Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard omdat hij de derde termijn van de betalingsregeling voor de uitvoeringskosten van een rijgeschiktheidsonderzoek niet tijdig heeft voldaan. Eiser was het hier niet mee eens en stelde beroep in, tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het CBR het rijbewijs op juiste gronden ongeldig heeft verklaard. De wettelijke regeling schrijft dwingendrechtelijk voor dat bij niet-medewerking, waaronder het niet tijdig betalen van de uitvoeringskosten, het rijbewijs onverwijld ongeldig verklaard moet worden. Eiser heeft niet voldaan aan deze verplichting, ook niet na herinnering.
Eiser voerde aan dat de ongeldigverklaring disproportioneel is en dat hij deels betaald had, mede door een misverstand en advies van zijn advocaat. Ook stelde hij dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De rechtbank acht echter dat het belang van de verkeersveiligheid zwaarder weegt en dat eiser alternatieven heeft voor het vervoer van zijn gereedschap.
De voorzieningenrechter ziet geen ruimte voor een belangenafweging of evenwichtigheidsbeoordeling vanwege de strikte regelgeving. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.