naar [onderneming X] . Uit de berichten die de verdachte en medeverdachten uitwisselden in een whatsappgroep blijkt dat de gelden werden gebruikt om (stille) investeerders uit te kopen. De medeverdachte [medeverdachte 1] stuurde op 2 mei 2018 het volgende bericht in deze whatsappgroep: “
[naam] wil zijn geld snel. Dus we gaan een contract voor hem maken. Deze gaat hij ondertekenen en dan doen we de over overboeking. Factuur van [onderneming X] Dubai naar [bedrijf A] , en daarna wordt dat bedrag vanuit [onderneming X] Dubai naar hem overgeboekt.”De verdachte en zijn medeverdachten wisten ook dat die overboekingen van [bedrijf A] naar [onderneming X] onrechtmatig waren. [medeverdachte 2] heeft in de WhatsApp-groep hierover een vraag gesteld “
Kunnen we niet alles gewoon doen zoals het hoort”,maar zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] en de verdachte zijn uiteindelijk akkoord gegaan met het voorstel van [medeverdachte 1] .
Tot slot volgt uit de berichten in de WhatsApp-groep dat de verdachten op het moment dat de bank in oktober 2018 vragen stelt over de overboekingen van [bedrijf A] naar [onderneming X] , proberen de gelden vanaf de bankrekening van [onderneming X] over te maken naar aandeelhouders om tenslotte, als dat door de bank wordt teruggedraaid, het geld van de bankrekening van [onderneming X] contant op te nemen.
In de overboeking van € 250.000,- is een bedrag van € 140.000,- opgenomen dat afkomstig is van een andere onderneming van de verdachten in Zweden. De rechtbank zal de officier van justitie en de verdediging volgen in hun standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat dit bedrag toehoorde aan [bedrijf A] en/of [bedrijf B] . Van verduistering van dit bedrag van € 140.000,- zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.
4.1.4.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk geldbedragen tot € 230.000,- (€ 120.000,- +/+ € 250.000,- -/- € 140.000,-) heeft verduisterd en dat hij hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij
op
één of meertijdstippen tussen 10 december 2017 en 12 februari 2019
te ’s Gravenhage, Amsterdam en/of eldersin Nederland en/of in de Verenigde Arabische Emiraten
(telkens)tezamen en in vereniging met anderen
of een ander, althans alleen,meermalen,
althans eenmaal,opzettelijk gelden, te weten een totaal bedrag van €
230,
althans een of meerdere geldbedragen, geheel of ten deletoebehorende aan [bedrijf A] en/of [bedrijf B] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte(n),welk
(e
)goed
(eren
)verdachte
(n)in de uitoefening van het bedrijf [bedrijf A]
, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had
(den), wederrechtelijk zich heeft
/hebbentoegeëigend.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De medeverdachte [medeverdachte 1] had met zijn onderneming [bedrijf A] een geschil met zijn opdrachtgever [bedrijf B] . Om gelden buiten het bereik van die opdrachtgever te houden en te reserveren voor de kosten van een eventuele procedure tegen die opdrachtgever, maar ook om te kunnen investeren in een website die de verdachten aan het opzetten zijn, heeft de verdachte samen met zijn medeverdachten forse geldbedragen onttrokken aan [bedrijf A] . Namens de verdachte is ter zitting met verve betoogd dat [bedrijf A] in het geschil met [bedrijf B] juist nog gelden van [bedrijf B] tegoed heeft. Wat daar ook van zij, het handelen van de verdachten is niet de juiste manier om een (zakelijk) geschil op te lossen. Door de gelden over te maken naar een (andere) onderneming van de verdachten heeft de verdachte samen met zijn medeverdachten als heer en meester over die gelden beschikt zonder daartoe gerechtigd te zijn. De verdachte heeft bij dit alles zijn eigen financiële belangen voor ogen gehad.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank weegt mee dat het feit geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden, dat de verdachte sindsdien niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij lang op afdoening van zijn strafzaak heeft moeten wachten. Tot slot is van belang dat de rechtbank een lager verduisterd bedrag bewezen acht dan ten laste is gelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd, namelijk van 180 uren, passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen, 9, 22c, 22d, 47, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf voor de duur van honderdtachtig (180) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
negentig (90) dagen;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. de Veld, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en S.M. den Hollander, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 21 oktober 2025.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
op één of meer tijdstippen tussen 10 december 2017 en 12 februari 2019 te ’s Gravenhage, Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in de Verenigde Arabische Emiraten (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gelden, te weten een totaal bedrag van € 470.000, althans een of meerdere geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf A] en/of [bedrijf B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte(n), welk(e) goed(eren) verdachte(n) in de uitoefening van het bedrijf [bedrijf A]
, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij
op een of meer tijdstippen tussen 30 april 2018 en 29 juni 2022, te ’s Gravenhage en/of Amsterdam en/of Zaandijk en/of elders in Nederland en/of in Saoedi-Arabië en/of in de Verenigde Arabische Emiraten (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) van een of meerdere voorwerpen, te weten:
- EUR 100.000,-- en/of
- EUR 120.000,-- en/of
- EUR 250.000,-- en/of
(totaal EUR 470.000,--), althans een of meerdere geldbedragen
(Sub a)
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en)was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den) en/of
(Sub b)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat deze/dit geldbedrag(en) en/of dit voorwerp c.q. deze voorwerpen, geheel en/of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was c.q. waren uit enig misdrijf.