ECLI:NL:RBROT:2025:12748

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
ROT 25/7442
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening aanvraag zorg Wet langdurige zorg wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) is afgewezen. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om de zorg tijdelijk toe te kennen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang dat niet kan wachten op de beslissing op bezwaar. De huidige zorg wordt door haar dochter en echtgenoot verzorgd, en er is geen duidelijk bewijs dat deze zorg ontoereikend is. Tevens is gewezen op mogelijke alternatieve zorg via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Zorgverzekeringswet.

Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, kan alleen bij evident onrechtmatigheid van het besluit een voorlopige voorziening worden getroffen. De voorzieningenrechter acht het besluit van het CIZ niet evident onrechtmatig, mede omdat dit gebaseerd is op medisch advies en onderzoek. Daarom wordt het verzoek afgewezen en hoeft het CIZ voorlopig geen zorg te verstrekken op grond van de Wlz.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7442

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Verzoekster is het met die afwijzing niet eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op basis van de Wlz. Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 22 september 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verzoekster deelgenomen. De gemachtigde van het CIZ heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
2. Op 2 juni 2025 heeft verzoekster een aanvraag ingediend op grond van de Wlz. Op 3 juli 2025 is zij thuis bezocht door een onderzoeker van het CIZ. De medisch adviseur van het CIZ heeft op 19 september 2025 een medisch advies opgesteld. Het CIZ heeft vervolgens de aanvraag van verzoekster met het besluit van 22 september 2025 afgewezen.
3. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Op basis van haar psychische stoornis, lichamelijke handicap en somatische aandoening komt zij namelijk in aanmerking voor zorg op grond van de Wlz. Daarbij heeft zij 24 uur per dag zorg nodig in verband met (zware) regieproblemen. Verzoekster kan niet alleen gelaten worden in verband met haar suïcidale gedachten. Ook kan zij de ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) niet uitvoeren en is zij vergeetachtig waardoor zij zelf niet kan aangeven wanneer zij zorg nodig heeft. De klachten van verzoekster blijven persisteren, waardoor de zorgbehoefte ook blijvend is. Verzoekster wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat aan haar totdat op het bezwaar is beslist zorg op basis van de Wlz wordt toegekend.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Verzoekster voert aan dat haar verzoek spoedeisend is omdat zij op dit moment niet de noodzakelijke ondersteuning en zorg krijgt die zij nodig heeft. Er is behoefte aan intensievere zorg gedurende 24 uur per dag.
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor niet kan worden gewacht op de beslissing op het bezwaar of het beroep. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat door verzoekster naar voren is gebracht niet voldoende blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Niet duidelijk is geworden waarom nu met spoed zorg op grond van de Wlz noodzakelijk is. Verzoekster wordt, zo begrijpt de voorzieningenrechter, op dit moment verzorgd door haar dochter en haar echtgenoot. Ter zitting is niet gebleken dat de manier waarop de zorg rondom verzoekster op dit moment is vormgegeven niet zo door kan gaan totdat op het bezwaar is beslist, of anderszins ontoereikend is. De voorzieningenrechter neemt verder mee dat het CIZ erop heeft gewezen dat verzoekster mogelijk hulp kan krijgen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Zorgverzekeringwet (Zvw), bijvoorbeeld wijkverpleging.
Is het besluit evident onrechtmatig?
7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit niet juist is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat zich deze situatie hier voordoet. Met name is niet gebleken dat het CIZ evident ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarbij is relevant dat het CIZ het bestreden besluit heeft gebaseerd op onderzoek en medisch advies en verzoekster geen informatie heeft aangeleverd dat daar op voorhand aan moet worden getwijfeld.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het CIZ vooralsnog geen zorg op basis van de Wlz aan verzoekster hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.