ECLI:NL:RBROT:2025:12888

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/10/707897 / JE RK 25-2060
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens escalatie thuis en gedragsproblemen

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 6 oktober 2025 onder toezicht staat en geplaatst is bij een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft op 16 oktober 2025 een zitting gehouden waarbij alle betrokken partijen aanwezig waren, waaronder de ouders, de gecertificeerde instelling en de Raad.

De minderjarige vertoont grensoverschrijdend gedrag en heeft meerdere strafbare feiten gepleegd, waarvoor taakstraffen en jeugdreclassering zijn opgelegd. De thuissituatie is sinds 2024 regelmatig geëscaleerd, met een recente ernstige escalatie op 5 oktober 2025 waarbij de minderjarige zijn moeder zou hebben bedreigd en zijn zusje mishandeld. Dit leidde tot de voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de uithuisplaatsing rust in het gezin heeft gebracht en dat zowel de minderjarige als de moeder gemotiveerd zijn om hulpverlening te accepteren. Ondanks zorgen over het rondhangen van de minderjarige in een vertrouwde omgeving, acht de rechter verlenging van de machtiging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 6 januari 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707897 / JE RK 25-2060
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. H.J.C. de Waard, kantoorhoudende in Zwijndrecht,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [persoon A] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij Cara Care.
2.3.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 6 oktober 2025 tot 6 januari 2026, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van
6 oktober 2025 tot 3 november 2025 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van
drie maanden. Ook verzoekt de Raad een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Er dient nog te worden beslist over het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur tot 6 januari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] passende hulp krijgt en de hulp zal accepteren. De komende periode doet de Raad nader onderzoek of een kinderbeschermingsmaatregel nog nodig is. De Raad zal daarbij het signaal van de moeder dat [voornaam minderjarige] ondanks zijn plaatsing bij Cara Care rondhangt in Papendrecht, in het onderzoek meenemen. Daarbij is opgemerkt dat [voornaam minderjarige] niet is geplaatst binnen de gesloten jeugdhulp en dat hij geen beperkingen heeft in zijn bewegingsruimte. Er moet rekening mee worden gehouden dat Papendrecht een voor [voornaam minderjarige] vertrouwde plek is en dat moet worden bezien hoe hij daarmee omgaat.
4.2.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. Al een geruime periode is de GI in het kader van een jeugdreclasseringsmaatregel bij [voornaam minderjarige] betrokken. Er is geprobeerd om hulpverlening in te zetten, zoals systemische hulp vanuit MDFT en de Waag. Dit is echter niet van de grond gekomen. Ook is hulp vanuit Families First aangevraagd. Er is tevergeefs gezocht naar een plek voor [voornaam minderjarige] buiten de regio. Cara Care is een passende plek bevonden voor [voornaam minderjarige] . De uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] heeft rust in het gezin gebracht. Het is positief dat [voornaam minderjarige] tijdens het kindgesprek met de kinderrechter heeft aangegeven dat hij zijn taakstraf wil afmaken. Voor het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek bij [voornaam minderjarige] zijn er wachtlijsten.
4.3.
Namens de moeder heeft haar advocaat zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Wel is door en namens de moeder aandacht gevraagd voor het volgende. Al jaren vraagt de moeder om hulp. [voornaam minderjarige] heeft moeite om zich te uiten en heeft autisme. Hij dooft zijn problemen met blowen en alcohol. Door de vele hulpverlening is [voornaam minderjarige] overvraagd. Niet alle hulp is passend bij [voornaam minderjarige] . Naar aanleiding van een persoonlijkheidsonderzoek kan duidelijk worden welke hulp passend is voor [voornaam minderjarige] . De moeder vindt het heel naar om in het dossier te lezen dat zij volgens de Raad niet doorpakt. Zij heeft twee keer wegens ziekte een afspraak bij de Waag afgezegd. De vader is niet betrokken. [voornaam minderjarige] zegt zelf hulpverlening af. Hulpverlening geeft hem zelf de keuze. Er wordt geen consequentie verbonden aan het gedrag van [voornaam minderjarige] , ook niet in de strafzaak. Het is een frustrerende en teleurstellende situatie voor de moeder. De moeder is overbelast.
Voor nu is de moeder het eens met de kinderbeschermingsmaatregelen. Zij kon de veiligheid thuis, ook voor het zusje van [voornaam minderjarige] , niet meer waarborgen. Er is nu rust. De moeder twijfelt wel of [voornaam minderjarige] op zijn plek is bij Cara Care, omdat hij doordeweeks in Papendrecht rondhangt. De moeder is wel blij dat [voornaam minderjarige] meer zelfinzicht heeft gekregen en dat hij bij Cara Care rust heeft gevonden. Hulp moet snel worden ingezet en daarmee moeten [voornaam minderjarige] en de moeder aan zichzelf werken.
4.4.
De vader heeft ter zitting verklaard dat hij het eens is met het verzoek van de Raad en dat hij blij is dat [voornaam minderjarige] aan zichzelf werkt en hulpverlening accepteert.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie waarin [voornaam minderjarige] opgroeit en het gedrag van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft moeite om naar de moeder te luisteren en laat grensoverschrijdend gedrag zien. Sinds 2024 is de situatie thuis regelmatig geëscaleerd. De moeder is overbelast. In de afgelopen jaren is [voornaam minderjarige] voor het plegen van strafbare feiten meermalen veroordeeld tot het uitvoeren van taakstraffen en is in het kader van bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering opgelegd. In het kader van de jeugdreclasseringsmaatregel is geprobeerd om trajecten vanuit de Waag, E25, De Waag FAST en Plureyn in te zetten. Deze trajecten zijn onvoldoende van de grond gekomen door het afzeggen van afspraken door de ouders en het ontbreken van motivatie bij [voornaam minderjarige] . De betrokken jongerencoach van E25 heeft moeite het contact met [voornaam minderjarige] in stand te houden.
5.3.
Op 5 oktober 2025 is de situatie thuis opnieuw geëscaleerd, waarbij [voornaam minderjarige] zijn moeder zou hebben bedreigd en zijn zusje heeft mishandeld door haar te slaan. Vervolgens is [voornaam minderjarige] vanwege de zorgen op 6 oktober 2025 voorlopig onder toezicht gesteld en met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Sinds 7 oktober 2025 verblijft [voornaam minderjarige] bij Cara Care. Het is een prille positieve ontwikkeling dat [voornaam minderjarige] en de moeder als gevolg van deze time-out rust ervaren, dat [voornaam minderjarige] erkent dat het niet goed is wat er op 5 oktober 2025 is gebeurd en dat [voornaam minderjarige] en de moeder gemotiveerd zijn om hulpverlening te accepteren zodat [voornaam minderjarige] op termijn weer naar huis kan gaan. Het is dan ook in het belang van [voornaam minderjarige] om zijn plaatsing bij Cara Care voort te zetten.
5.4.
Gelet op al het voorgaande handhaaft de kinderrechter de spoedbeschikking van
6 oktober 2025 en zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verlengen voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot
6 januari 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door
mr. F. Aukema-Hartog, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 28 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.