ECLI:NL:RBROT:2025:13033

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
ROT 25/7841
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang van een vluchteling met kinderen

In deze zaak heeft verzoekster, een vluchtelinge met drie minderjarige kinderen, een aanvraag ingediend voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij van mening was dat verzoekster in staat was om zelfstandig onderdak te vinden. Eerder was een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening op 16 oktober 2025 behandeld en heeft geoordeeld dat er sprake is van een belangrijke wijziging in de omstandigheden. Verzoekster en haar kinderen stonden sinds 13 oktober 2025 feitelijk op straat, wat de situatie bijzonder zorgwekkend maakte. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er geen bewijs was dat verzoekster een concreet woningaanbod had geweigerd, zoals het college had gesteld. Gezien de omstandigheden heeft de voorzieningenrechter besloten dat het belang van verzoekster en haar kinderen zwaarder weegt dan de belangen van het college. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het college opgedragen om verzoekster en haar kinderen maatschappelijke opvang te bieden totdat er een definitieve oplossing is gevonden door het COA. Tevens is het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7841
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit Vlaardingen, verzoekster, mede namens haar drie minderjarige kinderen,
(gemachtigde: mr. M.F.C. Gommans),
en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. B.C. Tuitert).

Inleiding

1.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2025 afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer ROT 25/5698.
1.2.
Met de uitspraak van 7 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
1.3.
Op 12 september 2025 heeft de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden. De commissie bezwaarschriften heeft op 16 september 2025 advies uitgebracht.
1.4.
Met het besluit op bezwaar van 9 oktober 2025 heeft het college, in navolging van dat advies, het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep (ROT 25/7840) ingesteld en de voorzieningenrechter wederom gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. J. Nieuwstraten, en vergezeld door haar echtgenoot en kinderen, en de gemachtigde van het college. Verder zijn verschenen: [naam 1], ondersteunings-coördinator van de school, en [naam 2], tolk.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2.1.
Verzoekster is in 2024 met haar kinderen (15, 13 en 3 jaar) als vluchteling naar Nederland gekomen. Op 14 mei 2024 is zij met haar kinderen in het asielzoekerscentrum (AZC) in Zwolle geplaatst. Verzoekster en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit en zijn in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig tot 7 september 2028. In oktober 2024 heeft verzoekster met haar kinderen het AZC in Zwolle verlaten en is zij tijdelijk ingetrokken bij haar familie in Vlaardingen.
2.2.
Op 2 februari 2025 heeft verzoekster zich bij het college gemeld met het verzoek om met haar kinderen tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten. Van 5 augustus tot 22 september 2025 hebben zij opvang gehad in een hotel, via het Rode Kruis. In navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft de gemeente Vlaardingen de opvang in een hotel tot (uiteindelijk) 13 oktober 2025 verlengd.
2.3.
De vader van het gezin verblijft op dit moment in een AZC in Dordrecht in afwachting van een beslissing op zijn (herhaalde) asielaanvraag.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft het verzoek om toegang tot de maatschappelijke opvang afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om voor maatschappelijke opvang in aanmerking te komen. Volgens het college heeft verzoekster voornamelijk een huisvestingsprobleem. Dat heeft zij volgens het college zelf veroorzaakt door een aangeboden woning in Dalfsen te weigeren, uit eigen beweging het AZC in Zwolle te verlaten en onvoorbereid naar Vlaardingen te komen, waar haar familie verblijft. Het college acht verzoekster daarom zelfstandig in staat om, desnoods met hulp van haar familie, zelf voor onderdak voor zichzelf en haar kinderen te zorgen. Zij behoort daarom niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang. Met het bestreden besluit is het college bij die beslissing gebleven.
4. Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan haar en haar kinderen maatschappelijke
opvang wordt verleend totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
4.1.
Verzoekster voert daartoe aan dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. De ondersteuningsvraag is onvoldoende in kaart gebracht. Het college heeft te snel de conclusie getrokken dat slechts sprake is van een huisvestingsprobleem. Het gaat hier echter om een kwetsbaar gezin dat is gevlucht uit oorlogsgebied. Er is wel degelijk (ook) sprake van psychosociale problemen. Door de huisvestingsproblematiek zijn die problemen alleen maar verergerd. Van zelfredzaamheid is geen sprake. De twee oudste dochters willen inmiddels niet meer naar school en ontwikkelen depressieve klachten. De toenemende zorgen van de school om de kinderen zijn door het college onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Verzoekster betwist niet dat zij de verkeerde keuze heeft gemaakt door het foute advies van haar broer te volgen en naar Vlaardingen te komen. Dit mag haar echter niet blijvend worden tegengeworpen. Daarbij is er volgens verzoekster zeker geen sprake van dat zij een aangeboden woning in de gemeente Dalfsen heeft geweigerd. Helaas heeft haar broer sinds de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter het contact met verzoekster en haar kinderen verbroken, waardoor iedere vorm van opvang en hulp door de familie is weggevallen. De kinderen kunnen volgens de informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) ook niet bij hun vader in het AZC verblijven, omdat zij inmiddels een verblijfsstatus hebben. Verder hebben meerdere hulpverleningsinstanties inmiddels geweigerd het gezin te helpen. De commissie bezwaarschriften heeft het college daarom verzocht een actieve(re) rol te spelen in het vinden van een passende oplossing voor deze situatie. Vooralsnog heeft het college niet aan die inspanningsverplichting voldaan.
Spoedeisend belang
5. Niet in geschil is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Verzoekster en de kinderen zijn op kosten van de gemeente Vlaardingen tot (uiteindelijk) 13 oktober 2025 opgevangen in een hotel. Sinds die datum staan zij feitelijk op straat en zijn ze dus dakloos.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Verzoekster heeft eerder, in afwachting van een besluit op haar bezwaar, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 7 augustus 2025 inhoudelijk uitspraak gedaan op dat verzoek (ROT 25/5698) en het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter kwam tot het oordeel dat verzoekster voornamelijk een huisvestingsprobleem heeft en niet behoort tot de groep van personen waarvoor de maatschappelijke opvang is bedoeld. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor zichzelf en haar kinderen te voorzien. De voorzieningenrechter was tevens van oordeel dat het college voldoende kennis heeft vergaard en de problematiek van verzoekster en de kinderen voldoende in kaart heeft gebracht. Verzoekster zou met de hulp van haar familie in staat moeten zijn om zelf de verantwoordelijkheid voor de belangen van haar kinderen te nemen.
8. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat bezwaar of beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het bestuursorgaan ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopige oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit is slechts anders als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter, dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
9. De voorzieningenrechter is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van 7 augustus 2025 niet gebleken. Het gaat hier dus vooral om de vraag of sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat hier het geval is. Hij heeft gelet op wat is aangevoerd twijfel of staande kan worden gehouden dat verzoekster voornamelijk een huisvestingsprobleem heeft. De voorzieningenrechter vindt de situatie van de kinderen bijzonder zorgwekkend. De door verzoekster ingeroepen bepalingen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) zouden in een situatie zoals hier aan de orde de doorslag moeten geven. Die bepalingen brengen met zich mee dat de uitspraak in beroep moet kunnen worden afgewacht zonder dat de kinderen in de tussentijd op straat moeten leven.
11. De voorzieningenrechter begrijpt uit wat partijen op de zitting naar voren hebben gebracht dat, ook door (bemiddeling van) de gemeente, al van alles in het werk is gesteld om opvang voor verzoekster en de kinderen te vinden. Het Rode Kruis heeft aanvankelijk voor opvang gezorgd, waarna de gemeente de opvang (uit coulance) heeft verlengd tot uiteindelijk 13 oktober 2025. Verzoekster is inmiddels op de wachtlijst van het Wijkteam geplaatst, met een urgentie. Verder begrijpt de voorzieningenrechter dat het gezin na de heenzending uit het hotel op 13 oktober 2025 feitelijk op straat is komen te staan. Vervolgens hebben zij zich naar eigen zeggen eerst bij Stroomopwaarts gemeld en daarna bij de politie in Vlaardingen. Volgens de gemachtigde van het college was met de politie afgesproken dat het crisisinterventieteam (CIV) zou worden ingeschakeld, indien het gezin daadwerkelijk op straat dreigde te komen staan. Op de zitting is echter duidelijk geworden dat het CIV uiteindelijk niet bij de situatie is betrokken en dat verzoekster en de kinderen weer door de politie zijn heengezonden en in een bushalte hebben verbleven. Uit wat verzoekster op de zitting heeft verteld maakt de voorzieningenrechter verder op dat verzoekster er vanaf nu niet meer op kan vertrouwen dat (incidentele) opvang door familie een reële optie is. De voorzieningenrechter vindt dit bijzonder zorgelijk omdat deze gang van zaken ertoe heeft geleid dat verzoekster en de kinderen nu op straat staan. Dat kinderen in deze situatie dagelijks in totale onzekerheid verkeren over de vraag of, en zo ja waar, zij een dak boven hun hoofd hebben, een plek om te wonen en te slapen, vindt de voorzieningenrechter onaanvaardbaar.
12. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook nadrukkelijk mee dat op de zitting niet met zekerheid is komen vast te staan dat verzoekster daadwerkelijk een aangeboden woning in de gemeente Dalfsen heeft geweigerd. Dit is voor het college wel steeds het voornaamste uitgangspunt geweest om het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang af te wijzen. Verzoekster is immers steeds tegengeworpen dat zij haar huisvestingsprobleem zelf heeft veroorzaakt. Echter, met de uiteenlopende lezing van partijen over de feitelijke toedracht en wat hierover op de zitting verder naar voren is gebracht, staat voor de voorzieningenrechter helemaal niet vast dat sprake was van een concreet woningaanbod dat verzoekster daadwerkelijk heeft geweigerd.
13. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure aan het belang van verzoekster en de kinderen in dit geval doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.
14. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen en bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat verzoekster en de kinderen opvang moeten krijgen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
15. Daarbij doet zich vervolgens de vraag voor wie of welke instantie op dit moment het meest verantwoordelijk is om het acute huisvestingsprobleem van verzoekster en haar kinderen op te lossen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die verantwoordelijkheid in dit geval bij het COA ligt. Verzoekster en haar kinderen zijn immers statushouders. De voorzieningenrechter verzoekt daarom de gemachtigde, en alle hulpinstanties om verzoekster heen, met klem om contact op te nemen met het COA, de situatie van verzoekster en de kinderen daar nogmaals aan te kaarten en daarbij druk uit te oefenen op het COA om de opvang van verzoekster en de kinderen te regelen. Overigens is daarmee zeker niet gezegd dat verzoekster woonruimte in Vlaardingen zou moeten krijgen. Dit kan ook woonruimte elders in Nederland zijn. De voorzieningenrechter zal het college daarbij opdragen om verzoekster en de kinderen voorlopig maatschappelijke opvang te bieden, totdat het COA een definitieve oplossing voor het huisvestingsprobleem heeft gevonden.
16. Wat betreft het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte geeft de voorzieningenrechter het college nog mee dat in de beroepsprocedure nog eens goed zal worden beoordeeld of de hulpvraag overeenkomstig het in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning toe te passen stappenplan in bezwaar op juiste wijze in kaart is gebracht en of deze, gelet op alles wat door en namens verzoekster op de zitting naar voren is gebracht, ten tijde van het besluit op bezwaar niet moest worden verbreed. De voorzieningenrechter kan op dit moment niet overzien of de uitkomst van dit onderzoek zal zijn dat ook het huisvestingsprobleem van verzoekster door het college moet worden opgelost. Dit zal in beroep nader moeten worden bekeken. Omdat op dit moment echter in het belang van verzoekster en de kinderen wel iets op het gebied van huisvesting moet gebeuren is de gemeente Vlaardingen, gelet op haar betrokkenheid, op dit moment de meest aangewezen instantie om daarvoor zorg te dragen. Daarbij is niet alleen van belang dat de kinderen niet op straat komen te staan, maar ook dat zij bij hun moeder kunnen blijven. Het bieden van maatschappelijke opvang aan alleen de kinderen zou mogelijk tot gevolg kunnen hebben dat de kinderen van hun moeder worden gescheiden, hetgeen de voorzieningenrechter (zeker in de gegeven situatie) niet wenselijk vindt.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter draagt het college daarbij op om verzoekster en de kinderen voorlopig maatschappelijke opvang te bieden totdat het COA een definitieve oplossing voor het huisvestingsprobleem heeft gevonden.
18. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 9 oktober 2025 en treft de voorlopige voorziening zoals hiervoor onder 15. en 17. genoemd, inhoudende dat verzoekster en haar kinderen tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.