ECLI:NL:RBROT:2025:1288

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
10/750289-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 511c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvonnis wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel en witwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 30 januari 2025 een ontnemingsvonnis uitgesproken tegen de veroordeelde, die eerder onherroepelijk is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van drugshandel en witwassen. De vordering tot ontneming is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op €25.000,-, gebaseerd op een ontnemingsrapport en een herberekening die binnen een schikkingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging is overeengekomen. De verdediging heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist.

De rechtbank acht de berekening voldoende onderbouwd met wettige bewijsmiddelen en stelt het bedrag van €25.000,- vast als het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens legt zij de verplichting op aan de veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen. Gezien de schikking wordt geen gijzeling opgelegd bij niet-betaling.

Deze beslissing is genomen in het kader van de strafzaak waarin de veroordeelde eerder is veroordeeld door het Hof Den Haag op 11 juli 2024 voor ernstige strafbare feiten gerelateerd aan de Opiumwet.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsvordering van €25.000,- op aan de veroordeelde ter betaling aan de Staat.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/750289-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gemachtigd raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat in Rotterdam.

1.Procedure

Na indiening van de vordering tot ontneming heeft de verdediging een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2024.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij arrest van het Hof Den Haag van 11 juli 2024 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor:
(1) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
(2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
(3) medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
(4) witwassen.
Dit arrest is onherroepelijk.

3.Vordering

Op de zitting heeft de officier van justitie, mr. M. Luijpen, de rechtbank bericht dat het Openbaar Ministerie en de verdediging, in de afrondende fase zijn van het sluiten van
een schikking ex artikel 511c Wetboek van Strafvordering.
Op 11 december 2024 is de schikkingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde getroffen, waarbinnen het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 25.000,-.
De vordering van de officier van justitie mr. M. Luijpen, zoals deze na wijziging binnen de getroffen schikkingsovereenkomst is komen te luiden, strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 25.000,-;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

4.Standpunt verdediging

De verdediging heeft de hoogte van de ontnemingsvordering niet betwist.

5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In het arrest van 11 juli 2024 in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemings-rapport) blijkt dat door middel van deze feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport en de door het Openbaar Ministerie binnen de schikkingsovereenkomst overgelegde herberekening.
Deze berekeningen zijn voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd.
Het gevorderde herziene bedrag van € 25.000,-, dat door de verdediging niet is weersproken, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit bedrag kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op
€ 25.000,-.

6.Vaststelling van de betalingsverplichting

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Dat betekent dat het door de veroordeelde aan de Staat terug te betalen bedrag op
€ 25.000,-wordt gesteld.

7.Gijzeling

Gelet op hetgeen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde binnen de vaststellings-overeenkomst van 11 december 2024 zijn overeengekomen, zal de rechtbank niet bepalen dat gijzeling plaatsvindt wanneer het genoemde bedrag niet wordt betaald.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 25.000,- (zegge:
vijfentwintigduizend euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van
€ 25.000,- (zegge:
vijfentwintigduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenbrug en S. Zuidwijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 januari 2025.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.