De rechtbank Rotterdam heeft op 30 januari 2025 een ontnemingsvonnis uitgesproken tegen de veroordeelde, die eerder onherroepelijk is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van drugshandel en witwassen. De vordering tot ontneming is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op €25.000,-, gebaseerd op een ontnemingsrapport en een herberekening die binnen een schikkingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging is overeengekomen. De verdediging heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist.
De rechtbank acht de berekening voldoende onderbouwd met wettige bewijsmiddelen en stelt het bedrag van €25.000,- vast als het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens legt zij de verplichting op aan de veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen. Gezien de schikking wordt geen gijzeling opgelegd bij niet-betaling.
Deze beslissing is genomen in het kader van de strafzaak waarin de veroordeelde eerder is veroordeeld door het Hof Den Haag op 11 juli 2024 voor ernstige strafbare feiten gerelateerd aan de Opiumwet.