Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- het tussenvonnis van 30 juli 2025,
- de oproep derde ex artikel 118 Rv van 18 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord in het incident van ISS.
3.De feiten, voor zover van belang voor de verdere beoordeling in het incident
- als diagnose: een ongespecificeerd depressieve-stemmingsstoornis, gekenmerkt door ernstig regressief gedrag, vermijding, angst en somatisatie klachten;
- de stoornis heeft een chronisch beloop gekregen en de huidige situatie is een impasse is, waar [persoon A] niet zomaar uit kan komen,
- er is sprake van een stabiele toestand en belangrijke veranderingen zijn niet te verwachten op de korte of middellange termijn;
- dr. [persoon B] acht [persoon A] met name beperkt op de sociale items van de FML, te weten omgaan met conflicten, uiten van eigen gevoelens en omgaan met emoties van anderen,
- dr. [persoon B] vindt de geclaimde beperkingen op de items persoonlijk functioneren (vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, en ook vervoer en samenwerken) niet voldoende te objectiveren en acht deze ervaren beperkingen eerder een uiting van de zwakke coping dan een uiting van het ziektebeeld;
- het percentage van de blijvende invaliditeit is 20%;
- de klachten zijn vooral ontstaan in reactie op de verstoorde werkverhouding en het doorwerken terwijl [persoon A] (nog) klachten had. Met andere woorden, ze zijn ontstaan in reactie op een algemene stressor;
- ook een andere stressor (bijv. een ander conflict) aanleiding had kunnen zijn voor het huidige klachtenbeeld;
- niet goed duidelijk is geworden, wat nu verklaart dat [persoon A] zo’n fors en onveranderlijk beeld ontwikkelt naar aanleiding van een algemene (niet-traumatische) stressor.
4.De verdere beoordeling in het incident
5.De beslissing
17 december 2025voor conclusie van antwoord.