ECLI:NL:RBROT:2025:12964

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
ROT 24/11796
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens niet toekennen forfaitair bedrag bij lichte toets Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres heeft op 28 juni 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen wees deze aanvraag af bij besluit van 31 mei 2022, omdat bij de lichte toets werd vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van €30.000. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 12 november 2024. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het besluit over de integrale beoordeling nog niet in rechte vaststaat. De integrale beoordeling, die uitgebreider is dan de lichte toets, is op 10 februari 2025 aan eiseres medegedeeld en bevestigt dat zij geen gedupeerde is. De rechtbank benadrukt dat de lichte toets een snelle, beperkte beoordeling is die niet alle feiten en omstandigheden omvat.

Eiseres voerde aan dat ondoorzichtige incassopraktijken en wijzigingen in toeslagjaren 2016-2018 onterecht zijn meegenomen, maar deze omstandigheden vallen volgens de rechtbank buiten het kader van de lichte toets en zijn geschikt voor de integrale beoordeling. De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit van de Dienst Toeslagen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

Eiseres komt volgens de Dienst Toeslagen bij de lichte toets niet in aanmerking voor een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het beroep is ontvankelijk omdat het besluit over de integrale beoordeling nog niet in rechte vaststaat. De omstandigheden die eiseres aanvoert vallen niet binnen het beoordelingskader bij de lichte toets. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
Met het besluit van 31 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van artikel 2.7 van de Wht.
4.1.
Met een besluit van 12 november 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 mei 2022 ongegrond verklaard.
4.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep van eiseres gereageerd met een verweerschrift.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande afmelding, niet verschenen op de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres heeft op 28 juni 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Deze aanvraag is na de eerste toets afgewezen met het besluit van 31 mei 2022.
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit gesteld dat het bezwaar ongegrond is. De uitkomst van de eerste toets is vastgesteld aan de hand van de gegevens die de Dienst Toeslagen tot haar beschikking had (voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de kinderopvangtoeslag). Conform het kader dat geldt bij de lichte toets is vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- omdat er ten aanzien van de jaren 2010 tot en met 2019 correcties hebben plaatsgevonden die te maken hebben met door eiseres opgestuurde informatie dan wel wijzigingen in toetsingsinkomen. Het gaat hier om reguliere correcties en niet om wijzigingen als gevolg van vooringenomen handelen van de belastingdienst, ook is er geen sprake van opzet/grove schuld.
9. De situatie van eiseres is inmiddels integraal beoordeeld. Deze beoordeling is bij het besluit van 10 februari 2025 aan eiseres medegedeeld. Uit deze beoordeling blijkt dat eiseres geen gedupeerde is en daarom ook geen recht heeft op compensatie. Omdat bij de integrale beoordeling ook de onderdelen van de eerste toets opnieuw worden beoordeeld, kan met een beoordeling van het bezwaar tegen de eerste toets volgens de Dienst Toeslagen niet worden bereikt dat eiseres alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt.
10. De Dienst Toeslagen heeft zich, onder verwijzing naar uitspraken van andere rechtbanken, primair op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit, nu de Dienst Toeslagen inmiddels met een besluit van 10 februari 2025 de aanvraag van eiseres om compensatie heeft afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale beoordeling, neergelegd in het besluit van 10 februari 2025. Deze procedure loopt nog. Subsidiair vindt Dienst Toeslagen dat het beroep ongegrond is.
11.2.
Voor de ontvankelijkheid in beroep is vereist dat eiseres voldoende procesbelang heeft. Daarvan is sprake als het resultaat dat eiseres nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres ook feitelijk betekenis kan hebben. [1]
11.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiseres ontvankelijk. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit over de integrale beoordeling van 10 februari 2025. Dat besluit staat nog niet in rechte vast. De rechtbank is daarom niet gebonden aan de vaststelling van de Dienst Toeslagen in dat besluit dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De rechtbank kan in deze zaak oordelen dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht. In dat geval zou de Dienst Toeslagen aan eiseres een forfaitair bedrag van € 30.000,- moeten betalen. Het resultaat dat eiseres nastreeft, kan dus daadwerkelijk worden bereikt en dat resultaat heeft voor haar feitelijk betekenis. [2]
12. Eiseres stelt dat zij in het kader van de eerste, lichte toets voor de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018 gecompenseerd zou moeten worden. Eiseres vindt dat het uitzoeken van betalingen en verrekeningen via de LIC-overzichten onderdeel moet uitmaken van de eerste toets. De Dienst Toeslagen heeft volgens eiseres ondoorzichtige en onterechte incassopraktijken gehanteerd, waarbij onterecht is geïnd op een betalingsregeling, ondanks dat de oorspronkelijke vordering al was afgelost. Eiseres betwist ook dat de wijzigingen in de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018 van haar afkomstig zijn of terug te voeren zijn op wijzigingen in het toetsingsinkomen.
13.1.
Bij de lichte toets wordt aan de hand van een data-analyse in de systemen van Dienst Toeslagen beoordeeld of een ouder ten onrechte kinderopvangtoeslag heeft moeten terugbetalen. Indien dit het geval is wordt een ouder aangemerkt als gedupeerde en heeft de ouder recht op een forfaitair bedrag van € 30.000,-. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de lichte toets bedoeld is als snelle maar beperkte beoordeling, waarbij wordt vastgesteld of een ouder gedupeerd is. Bij deze toets worden niet alle op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden getoetst. Toetsen op alle feiten en omstandigheden zou een snelle toekenning van het forfaitaire bedrag belemmeren [3] . Na de lichte toets volgt een integrale beoordeling, waarin het verhaal van de ouder en alle relevante omstandigheden worden onderzocht en er een uitgebreider onderzoek naar de situatie van de ouder plaatsvindt.
13.3.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die door eiseres zijn aangevoerd niet onder de beoordeling in het kader van de lichte toets vallen. Deze omstandigheden vereisen een gedetailleerdere beoordeling aan de hand van handmatig op te stellen stukken zoals LIC-overzichten, die niet mogelijk is binnen het beperkte kader van de lichte toets. Derhalve zijn deze aspecten bij uitstek geschikt voor beoordeling tijdens de integrale beoordeling, waar een uitgebreider onderzoek naar de situatie van eiseres kan plaatsvinden. Deze procedure loopt nog.
13.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen met inachtneming van het geschetste karakter van de lichte toets terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. De Dienst Toeslagen heeft gemotiveerd toegelicht waar de wijzigingen en stopzettingen van kinderopvangtoeslag vandaan kwamen en waarom dit in de beperkte, lichte toets niet leidt tot toekenning van het forfaitaire bedrag. De argumenten die eiseres in deze procedure naar voren brengt kunnen aan bod komen in de procedure over de integrale beoordeling.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:325, r.o. 3.
2.Zie ook Rb. Rotterdam 16 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3348, r.o. 11.