4.3Tegenover de onderbouwde opgave van uren kan [persoon B] er niet mee volstaan dat hij voor de werkzaamheden die op de werkorder “diverse mutaties” van factuur [factuurnummer] staan vermeld:
“Grindbak aangevuld.
Afdekplaat UTP met 3-voudig raam zwart aan gebracht 54B en 54C
Plafond en wand gefixeerd 54B woonkamer
Slot vervangen 54A naar 2e woonlaag
Koplatten aangebracht 54C”
geen opdracht heeft gegeven en dat [persoon A] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd.
De werkzaamheden
“Plinten vervangen,
bank herstellen,
deur van de vaatwasser herstellen,
lampen ophangen en
slot vervangen”
op de werkorder zijn volgens [persoon B] kleine herstellingen, waarvoor [persoon A] maximaal 3 arbeidsuren heeft gewerkt. [persoon B] relateert dat verweer bij antwoordakte aan de parkeertijden op 22 en 25 augustus 2023, zoals die blijken uit de factuur van Parkline, maar zoals hiervoor is overwogen zeggen de parkeertijden onvoldoende. Daarom kan ook dit deel van zijn verweer niet slagen.
Ook het verweer dat de werkzaamheden:
“Plinten schoon gemaakt en vast gezet bij de keuken
Bevestigingsgaten in nieuw geplaatste kozijnen afgedicht en
Rugvulling aangebracht rondom nieuw geplaatste kozijnen”
al bij factuur [factuurnummer] bij hem in rekening zijn gebracht en dat onder deze factuur
ook de werkzaamheden aan de kozijnen vallen, kan niet slagen. Vergelijking met de werkzaamheden die staan vermeld op de werkorder “kozijnen” die hoort bij factuur [factuurnummer] levert geen overeenkomst op.
De parkeerkosten zijn onvoldoende duidelijk gemaakt; een bedrag van € 92,31 wordt toegewezen
5 [persoon B] heeft op basis van de factuur van Parkline van 3 juli 2023aangevoerd dat de facturering van de parkeerkosten niet juist is. Hij noemt het bedrag van € 138,53 dat in rekening is gebracht bij factuur [factuurnummer] . Volgens hem heeft [persoon A] ten onrechte btw gerekend over de parkeerkosten.
Dat laatste blijkt echter niet: het vakje onder
“btw 21”op die rekening is leeg en uit precieze narekening van factuur [factuurnummer] blijkt dat [persoon A] geen btw heeft gerekend over de parkeerkosten van € 138,53.
[persoon B] voert met juistheid aan dat van de nota van Parkline alleen de data vanaf 15 juli 2023 meetellen. Dan komen de parkeerkosten bij Parkline, inclusief transactie- en servicekosten op € 92,31. Gesteld noch gebleken is dat [persoon A] andere parkeerkosten heeft gemaakt dan via Parkline.
De kantonrechter brengt een bedrag van € 46,22 in mindering op factuur [factuurnummer] .
De materiaalkosten zijn onvoldoende duidelijk gemaakt en daarom voor een deel niet toewijsbaar.
6 [persoon B] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de in rekening gebrachte materiaalkosten niet juist zijn en heeft dat daarbij toegelicht. Daarna heeft [persoon A] bij akte facturen overgelegd van leveranciers van door hem voor de werkzaamheden ingekochte materialen. Die corresponderen in onvoldoende mate met de op de werkorders genoteerde materialen en de kosten daarvan. Het was aan [persoon A] om de materiaalkosten tegenover de gemotiveerde betwisting van [persoon B] duidelijk te onderbouwen. Dat heeft hij in onvoldoende mate gedaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de door [persoon B] bij antwoordakte genoemde verschillen, een totaalbedrag van € 85,78. Dat bedrag wordt in mindering gebracht op het totaalbedrag van de facturen [factuurnummer] en 20230049, zodat toewijsbaar is een bedrag van € 6.691,43 - € 46,22 - € 85,78 - = € 6.559,43.
Wettelijke handelsrente en betalingstermijn; de Algemene Voorwaarden van [persoon A] zijn niet van toepassing
7 [persoon B] heeft tegen de gevorderde wettelijke handelsrente geen verweer gevoerd.
De overeenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] is een handelsovereenkomst (artikel 6:119a BW). De Algemene Voorwaarden van [persoon A] zijn niet van toepassing op de overeenkomst omdat ze niet bij het aangaan van de overeenkomst zijn overeengekomen, maar pas later zijn toegestuurd. Dat heeft gevolgen voor de betalingstermijn. [persoon A] kan die niet baseren op de Algemene Voorwaarden. Hij heeft met [persoon B] geen aparte afspraken over een betalingstermijn gemaakt. In zijn e-mailbericht van 30 augustus 2023heeft hij aan [persoon B] geschreven dat hij ook een termijn van 30 dagen accepteert. Die termijn is in lijn met artikel 6:119a lid 2 BW: 30 dagen na de dag die volgt op de dag waarop de factuur is ontvangen. De kantonrechter gaat, nu [persoon B] geen verweer heeft gevoerd op dit punt, uit van ontvangst door [persoon B] van de facturen daags na factuurdatum.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 30 dagen na 31 juli respectievelijk
11 september 2023.
Buitengerechtelijke incassokosten
8 De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
De kantonrechter stelt vast dat [persoon A] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
[persoon B] heeft tegen de vordering op dit punt geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen zoals gevorderd, een bedrag van € 652,71.
Proceskosten in conventie
9 De proceskosten komen voor de helft voor rekening van [persoon B] , omdat de vordering tegen [bedrijf B] wordt afgewezen en hij zelf grotendeels ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan [persoon A] moet betalen op € 58,20 aan dagvaardingskosten, € 124,- aan griffierecht, € 423,751,25 aan salaris voor de gemachtigde ( 1,25 punten x € 339,--) en € 67,50 aan nakosten.
Dat is in totaal € 673,45,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad in conventie
10 Dit vonnis wordt in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [persoon B] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De tegeneis wordt afgewezen omdat [persoon B] geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard