Vleeschmeester c.s. vordert vernietiging van een recht van hypotheek dat gedaagden 3 en 4 op hun woning hebben gevestigd ten gunste van gedaagden 1 en 2. Eisers stellen dat dit recht van hypotheek paulianeus is, omdat het een onverplichte rechtshandeling betreft die hen benadeelt in hun verhaalsmogelijkheden.
De rechtbank onderzoekt of de vestiging van het recht van hypotheek een onverplichte rechtshandeling is. Gedaagden stellen dat er een geldleningsovereenkomst uit maart 2023 bestaat waarin zekerheid is bedongen, maar eisers betwisten de datum en het bestaan van deze lening. Gedaagden hebben onvoldoende bewijs geleverd om hun stellingen te onderbouwen, waaronder het niet overleggen van originele stukken en bankafschriften.
De rechtbank concludeert dat de vestiging van het recht van hypotheek onverplicht was en dat eisers door deze vestiging zijn benadeeld. Tevens is vastgesteld dat alle gedaagden wisten of behoorden te weten dat deze handeling eisers zou benadelen. Daarom wordt het recht van hypotheek vernietigd en worden gedaagden veroordeeld in de proceskosten.