ECLI:NL:RBROT:2025:12812

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
11028692 CV EXPL 24-8897
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanneming van werk en geschil over betaling en schadevergoeding tussen aannemer en opdrachtgever

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam op 3 oktober 2025, gaat het om een geschil tussen [persoon A], een aannemer, en [persoon B] en [bedrijf B], de opdrachtgevers. [persoon A] heeft werkzaamheden verricht voor [persoon B] en eist betaling voor twee openstaande rekeningen, terwijl [persoon B] en [bedrijf B] de betaling weigeren. [persoon B] stelt dat hij geen opdrachtgever is geweest en dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, wat leidt tot een tegeneis tot schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de eis van [persoon A] grotendeels wordt toegewezen, maar de eis tegen [bedrijf B] wordt afgewezen. De kantonrechter concludeert dat er sprake is van een aannemingsovereenkomst, maar dat er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over de uitvoering en betaling van de werkzaamheden. De kantonrechter wijst de tegeneis van [persoon B] af en legt de proceskosten voor een deel bij [persoon B]. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke afspraken in aannemingsovereenkomsten en de rol van de rechter bij het aanvullen van leemten in dergelijke overeenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11028692 CV EXPL 24-8897
datum uitspraak: 3 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A] ,die handelt onder de naam [handelsnaam A] ,
woonplaats: [woonplaats A] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. T. Franzen,
tegen

1.[persoon B] ,

2 [bedrijf B]
woonplaats, respectievelijk vestigingsplaats: [woonplaats B] / [vestigingsplaats B] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. M.R. de Kok
De partijen worden hierna [persoon A] , [persoon B] en [bedrijf B] genoemd.

1.De procedure

1.1
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 maart 2024, met bijlagen 1 tot en met 31;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 tot en met 7;
  • het antwoord in reconventie, met bijlagen 32 tot en met 35;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die is gehouden op
18 september 2024;
  • de akte uitlating van de zijde van [persoon A] ;
  • de antwoordakte van de zijde van [persoon B] en [bedrijf B] .
1.2
Op 18 september 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] met mr. Franzen en [persoon B] met mr. De Kok.
De (achtergrond van) de zaak in het kort
2.1
[persoon A] drijft een eenmanszaak, een aannemersbedrijf. [persoon B] en hij zijn bijna-buren. Zij hebben kennisgemaakt toen [persoon B] [persoon A] met zijn werkbus zag in de straat waar zij beiden wonen. Daaruit ontstond een door beiden als positief ervaren contact, waarbij [persoon B] aan [persoon A] regelmatig mondeling opdrachten gaf voor bouwwerkzaamheden aan verschillende van panden die hij in eigendom heeft en verhuurt. [persoon A] heeft daarvoor aan [bedrijf B] in totaal 11 rekeningen gestuurd, die steeds door [bedrijf B] zijn betaald.
[persoon B] is, via een andere BV, enig aandeelhouder van [bedrijf B] . [bedrijf B] bemiddelt bij verhuur van onroerend goed.
[persoon A] eist nu van [persoon B] en [bedrijf B] betaling van twee openstaande rekeningen. [bedrijf B] weigert dat en zegt dat zij geen opdrachtgever is geweest. [persoon B] weigert dat ook. Hij vindt dat [persoon A] meer uren in rekening heeft gebracht dan hij daadwerkelijk heeft gemaakt en dat hij te veel materiaalkosten en parkeerkosten heeft gerekend. Ook vindt hij dat [persoon A] de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Hij stelt dat hij door dat laatste schade heeft geleden en wil die vergoed hebben. Daarvoor heeft hij een tegeneis ingesteld.
De eis en de tegeneis
2.3.1
[persoon A] eist zowel van [persoon B] als van [bedrijf B]
- € 6.691,43 aan hoofdsom, met rente
- € 652,71 aan buitengerechtelijke incassokosten
- de proceskosten.
2.3.2
[persoon B] eist
- € 6.064,90 aan hoofdsom, met rente
- de proceskosten
3
Het oordeel van de kantonrechter
3.1
De eis van [persoon A] wordt grotendeels toegewezen. Tegen [bedrijf B] wordt de eis afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
De tegeneis van [persoon B] wordt afgewezen. Ook dat wordt hierna toegelicht.
De eis tegen [bedrijf B] wordt afgewezen
3.2
[persoon A] heeft [bedrijf B] gedagvaard omdat hij er steeds vanuit is gegaan dat [persoon B] hem opdrachten verstrekte namens [bedrijf B] . Hij heeft aanvankelijk rekeningen ten name van [bedrijf B] gestuurd en die zijn ook telkens door [bedrijf B] betaald. Op aanwijzing van [persoon B] heeft hij voor de werkzaamheden waarover deze procedure gaat de twee rekeningen alsnog op naam van [persoon B] als opdrachtgever gezet en van hem betaling geëist. De eis tegen [bedrijf B] wordt daarom afgewezen.
De proceskosten blijven in zoverre voor rekening van [persoon A] .
Hoe ziet de kantonrechter de overeenkomst tussen [persoon B] en [persoon A] ?
3.3
De overeenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] is een aannemingsovereenkomst. Die is geregeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het is een zogenaamde regie-overeenkomst, omdat er geen vaste prijs is afgesproken. Uit wat [persoon A] en [persoon B] over en weer hebben aangevoerd blijkt niet dat dat er naast de opdrachten nog nadere afspraken zijn gemaakt. Het is, zo constateert de kantonrechter, telkens en uitsluitend gebleven bij het geven en aanvaarden van de opdrachten. Zo zijn er bijvoorbeeld geen opdrachtbevestigingen, is niets afgesproken over vastlegging en verantwoording van door [persoon A] ingekochte materialen, over bijhouden en verantwoording van gewerkte uren, over (reis)tijd voor de inkoop van materialen en over de wijze en het moment van factureren. Er is dus sprake van een leemte. In de wet (artikelen 6:2 en 6:248 BW) en de rechtspraak is geregeld dat in een geval als dit de rechter de leemte kan aanvullen naar redelijkheid en billijkheid. Dat komt erop neer dat de kantonrechter hierna bij de beoordeling van de geschilpunten mede zal betrekken wat [persoon A] en [persoon B] bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
[persoon A] en [persoon B] verschillen van mening op de volgende punten: de in rekening gebrachte arbeidsuren, materiaalkosten en parkeerkosten en de kwaliteit van het geleverde werk.
Het standpunt van [persoon A]
3.4
Het standpunt van [persoon A] houdt in dat hij in opdracht van [persoon B] werk heeft verricht en materialen heeft geleverd en dat hij daarvoor wil worden betaald. Bij de rekeningen die hij aan [persoon B] heeft gestuurd heeft hij werkorders gevoegd. Zijn werkwijze is steeds, zo stelt hij, dat hij werkorders opstelt voor daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden en aangeschafte materialen en dat hij aan de hand daarvan de rekening opmaakt.
De betalingstermijn is volgens zijn Algemene Voorwaarden 8 dagen na verzending van de rekening. Omdat [persoon B] volgens hem te laat is met betalen eist hij de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de rekeningen. Ook heeft hij voorafgaand aan deze procedure werk laten verrichten om zijn rekeningen betaald te krijgen. De kosten daarvan moet [persoon B] hem betalen, aldus [persoon A] .
[persoon B] heeft het standpunt van [persoon A] bestreden, De kantonrechter bespreekt zijn verweer hierna.
De uren die op de werkorders van beide facturen zijn vermeld gelden als arbeidsuren
3.5
De kantonrechter verwerpt het verweer van [persoon B] over de arbeidsuren voor zover [persoon B] dat in verband brengt met de parkeerkosten.
3.5.1
Factuur
[factuurnummer]van 9 september 2023 heeft betrekking op werkzaamheden aan de [naam locatie] 54 A, B en C en is gebaseerd op 3 werkorders, met de opschriften:
“diverse mutaties”, “meterkasten” en “kozijnen”.
Voor alle drie deze werkorders voert [persoon B] aan dat de in rekening gebrachte aantallen uren niet overeenkomen met de werkelijk gemaakte arbeidsuren. Hij baseert dat op de parkeerkosten die [persoon A] in rekening heeft gebracht. Die vormen volgens hem een sterke aanwijzing dat [persoon A] meer uren in rekening heeft gebracht dan hij heeft gewerkt. Ook bestrijdt hij dat hij voor een aantal werkzaamheden opdracht heeft gegeven en bovendien dat die zijn uitgevoerd. Enkele in rekening gebrachte werkzaamheden zijn volgens hem slechts kleine herstellingen, waarvoor niet meer dan 3 uur kan worden geteld
[persoon A] moet volgens [persoon B] bewijs leveren van de door hem gewerkte uren.
3.5.2
[persoon A] is het daarmee niet eens. Hij heeft de nota van Parkline van
3 augustus 2023 overgelegd. Die heeft betrekking op de maand juli 2023. Hij wijst op de uren die hij in juli 2023 volgens die gespecificeerde nota aan de [naam locatie] heeft geparkeerd en merkt op dat die metingen beginnen vanaf 9.00 uur, terwijl hij vaak al vanaf 8.00 uur aan het werk was. Daarnaast heeft hij ritten naar en van leveranciers gemaakt en tijd besteed aan het uitzoeken en aanschaffen van materialen, wat volgens hem ook als arbeidstijd geldt, en voorbereidende werkzaamheden in zijn eigen werkplaats verricht, terwijl hij bovendien voor het werk aan de kozijnen vanwege het gewicht daarvan een tweede man heeft moeten inschakelen, die ook arbeidsuren heeft gemaakt.
Op zijn beurt voert [persoon B] aan dat er niet is afgesproken dat voor de reisuren hetzelfde tarief als de arbeidsuren zou gelden. Ook is volgens hem de inzet van een tweede man niet afgesproken. Hij betwist dat [persoon A] op 15 juli 2023 heeft gewerkt, met als motivering dat [persoon A] niet op zaterdag werkte. Hij wijst er ook op dat [persoon A] bij zijn creditering de uren van zijn tweede man op 25 juli 2023 niet heeft meegenomen.
3.5.3
Factuur
[factuurnummer]van 29 juli 2023 heeft betrekking op werkzaamheden aan de [naam locatie] 54 B en C. Daaraan liggen twee werkorders ten grondslag: “diverse mutaties” ( [naam locatie] ) en “basiskozijn herstellen” ( [adres] ).
Voor beide werkorders voert [persoon B] aan dat de arbeidsuren niet juist zijn: het zijn er volgens hem geen 4, maar 3 omdat het alleen maar om kleine herstellingen gaat. Een deel van de werkzaamheden die daarop staan vermeld heeft [persoon A] al bij factuur [factuurnummer] in rekening gebracht, aldus [persoon B] .
Moet [persoon A] de arbeidsuren bewijzen?
4.1
[persoon B] stelt zich op het standpunt dat [persoon A] de uren die hij in rekening heeft gebracht moet bewijzen. Dat uitgangspunt is niet juist. [persoon A] en [persoon B] hebben niets afgesproken over de vastlegging van of controle op in rekening gebrachte arbeidsuren. [persoon B] mocht van [persoon A] verwachten dat hij die uren in voldoende mate onderbouwde. Is dat het geval, dan moet [persoon B] , als hij het met die onderbouwing niet eens is, uitleggen waarom dat volgens hem zo is. Het is onvoldoende om zonder uitleg te betwisten.
Het verweer van [persoon B] over de parkeerkosten in relatie tot de arbeidsuren gaat niet op.
[persoon A] heeft de arbeidsuren in voldoende mate onderbouwd.
4.2
Parkline heeft de aanwezigheid van de bus van [persoon A] op een bepaalde plek, op bepaalde tijdstippen gemeten. De aanwezigheid van die bus op die plek en op die momenten is echter niet, zoals [persoon B] concludeert, tot op de minuut [1] te relateren aan door [persoon A] als gewerkt in rekening gebrachte uren. [persoon A] heeft na de betwisting van [persoon B] een inhoudelijk en gespecificeerd overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden gegeven, voorzien van een toelichting en vergezeld van een aantal foto’s.
De kantonrechter beschouwt de opgave van de uren op de werkorders in combinatie met de hiervoor weergegeven toelichting van [persoon A] als een in de gegeven omstandigheden voldoende onderbouwing.
De parkeerkosten zeggen, gezien deze toelichting, onvoldoende en kunnen dan ook geen graadmeter voor de gewerkte uren zijn. In zoverre verwerpt de kantonrechter het verweer.
De uren die [persoon A] heeft besteed aan het rijden naar en van leveranciers, het inkopen van materialen en het ophalen van door [persoon B] bestelde kozijnen kan hij als werkuren rekenen: hij was in die uren bezig de opdrachten van [persoon B] uit te voeren. Voor het inschakelen van een tweede man had hij, anders dan [persoon B] meent, [2] zonder meer op grond van artikel 7:751 BW de bevoegdheid.
Ten slotte: de kwestie van de uren van de “tweede man”, [persoon C] , op 25 juli. Uit de schriftelijke ondertekende verklaring van [persoon D] en [persoon C] van 28 augustus 2024 [3] , die de kantonrechter, anders dan [persoon B] bepleit, als in de gegeven omstandigheden als voldoende betrouwbaar aanmerkt, blijkt dat het om tweemaal 4 uren gaat , zodat [persoon A] terecht in totaal 8 arbeidsuren heeft gecrediteerd.
De andere verweren tegen de omvang van de arbeidsuren zijn onvoldoende onderbouwd
4.3
Tegenover de onderbouwde opgave van uren kan [persoon B] er niet mee volstaan dat hij voor de werkzaamheden die op de werkorder “diverse mutaties” van factuur [factuurnummer] staan vermeld:
“Grindbak aangevuld.
Afdekplaat UTP met 3-voudig raam zwart aan gebracht 54B en 54C
Plafond en wand gefixeerd 54B woonkamer
Slot vervangen 54A naar 2e woonlaag
Koplatten aangebracht 54C”
geen opdracht heeft gegeven en dat [persoon A] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd.
De werkzaamheden
“Plinten vervangen,
bank herstellen,
deur van de vaatwasser herstellen,
lampen ophangen en
slot vervangen”
op de werkorder zijn volgens [persoon B] kleine herstellingen, waarvoor [persoon A] maximaal 3 arbeidsuren heeft gewerkt. [persoon B] relateert dat verweer bij antwoordakte aan de parkeertijden op 22 en 25 augustus 2023, zoals die blijken uit de factuur van Parkline, maar zoals hiervoor is overwogen zeggen de parkeertijden onvoldoende. Daarom kan ook dit deel van zijn verweer niet slagen.
Ook het verweer dat de werkzaamheden:
“Plinten schoon gemaakt en vast gezet bij de keuken
Bevestigingsgaten in nieuw geplaatste kozijnen afgedicht en
Rugvulling aangebracht rondom nieuw geplaatste kozijnen”
al bij factuur [factuurnummer] bij hem in rekening zijn gebracht en dat onder deze factuur
ook de werkzaamheden aan de kozijnen vallen, kan niet slagen. Vergelijking met de werkzaamheden die staan vermeld op de werkorder “kozijnen” die hoort bij factuur [factuurnummer] levert geen overeenkomst op.
De parkeerkosten zijn onvoldoende duidelijk gemaakt; een bedrag van € 92,31 wordt toegewezen
5 [persoon B] heeft op basis van de factuur van Parkline van 3 juli 2023 [4] aangevoerd dat de facturering van de parkeerkosten niet juist is. Hij noemt het bedrag van € 138,53 dat in rekening is gebracht bij factuur [factuurnummer] . Volgens hem heeft [persoon A] ten onrechte btw gerekend over de parkeerkosten.
Dat laatste blijkt echter niet: het vakje onder
“btw 21”op die rekening is leeg en uit precieze narekening van factuur [factuurnummer] blijkt dat [persoon A] geen btw heeft gerekend over de parkeerkosten van € 138,53.
[persoon B] voert met juistheid aan dat van de nota van Parkline alleen de data vanaf 15 juli 2023 meetellen. Dan komen de parkeerkosten bij Parkline, inclusief transactie- en servicekosten op € 92,31. Gesteld noch gebleken is dat [persoon A] andere parkeerkosten heeft gemaakt dan via Parkline.
De kantonrechter brengt een bedrag van € 46,22 in mindering op factuur [factuurnummer] .
De materiaalkosten zijn onvoldoende duidelijk gemaakt en daarom voor een deel niet toewijsbaar.
6 [persoon B] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de in rekening gebrachte materiaalkosten niet juist zijn en heeft dat daarbij toegelicht. Daarna heeft [persoon A] bij akte facturen overgelegd van leveranciers van door hem voor de werkzaamheden ingekochte materialen. Die corresponderen in onvoldoende mate met de op de werkorders genoteerde materialen en de kosten daarvan. Het was aan [persoon A] om de materiaalkosten tegenover de gemotiveerde betwisting van [persoon B] duidelijk te onderbouwen. Dat heeft hij in onvoldoende mate gedaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de door [persoon B] bij antwoordakte genoemde verschillen, een totaalbedrag van € 85,78. Dat bedrag wordt in mindering gebracht op het totaalbedrag van de facturen [factuurnummer] en 20230049, zodat toewijsbaar is een bedrag van € 6.691,43 - € 46,22 - € 85,78 - = € 6.559,43.
Wettelijke handelsrente en betalingstermijn; de Algemene Voorwaarden van [persoon A] zijn niet van toepassing
7 [persoon B] heeft tegen de gevorderde wettelijke handelsrente geen verweer gevoerd.
De overeenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] is een handelsovereenkomst (artikel 6:119a BW). De Algemene Voorwaarden van [persoon A] zijn niet van toepassing op de overeenkomst omdat ze niet bij het aangaan van de overeenkomst zijn overeengekomen, maar pas later zijn toegestuurd. Dat heeft gevolgen voor de betalingstermijn. [persoon A] kan die niet baseren op de Algemene Voorwaarden. Hij heeft met [persoon B] geen aparte afspraken over een betalingstermijn gemaakt. In zijn e-mailbericht van 30 augustus 2023 [5] heeft hij aan [persoon B] geschreven dat hij ook een termijn van 30 dagen accepteert. Die termijn is in lijn met artikel 6:119a lid 2 BW: 30 dagen na de dag die volgt op de dag waarop de factuur is ontvangen. De kantonrechter gaat, nu [persoon B] geen verweer heeft gevoerd op dit punt, uit van ontvangst door [persoon B] van de facturen daags na factuurdatum.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 30 dagen na 31 juli respectievelijk
11 september 2023.
Buitengerechtelijke incassokosten
8 De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
De kantonrechter stelt vast dat [persoon A] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
[persoon B] heeft tegen de vordering op dit punt geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen zoals gevorderd, een bedrag van € 652,71.
Proceskosten in conventie
9 De proceskosten komen voor de helft voor rekening van [persoon B] , omdat de vordering tegen [bedrijf B] wordt afgewezen en hij zelf grotendeels ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan [persoon A] moet betalen op € 58,20 aan dagvaardingskosten, € 124,- aan griffierecht, € 423,751,25 aan salaris voor de gemachtigde ( 1,25 punten x € 339,--) en € 67,50 aan nakosten.
Dat is in totaal € 673,45,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad in conventie
10 Dit vonnis wordt in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [persoon B] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De tegeneis wordt afgewezen omdat [persoon B] geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard
11.1
Artikel 7:758 BW bepaalt dat als de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, de opdrachtgever wordt geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd en is het voor risico van de opdrachtgever.
11.2
Onder oplevering moet worden verstaan het overeenkomstig de inhoud en strekking van de overeenkomst ter beschikking stellen van het werk aan de opdrachtgever na voltooiing. [6]
Wat dat laatste betreft: de kantonrechter beschouwt het sturen van de facturen door [persoon A] telkens als een kennisgeving dat het opgedragen en op die facturen vermelde werk klaar was om te worden opgeleverd.
[persoon A] heeft gesteld dat hij een duidelijke en consequente administratieve werkwijze hanteert en dat die inhoudt dat hij werkbonnen opmaakt voor daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, en die vervolgens factureert. [persoon B] heeft dat niet tegengesproken. [persoon B] heeft na ontvangst van de twee facturen wel enig commentaar gegeven, zoals een e-mailbericht van 30 augustus 2023 [7] , maar dat bevatte geen inhoudelijk commentaar op de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden.
Ook heeft hij bij e-mailbericht van 7 september 2023 voorgesteld samen met [persoon A] de facturen te bestuderen, maar toen het voorgestelde tijdstip [persoon A] niet uitkwam heeft hij geen verdere actie ondernomen.
Wat factuur 20230049 betreft heeft [persoon B] aan [persoon A] bij e-mailbericht van
25 september 2023 [8] geschreven dat betalingen pas zullen worden gedaan nadat de nog niet voltooide werkzaamheden zijn afgerond. Inhoudelijk commentaar op de kwaliteit van de wel verrichte werkzaamheden heeft hij daarbij niet gegeven.
Pas na de sommatie door de rechtsbijstandverlener van [persoon A] van 21 december 2023 [9] is namens [persoon B] op 8 januari 2024 inhoudelijk commentaar geleverd. Dat was ongeveer 5, respectievelijk ongeveer 3 maanden na de factuurdata, wat de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet als een redelijke termijn beschouwt.
Dat betekent dat [persoon B] geacht moet worden het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.
Voor een debat over de wijze van uitvoering is daarom geen plaats meer.
12
Proceskosten in reconventie
De proceskosten in reconventie komen voor rekening van [persoon B] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan [persoon A] moet betalen op € 169,50,- aan salaris voor de gemachtigde ( 0,5 punt x € 339,-).
De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt [persoon B] aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 7.212,14;
veroordeelt [persoon B] tot betaling van de wettelijke handelsrente over € 4.529,27 vanaf 30 dagen na 30 juli 2023 en over € 892,88 vanaf 30 dagen na 10 september 2023, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling ;
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 673,45;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst de vordering af;
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 169,50;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
73878

Voetnoten

1.Antwoordakte onder randnummer 6 en 7
2.[persoon B] stelt dat [persoon A] voor het eerst bij antwoord in reconventie melding heeft gemaakt van een tweede man, maar dat is niet juist: op werkorder “kozijnen” van 15 juli 2023 stond vermeld:
3.Productie 35 bij conclusie van antwoord in reconventie
4.Productie 37 bij akte
5.Productie 10 bij dagvaarding
6.T&C bij artikel 7:758 BW
7.Productie 9 bij dagvaarding
8.Productie 25 bij dagvaarding
9.Productie 28 bij dagvaarding