Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:12866

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
02/078580-22 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling medeplegen gewoontewitwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van januari 2020 tot maart 2021. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit het ontnemingsproces-verbaal bleek dat de veroordeelde een bedrag van €334.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had behaald. De verdediging betwistte de hoogte van dit bedrag niet. De rechtbank achtte de berekening voldoende onderbouwd en stelde het bedrag vast op €334.000.

Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en de inbeslagname van geldbedragen en goederen bij de veroordeelde, werd de betalingsverplichting verminderd tot €200.000. De rechtbank legde deze betalingsverplichting op aan de veroordeelde. Tevens werd de maximale duur van de gijzeling vastgesteld op 480 dagen voor het geval van niet-betaling.

Deze beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op procesafspraken tussen partijen. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €200.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €334.000.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 02/078580-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak, tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.

1.Procedure

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025, gelijktijdig met het onderzoek op de zitting in de strafzaak.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2025 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor onder meer het medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2020 tot en met 6 maart 2021. Dit vonnis is niet onherroepelijk.

3.Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. J.F.M. Kerkhofs strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 334.000,-;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 200.000,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

4.Standpunt verdediging

De verdediging heeft de hoogte van de ontnemingsvordering niet betwist.

5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het aanvullend proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [1] (hierna: het ontnemingsproces-verbaal) blijkt dat de veroordeelde door middel van dit feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsproces-verbaal. Deze berekeningen zijn door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen voldoende onderbouwd. Daarnaast komt het gevorderde bedrag van € 334.000,-, dat door de verdediging niet is betwist, de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 334.000,-.

6.Vaststelling van de betalingsverplichting

Inleiding
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak geldt echter het volgende. Bij de veroordeelde zijn een aantal geldbedragen en goederen in beslag genomen. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel deze geldbedragen en de waarde van de onder de veroordeelde inbeslaggenomen voorwerpen in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Gelet hierop wordt de betalingsverplichting voor het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 200.000,-
Conclusie
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 200.000,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op
€ 334.000,-(zegge:
driehonderdvierendertigduizend euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van op
€ 200.000,-(zegge:
tweehonderdduizend euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd op
480 dagen(zegge: vierhonderdtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. J. van de Klashorst en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. van der Veeke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het rapport aanvulling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van politie nummer [nummer]