De rechtbank Rotterdam heeft op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling door een jong meisje in haar bovenbeen te bijten en van vernieling van een autoruit. De mishandeling vond plaats op 5 juli 2025 in de stationshal van Rotterdam Centraal, waarbij het slachtoffer een opengebeten wond opliep. De vernieling betrof een autoruit van een voertuig met een bepaald kenteken, gepleegd op 14 april 2025.
De verdediging voerde aan dat het niet bewezen kon worden dat de verdachte daadwerkelijk had gebeten, omdat geen tandafdrukken waren vergeleken met het letsel. De rechtbank verwierp dit verweer op basis van verklaringen van het slachtoffer, een politieagent en de bekentenis van de verdachte zelf. Beide feiten werden wettig en overtuigend bewezen verklaard.
De rechtbank hield rekening met een psychische stoornis van de verdachte (maniforme psychose), waardoor de feiten in verminderde mate aan hem werden toegerekend. Ook werd meegewogen dat de verdachte eerder soortgelijke feiten had begaan en dat een taakstraf niet uitvoerbaar was vanwege het ontbreken van verblijfsrecht en woonplaats. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest en hechtte de voorlopige hechtenis op per 16 oktober 2025.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €700 voor de vernieling van de autoruit, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat niet kon worden vastgesteld dat de indiener bevoegd was namens de rechtspersoon op te treden. De vordering kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.