Eiseres, eigenaar van een winkelpand in Sliedrecht, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde per 1 januari 2020 van €1.448.000,-. De heffingsambtenaar van de gemeente Sliedrecht handhaafde de waarde en legde de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021 op.
De rechtbank beoordeelde het beroep op 28 januari 2025 en concludeerde dat het beroepschrift grotendeels bestond uit algemene en onsamenhangende stellingen zonder concrete onderbouwing. De rechtbank sloot deze stukken buiten beschouwing en ging in op de specifieke standpunten die tijdens de zitting werden ingenomen.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met de huurwaarde-kapitalisatiemethode (hwk-methode), waarbij een huurwaarde van €160.282,- werd gehanteerd en een kapitalisatiefactor van 9,5. De rechtbank achtte de gehanteerde huurwaarden en kapitalisatiefactor aannemelijk, ook gezien vergelijkbare objecten in de regio. De door eiseres aangevoerde coronacrisis werd door een aftrekpost van €76.217,- voldoende verwerkt.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de rechtbank verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding en proceskosten af.