In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een stichting als eiseres en een gedaagde die zelf procedeert. De eiseres, een verhuurder, vorderde betaling van een huurachterstand van € 892,21, vermeerderd met rente en proceskosten. De gedaagde had een huurachterstand opgebouwd van € 2.807,13, maar na gedeeltelijke betalingen was er nog een bedrag van € 796,95 open, plus € 95,26 rente. De eiseres heeft haar eis verminderd en vorderde nu alleen nog betaling van het resterende bedrag. De gedaagde stemde in met de vordering, die door de kantonrechter werd toegewezen. De kantonrechter heeft ook de proceskosten aan de gedaagde opgelegd, die in totaal € 1.016,45 bedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de eiseres het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, ook als de gedaagde in hoger beroep gaat. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst op oneerlijke bepalingen in de huurvoorwaarden, maar deze bleken niet aanwezig te zijn.