De zaak betreft de afwikkeling van de schadeloosstelling na onteigening van vermogensbestanddelen van SNS Bank, waaronder de OHRA-lening. De ondernemingskamer had de schadeloosstelling vastgesteld en de minister van Financiën is verantwoordelijk voor de uitbetaling aan de rechthebbenden. De OHRA-lening is opgesplitst in een hoofdsomdeel en een rentedeel, waarbij een boetebeding van 5% is verbonden aan de rentevorderingen.
De eiseres en een derde-partij stelden beiden aanspraak te maken op het deel van de schadeloosstelling dat verband houdt met het boetebeding. De minister kende dit deel toe aan de derde-partij, als rechthebbende van de rentevorderingen, en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug van de eiseres. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht liet leiden door de bindende overwegingen van de ondernemingskamer, die het boetebeding aan de rentevorderingen koppelde.
De rechtbank verwierp het verweer van de eiseres dat de boete aan haar toekwam omdat zij rechthebbende is van de hoofdsom en dat de rentevorderingen geen zelfstandige vorderingen zouden zijn. Ook het betoog dat terugvordering niet was toegestaan vanwege het vertrouwensbeginsel en staatssteun werd afgewezen. De minister was bevoegd tot terugvordering omdat de eerdere betaling onverschuldigd was en het niet terugvorderen zou neerkomen op ongeoorloofde staatssteun.
Het beroep van de eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 15 oktober 2025.