ECLI:NL:RBROT:2025:12891

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/10/707575 / KG ZA 25-979
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming en vastlegging erfdienstbaarheid na geschil over toegangspad

In deze kortgedingzaak vorderen eiser en eisers dat gedaagde partijen worden veroordeeld tot medewerking aan de notariële vastlegging en inschrijving van een recht van erfdienstbaarheid ten behoeve van hun perceel. De partijen hadden eerder mondeling afspraken gemaakt over het verplaatsen van een toegangspoort buiten de draaicirkel van het huidige hek en het vestigen van de erfdienstbaarheid conform een conceptakte.

Gedaagde partijen weigerden echter mee te werken aan de vastlegging, hetgeen leidde tot deze procedure. De voorzieningenrechter oordeelt dat de uitleg die gedaagde partijen geven aan de afspraken volstrekt onaannemelijk is en dat het proces-verbaal, ondertekend door beide advocaten, duidelijk is over de gemaakte afspraken.

De rechtbank veroordeelt gedaagde partijen om binnen zeven dagen hun medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en legt een dwangsom op van € 1.000 per dag tot een maximum van € 50.000. De vordering tot betaling van extra notariskosten wordt afgewezen wegens onbepaaldheid. Gedaagde partijen worden tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming en medewerking aan notariële vastlegging erfdienstbaarheid binnen zeven dagen met een dwangsom van € 1.000 per dag.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/707575 / KG ZA 25-979
Vonnis in kort geding van 6 november 2025
in de zaak van

1..[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] c.s.,
advocaat: mr. Z.M. Nasir,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,
gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025, met producties 1 tot en met 10;
- producties 1 tot en met 14 van [gedaagde 1] c.s., waarvan een conclusie van antwoord;
- de pleitnota van [eiser] c.s.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 23 oktober 2025 plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] c.s. zijn eigenaar van een stuk grond (hierna te noemen: het pad). Het pad leidt onder andere naar (de achterkant) van het perceel van [eiser] c.s. Zij gebruiken het pad om hun achtertuin en de openbare weg te bereiken.
2.2.
[eiser] c.s. hebben [gedaagde 1] c.s. in rechte betrokken om een recht van erfdienstbaarheid vast te leggen voor het pad. Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 26 juni 2025 onder andere de volgende afspraken gemaakt:
“1. Partij [eiser] zal zijn toegangspoort binnen zes maanden na heden zodanig
verplaatsen dat deze buiten de draaicirkel van het huidige hek valt zoals dit op dit
moment ter plaatse aanwezig is.
2. Op kosten van partij [eiser] zal binnen een maand na heden een erfdienstbaarheid ten gunste van zijn perceel als heersend erf en ten laste van het perceel van [gedaagde 1]
als dienend erf worden gevestigd, met een inhoud die overeenkomt met de
erfdienstbaarheid die ten behoeve van buurman [persoon A] is gevestigd. Dat betekent dat de erfdienstbaarheid wordt gevestigd buiten de draaicirkel van het thans aanwezige hek. Partij [eiser] zal opdracht aan de notaris verstrekken om een concept akte op te stellen conform de akte die ten behoeve van [persoon A] is opgesteld. Voordat de akte wordt gepasseerd zal de notaris het concept aan beide partijen voorleggen.”
2.3.
In opdracht van [eiser] c.s. heeft de notaris de concept-akte voor de vestiging van de erfdienstbaarheid opgesteld. [gedaagde 1] c.s. hebben geweigerd mee te werken aan vestiging van de erfdienstbaarheid.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om uiterlijk zeven dagen na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in de openbare registers van het kadaster conform de conceptakte die als productie 2 aan de dagvaarding is gehecht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 (met een maximum van € 20.000,00) per dag dat [gedaagde 1] c.s. hiermee in gebreke blijven, zulks hoofdelijk;
II. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om uiterlijk zeven dagen na betekening van dit vonnis de extra kosten van de notaris ten gevolge van de weigerachtige houding van [gedaagde 1] c.s. om medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid, waarvan de omvang van deze extra kosten door de notaris nader zal worden bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 (met een maximum van € 10.000,00) voor iedere dag [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijven hieraan te voldoen, zulks hoofdelijk;
III. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde 1] c.s. voeren verweer. [gedaagde 1] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] c.s., met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

[eiser] c.s. zijn ontvankelijk in hun vorderingen
4.1.
[gedaagde 1] c.s. hebben geen gronden gesteld waaruit volgt dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Het niet-geconcretiseerde ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde 1] c.s. wordt daarom verworpen.
[eiser] c.s. hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
4.2.
[eiser] c.s. stellen dat zij een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, omdat partijen afspraken hebben gemaakt die moeten worden nagekomen. Bovendien hebben [gedaagde 1] c.s. aangekondigd zich vrij te achten om de toegang tot het perceel van [eiser] c.s. te blokkeren. Met deze stellingen is het vereiste spoedeisend belang voldoende gegeven.
De zaak is geschikt voor kort geding
4.3.
[gedaagde 1] c.s. stellen dat de nakomingsvordering van [eiser] c.s. niet kan worden toegewezen in kort geding, omdat met het ondertekenen van de notariële akte de erfdienstbaarheid wordt gevestigd en dit onomkeerbare gevolgen heeft. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. De omstandigheid dat de gevolgen van een in kort geding gegeven voorziening feitelijk onomkeerbaar zijn, staat volgens vaste jurisprudentie aan het geven van een dergelijke voorziening niet in de weg.
4.4.
Vervolgens stellen [gedaagde 1] c.s. dat de voorzieningenrechter geen definitieve uitleg kan geven van een overeenkomst, omdat uitleg van een overeenkomst een diepgaand feitenonderzoek vergt. Dit verweer wordt ook verworpen. Partijen hebben immers afspraken gemaakt op een zitting na een uitgebreid debat over de feiten.
Wat hebben partijen afgesproken?
4.5.
Bij de uitleg van een overeenkomst komt het niet alleen aan op een zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de
Haviltex-norm). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
4.6.
Volgens [eiser] c.s. hebben partijen afgesproken dat zij hun toegangshek zodanig moeten verplaatsen dat het hek buiten de draaicirkel van het huidige hek valt. Zolang de toegangspoort buiten de draaicirkel valt, mogen zij zelf bepalen waar zij de toegangspoort plaatsen. [gedaagde 1] c.s. stellen dat zij onder de voorwaarde dat de toegangspoort vanuit hun perceel gezien naar het meest linker gedeelte van het perceel van [eiser] c.s. wordt verplaatst, akkoord zijn gegaan met vestiging van de erfdienstbaarheid.
4.7.
De voorzieningenrechter acht de uitleg die [gedaagde 1] c.s. geven aan de gemaakte afspraken volstrekt onaannemelijk. In het proces-verbaal staat niet een maar twee keer dat de toegangspoort zodanig moet worden verplaatst dat deze buiten de draaicirkel van het huidige hek valt. Het proces-verbaal is ondertekend door beide advocaten. Dat iets heel anders bedoeld is dan in het proces-verbaal is opgenomen, is in die situatie ongeloofwaardig. Dat in punt 2 slechts feitelijk herhaald wordt wat in punt 1 staat, zoals [gedaagde 1] c.s. stellen, maakt dit niet anders. Dat [gedaagde 1] c.s. in het kader van het bereiken van een schikking om een einde aan het geschil te maken, mogelijk, iets anders hebben gewild dan is vastgelegd in het proces-verbaal, betekent niet dat een andere lezing aan het proces-verbaal kan worden gegeven. De verklaring van de vader van [gedaagde 1] maakt het voorgaande evenmin anders. Zijn verklaring is in zekere mate partijdig, omdat hij de vader van [gedaagde 1] is. Bovendien is het zijn beleving van wat er is afgesproken en deze beleving is in tegenspraak met een ondertekend proces-verbaal dat is opgemaakt door de bodemrechter.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde 1] c.s. het proces-verbaal moeten nakomen. [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om uiterlijk zeven dagen na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in de openbare registers van het kadaster conform de conceptakte die als productie 2 aan de dagvaarding is gehecht.
Er wordt een dwangsom opgelegd
4.9.
[gedaagde 1] c.s. hebben afspraken gemaakt met [eiser] c.s. die zij vervolgens niet nakomen. Uit de overgelegde stukken blijkt tevens dat [gedaagde 1] c.s. eerder in rechte zijn betrokken voor nakoming van gemaakte afspraken ten aanzien van de vestiging van een erfdienstbaarheid van een andere buurman. De voorzieningenrechter ziet in die omstandigheden aanleiding om een hogere dwangsom op te leggen dan gevorderd. Een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- wordt een voldoende prikkel tot nakoming geacht.
4.10.
De dwangsomveroordeling wordt als niet weersproken hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De geldvordering wordt afgewezen
4.11.
[eiser] c.s. vorderen [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot de extra kosten van de notaris. Deze vordering is een geldvordering. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening is vereist – of er spoedeisend belang bestaat – en of er een restitutierisico is. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af, omdat deze onbepaalbaar is. In de vordering is geen concreet bedrag opgenomen. Op dit moment is nog niet duidelijk of de notaris extra kosten berekent en zo ja, hoeveel deze dan bedragen. Dat betekent dat de deurwaarder bij executie van het vonnis niet weet welk bedrag hij bij [gedaagde 1] c.s. moet incasseren.
4.12.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat op veroordelingen tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden opgelegd (artikel 611a lid 1 Rv).
[gedaagde 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
4.13.
[gedaagde 1] c.s. krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.762,43
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om uiterlijk zeven dagen na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in de openbare registers van het kadaster conform de conceptakte die als productie 2 aan de dagvaarding is gehecht;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiser] c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling in 5.1 voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten van € 1.762,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025. 3608/2009