4.1.Verzoekster voert daartoe aan dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. De ondersteuningsvraag is onvoldoende in kaart gebracht. Het college heeft te snel de conclusie getrokken dat slechts sprake is van een huisvestingsprobleem. Het gaat hier echter om een kwetsbaar gezin dat is gevlucht uit oorlogsgebied. Er is wel degelijk (ook) sprake van psychosociale problemen. Door de huisvestingsproblematiek zijn die problemen alleen maar verergerd. Van zelfredzaamheid is geen sprake. De twee oudste dochters willen inmiddels niet meer naar school en ontwikkelen depressieve klachten. De toenemende zorgen van de school om de kinderen zijn door het college onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Verzoekster betwist niet dat zij de verkeerde keuze heeft gemaakt door het foute advies van haar broer te volgen en naar Vlaardingen te komen. Dit mag haar echter niet blijvend worden tegengeworpen. Daarbij is er volgens verzoekster zeker geen sprake van dat zij een aangeboden woning in de gemeente Dalfsen heeft geweigerd. Helaas heeft haar broer sinds de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter het contact met verzoekster en haar kinderen verbroken, waardoor iedere vorm van opvang en hulp door de familie is weggevallen. De kinderen kunnen volgens de informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) ook niet bij hun vader in het AZC verblijven, omdat zij inmiddels een verblijfsstatus hebben. Verder hebben meerdere hulpverleningsinstanties inmiddels geweigerd het gezin te helpen. De commissie bezwaarschriften heeft het college daarom verzocht een actieve(re) rol te spelen in het vinden van een passende oplossing voor deze situatie. Vooralsnog heeft het college niet aan die inspanningsverplichting voldaan.
5. Niet in geschil is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Verzoekster en de kinderen zijn op kosten van de gemeente Vlaardingen tot (uiteindelijk) 13 oktober 2025 opgevangen in een hotel. Sinds die datum staan zij feitelijk op straat en zijn ze dus dakloos.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Verzoekster heeft eerder, in afwachting van een besluit op haar bezwaar, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 7 augustus 2025 inhoudelijk uitspraak gedaan op dat verzoek (ROT 25/5698) en het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter kwam tot het oordeel dat verzoekster voornamelijk een huisvestingsprobleem heeft en niet behoort tot de groep van personen waarvoor de maatschappelijke opvang is bedoeld. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor zichzelf en haar kinderen te voorzien. De voorzieningenrechter was tevens van oordeel dat het college voldoende kennis heeft vergaard en de problematiek van verzoekster en de kinderen voldoende in kaart heeft gebracht. Verzoekster zou met de hulp van haar familie in staat moeten zijn om zelf de verantwoordelijkheid voor de belangen van haar kinderen te nemen.
8. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat bezwaar of beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het bestuursorgaan ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopige oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit is slechts anders als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter, dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
9. De voorzieningenrechter is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van 7 augustus 2025 niet gebleken. Het gaat hier dus vooral om de vraag of sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat hier het geval is. Hij heeft gelet op wat is aangevoerd twijfel of staande kan worden gehouden dat verzoekster voornamelijk een huisvestingsprobleem heeft. De voorzieningenrechter vindt de situatie van de kinderen bijzonder zorgwekkend. De door verzoekster ingeroepen bepalingen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) zouden in een situatie zoals hier aan de orde de doorslag moeten geven. Die bepalingen brengen met zich mee dat de uitspraak in beroep moet kunnen worden afgewacht zonder dat de kinderen in de tussentijd op straat moeten leven.
11. De voorzieningenrechter begrijpt uit wat partijen op de zitting naar voren hebben gebracht dat, ook door (bemiddeling van) de gemeente, al van alles in het werk is gesteld om opvang voor verzoekster en de kinderen te vinden. Het Rode Kruis heeft aanvankelijk voor opvang gezorgd, waarna de gemeente de opvang (uit coulance) heeft verlengd tot uiteindelijk 13 oktober 2025. Verzoekster is inmiddels op de wachtlijst van het Wijkteam geplaatst, met een urgentie. Verder begrijpt de voorzieningenrechter dat het gezin na de heenzending uit het hotel op 13 oktober 2025 feitelijk op straat is komen te staan. Vervolgens hebben zij zich naar eigen zeggen eerst bij Stroomopwaarts gemeld en daarna bij de politie in Vlaardingen. Volgens de gemachtigde van het college was met de politie afgesproken dat het crisisinterventieteam (CIV) zou worden ingeschakeld, indien het gezin daadwerkelijk op straat dreigde te komen staan. Op de zitting is echter duidelijk geworden dat het CIV uiteindelijk niet bij de situatie is betrokken en dat verzoekster en de kinderen weer door de politie zijn heengezonden en in een bushalte hebben verbleven. Uit wat verzoekster op de zitting heeft verteld maakt de voorzieningenrechter verder op dat verzoekster er vanaf nu niet meer op kan vertrouwen dat (incidentele) opvang door familie een reële optie is. De voorzieningenrechter vindt dit bijzonder zorgelijk omdat deze gang van zaken ertoe heeft geleid dat verzoekster en de kinderen nu op straat staan. Dat kinderen in deze situatie dagelijks in totale onzekerheid verkeren over de vraag of, en zo ja waar, zij een dak boven hun hoofd hebben, een plek om te wonen en te slapen, vindt de voorzieningenrechter onaanvaardbaar.
12. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook nadrukkelijk mee dat op de zitting niet met zekerheid is komen vast te staan dat verzoekster daadwerkelijk een aangeboden woning in de gemeente Dalfsen heeft geweigerd. Dit is voor het college wel steeds het voornaamste uitgangspunt geweest om het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang af te wijzen. Verzoekster is immers steeds tegengeworpen dat zij haar huisvestingsprobleem zelf heeft veroorzaakt. Echter, met de uiteenlopende lezing van partijen over de feitelijke toedracht en wat hierover op de zitting verder naar voren is gebracht, staat voor de voorzieningenrechter helemaal niet vast dat sprake was van een concreet woningaanbod dat verzoekster daadwerkelijk heeft geweigerd.
13. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure aan het belang van verzoekster en de kinderen in dit geval doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.
14. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen en bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat verzoekster en de kinderen opvang moeten krijgen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
15. Daarbij doet zich vervolgens de vraag voor wie of welke instantie op dit moment het meest verantwoordelijk is om het acute huisvestingsprobleem van verzoekster en haar kinderen op te lossen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die verantwoordelijkheid in dit geval bij het COA ligt. Verzoekster en haar kinderen zijn immers statushouders. De voorzieningenrechter verzoekt daarom de gemachtigde, en alle hulpinstanties om verzoekster heen, met klem om contact op te nemen met het COA, de situatie van verzoekster en de kinderen daar nogmaals aan te kaarten en daarbij druk uit te oefenen op het COA om de opvang van verzoekster en de kinderen te regelen. Overigens is daarmee zeker niet gezegd dat verzoekster woonruimte in Vlaardingen zou moeten krijgen. Dit kan ook woonruimte elders in Nederland zijn. De voorzieningenrechter zal het college daarbij opdragen om verzoekster en de kinderen voorlopig maatschappelijke opvang te bieden, totdat het COA een definitieve oplossing voor het huisvestingsprobleem heeft gevonden.
16. Wat betreft het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte geeft de voorzieningenrechter het college nog mee dat in de beroepsprocedure nog eens goed zal worden beoordeeld of de hulpvraag overeenkomstig het in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning toe te passen stappenplan in bezwaar op juiste wijze in kaart is gebracht en of deze, gelet op alles wat door en namens verzoekster op de zitting naar voren is gebracht, ten tijde van het besluit op bezwaar niet moest worden verbreed. De voorzieningenrechter kan op dit moment niet overzien of de uitkomst van dit onderzoek zal zijn dat ook het huisvestingsprobleem van verzoekster door het college moet worden opgelost. Dit zal in beroep nader moeten worden bekeken. Omdat op dit moment echter in het belang van verzoekster en de kinderen wel iets op het gebied van huisvesting moet gebeuren is de gemeente Vlaardingen, gelet op haar betrokkenheid, op dit moment de meest aangewezen instantie om daarvoor zorg te dragen. Daarbij is niet alleen van belang dat de kinderen niet op straat komen te staan, maar ook dat zij bij hun moeder kunnen blijven. Het bieden van maatschappelijke opvang aan alleen de kinderen zou mogelijk tot gevolg kunnen hebben dat de kinderen van hun moeder worden gescheiden, hetgeen de voorzieningenrechter (zeker in de gegeven situatie) niet wenselijk vindt.