ECLI:NL:RBROT:2025:13063

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
11296594 CV EXPL24-22587
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake achterstallig salaris en inschaling arts-promovendus bij Erasmus MC

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 24 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [eiseres], en haar werkgever, het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC). De werknemer was in dienst getreden op 22 oktober 2023 als arts-promovendus, maar er ontstond onenigheid over de hoogte van haar salaris bij aanvang van het dienstverband. De werknemer stelde dat zij te laag was ingeschaald, omdat haar ervaringsjaren als arts-assistent niet waren meegeteld. De kantonrechter had eerder in een tussenvonnis op 4 april 2025 de werknemer opgedragen bewijs te leveren van haar stelling dat Erasmus MC in de praktijk ook ervaringsjaren als arts-assistent meetelt bij de inschaling. De werknemer heeft dit bewijs geleverd, wat leidde tot de conclusie dat zij inderdaad te laag was ingeschaald.

De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer tot betaling van achterstallig salaris toegewezen. Erasmus MC werd veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen over specifieke periodes, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Daarnaast werd Erasmus MC verplicht om wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10% te betalen over de achterstallige bedragen. De kantonrechter heeft ook de proceskosten aan de zijde van de werknemer toegewezen, omdat Erasmus MC grotendeels ongelijk kreeg. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de werknemer het vonnis onmiddellijk kan laten uitvoeren, ook als Erasmus MC in hoger beroep gaat.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11296594 CV EXPL 24-22587
datum uitspraak: 24 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. H. Romeijn,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC),
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.G.A.M. van Terwisga.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘Erasmus MC’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 4 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte overlegging producties van [eiseres] ;
  • de rolbeslissing van 16 mei 2025;
  • de akte van [eiseres] ;
  • de akte houdende uitlating producties en bewijs van Erasmus MC;
  • de brief van 10 juli 2025 van Erasmus MC, met daarin opgenomen een correctie voor ‘punt III conclusie van punt 16’ in de akte;
  • de rolbeslissing van 25 juli 2025;
  • de akte houdende uitlating van Erasmus MC.
1.2.
De kantonrechter merkt op dat in het tussenvonnis van 4 april 2025 twee storende typefouten zijn geslopen bij de data met betrekking tot de werkervaring van [eiseres] . Bij het eerste gedachtestreepje onder 2.10 is opgenomen:

15 juni 20213 tot en met 31 juli 2024”; dat moet zijn “
15 juni 2013 tot en met 31 juli 2014”.
Bij het tweede gedachte streepje onder 2.10 is opgenomen:

1 september 2014 tot en met 30 september 2025”; dat moet zijn “
1 september 2014 tot en met 30 september 2015”.

2.De verdere beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] is op 22 oktober 2023 bij Erasmus MC in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van de opleiding (bepaalde tijd) in de functie van arts-promovendus. Tussen partijen is discussie ontstaan over het salaris dat (bij aanvang van het dienstverband) aan [eiseres] is toegekend. Volgens [eiseres] is zij te laag ingeschaald en heeft zij nog aanspraak op betaling van achterstallig salaris. Erasmus MC is het hier niet mee eens. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke ervaringsjaren van [eiseres] meetellen bij de inschaling als arts-promovendus.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter aan [eiseres] bewijs opgedragen van haar stelling dat Erasmus MC in de praktijk ook de ervaringsjaren als arts-assistent, niet (mede) werkzaam op het gebied van onderzoek, meetelt bij de inschaling in de functie van arts-promovendus. Als vast komt te staan dat dit inderdaad het geval is, dan had Erasmus MC, als goed werkgever, hetzelfde beleid ook moeten toepassen bij de inschaling van [eiseres] .
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] het opgedragen bewijs heeft geleverd en dat daarmee vast is komen te staan dat [eiseres] destijds te laag is ingeschaald. De vordering van [eiseres] tot betaling van achterstallig salaris zal daarom worden toegewezen. Ook de nevenvorderingen komen voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat de kantonrechter de wettelijke verhoging zal matigen. Hierna worden deze beslissingen toegelicht.
Schriftelijk bewijs
2.4.
Ter voldoening aan haar bewijsopdracht heeft [eiseres] bij akte overlegging producties de producties 9 tot en met 18 in het geding gebracht, waaronder een viertal schriftelijke verklaringen, e-mailcorrespondentie, loonstroken, een arbeidsovereenkomst en een schriftelijke toelichting. Op verzoek van de kantonrechter heeft [eiseres] bij akte nog een toelichting gegeven op die producties.
2.5.
Erasmus MC heeft bij akte houdende uitlating producties en bewijs gereageerd op de door [eiseres] overgelegde producties en als productie A het ‘RESEARCH PROTOCOL BRAVOO Study (March 2023) Version 6’ in het geding gebracht. Bij akte houdende uitlating heeft Erasmus MC te kennen gegeven naast de eerdere akte geen verder aanvullend (tegen)bewijs te leveren.
Schriftelijke verklaringen, e-mailcorrespondentie en loonstroken
2.6.
In de schriftelijke verklaring van [persoon A] staat dat zij met ingang van 1 juli 2024 als art-onderzoeker / arts-promovendus bij Erasmus MC is gaan werken en dat bij haar inschaling ook rekening is gehouden met haar eerdere werkervaring als arts-assistent (ANIOS) bij het Franciscus Gasthuis en het Erasmus MC Sophia. Uit de e-mailcorrespondentie volgt dat zij heeft moeten vragen of haar eerdere werkervaring meetelt.
2.7.
In de schriftelijke verklaring van [persoon B] staat dat zij met ingang van 15 juni 2022 als arts-onderzoeker / arts-promovendus bij Erasmus MC is gaan werken en dat bij de inschaling ook rekening is gehouden met haar eerdere werkervaring als arts-assistent (ANIOS) bij het Alberts Schweitzer Ziekenhuis en het Prinses Maxima Centrum. In de loonstrook van juni 2022 is de inschaling opgenomen.
2.8.
In de schriftelijke verklaring van [persoon C] staat dat hij met ingang van 15 januari 2020 als arts-onderzoeker / arts- promovendus bij Erasmus MC is gaan werken en dat bij de inschaling ook rekening is gehouden met zijn eerdere werkervaring als arts-assistent (ANIOS) bij het Haga ziekenhuis en het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. Uit de e-mailcorrespondentie volgt dat hij navraag heeft gedaan over zijn inschaling en dat de twee ervaringsjaren moeten worden meegeteld.
2.9.
In de anonieme verklaring staat dat de betreffende persoon bij Erasmus MC in dienst is getreden als arts-onderzoeker / arts-promovendus en dat bij de inschaling rekening is gehouden met de eerdere ervaring als ANIOS Kindergeneeskunde en ANIOS Huisartsgeneeskunde.
Ervaringsjaren als arts-assistent tellen mee bij inschaling
2.10.
Uit de vier verklaringen die [eiseres] in het geding heeft gebracht, en door Erasmus MC niet zijn betwist, blijkt dat bij de inschaling van de betreffende werknemers als arts-onderzoeker / arts-promovendus rekening is gehouden met hun eerdere werkervaring als ANIOS. Hoewel dat in twee van de vier genoemde voorbeelden niet automatisch is gegaan en die werknemers er om hebben moeten vragen, is uiteindelijk ook bij die twee werknemers de eerdere werkervaring meegenomen bij de inschaling. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt niet, zoals Erasmus MC lijkt te suggereren, dat de betreffende werkervaring in eerste instantie als niet relevant is beoordeeld. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt juist dat het in eerste instantie niet meetellen van die werkervaring op een fout van HR berustte (zie productie 15 e-mail van 28 februari 2020) en er verder geen discussie is gevoerd over de vraag of de werkervaring al of niet relevant was (zie productie 10 e-mailcorrespondentie van 25 juli 2024 om 15.43 uur tot en met 28 juli 2024).
2.11.
De kantonrechter volgt niet het standpunt van Erasmus MC dat het in de door [eiseres] aangevoerde gevallen zou gaan om ‘relevante’ werkervaring en dat de werkervaring van [eiseres] niet relevant zou zijn.
Het had op de weg van Erasmus MC gelegen nader te onderbouwen waarom in de door [eiseres] aangevoerde vier gevallen de werkervaring als ANIOS wel relevant was voor het werk als arts-onderzoeker / arts-promovendus en de werkervaring van [eiseres] als ANIOS niet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Erasmus MC zich op het standpunt gesteld dat de werkervaring van [eiseres] niet relevant was omdat zij geen onderzoekservaring had. Erasmus MC heeft echter niet toegelicht waarom zij meent dat in de door [eiseres] aangevoerde gevallen de werknemers als ANIOS wel onderzoekservaring hebben opgedaan, terwijl dat in het geval van [eiseres] niet zo zou zijn. Evenmin heeft Erasmus MC toegelicht waarom de ervaring als ANIOS in die specifieke gevallen, anders dan bij [eiseres] , wel relevant was.
2.12.
De vergelijking van kernwerkzaamheden die [eiseres] heeft gemaakt (zie productie 18 onder 2) is in het kader van het opgedragen bewijs niet relevant. Dat geldt ook voor het verweer van Erasmus MC naar aanleiding van deze vergelijking.
[eiseres] is bij aanvang te laag ingeschaald
2.13.
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] bij aanvang van haar dienstverband als arts-promovendus te laag is ingeschaald, omdat destijds ten onrechte geen rekening is gehouden met haar ervaringsjaren als ANIOS/AIOS. Zoals in het tussenvonnis al overwogen, heeft dit tot gevolg dat [eiseres] in salarisnummer 12 van schaal 10 had moeten worden ingeschaald.
Erasmus MC moet het achterstallig salaris betalen
2.14.
[eiseres] heeft betaling van het volgens haar achterstallige gevorderd. Erasmus MC heeft de juistheid van de door [eiseres] gevorderde bedragen niet betwist. Erasmus MC zal daarom worden veroordeeld tot betaling (van het netto equivalent) van:
€ 240,75 bruto over de periode 22 oktober 2023 t/m 31 oktober 2023;
€ 2.771,42 bruto over de periode 1 november 2023 t/m 16 februari 2024;
€ 2.302,29 bruto over de periode 17 februari 2024 t/m 30 april 2024;
€ 2.638,00 bruto over de periode 1 mei 2024 t/m 31 juli 2024;
2.15.
[eiseres] heeft over de periode vanaf 1 augustus 2024 betaling van € 5.504,- bruto per maand gevorderd. De kantonrechter gaat er vanuit dat Erasmus MC aan [eiseres] vanaf augustus 2024 tot einde dienstverband als arts-promovendus een (lager bruto) salaris heeft betaald. Erasmus MC zal daarom worden veroordeeld om vanaf 1 augustus 2024 tot einde dienstverband als arts-promovendus per maand aan [eiseres] € 5.504,- bruto te betalen, voor zover dat niet reeds is betaald.
Erasmus MC moet vakantietoeslag en eindejaarsuitkering betalen
2.16.
Over voornoemde bedragen zal de gevorderde vakantietoeslag van 8% en de eindejaarsuitkering van 8,33% worden toegewezen.
Erasmus MC moet rente betalen
2.17.
Omdat Erasmus MC voornoemde bedragen niet tijdig heeft betaald is zij over die bedragen vanaf de dag van verschuldigdheid de wettelijke rente verschuldigd. De kantonrechter leest het petitum zo, dat [eiseres] heeft bedoeld de wettelijke rente over het achterstallig salaris te vorderen.
Erasmus MC moet 10% wettelijke verhoging betalen
2.18.
Als het loon niet op tijd wordt betaald is de werkgever daarover een verhoging verschuldigd (artikel 7:625 BW). Enerzijds is Erasmus MC [eiseres] ter wille geweest door haar in dienst te nemen, zodat zij in staat werd gesteld haar onderzoek af te ronden. Anderzijds heeft Erasmus MC zich niet als goed werkgever gedragen, door [eiseres] te laag in te schalen. Onder die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. Ook hier geldt dat de kantonrechter het petitum zo leest, dat [eiseres] heeft bedoeld de wettelijke verhoging over het achterstallige loon te vorderen.
Verklaring voor recht
2.19.
In het tussenvonnis van 4 april 2025 is al overwogen dat in de eindbeschikking de verlangde verklaringen voor recht dat op de arbeidsovereenkomst de Cao van toepassing is en dat afwijking van de Cao niet mogelijk is, zullen worden afgewezen omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] voldoende belang heeft bij deze verklaringen.
2.20.
De verklaring voor recht dat [eiseres] per 1 mei 2024 recht heeft op een salaris ad € 5.504,- bruto per maand wordt eveneens afgewezen omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] daarbij voldoende belang heeft. Uit dit vonnis volgt dat bij aanvang van haar dienstverband ook rekening had moeten worden gehouden met haar werkervaring als ANIOS/AIOS, dat zij had moeten worden ingedeeld in salarisnummer 12 van schaal 10 en dat [eiseres] aanspraak heeft op betaling van het door haar berekende achterstallige salaris.
Erasmus MC moet de proceskosten betalen
2.21.
De proceskosten komen voor rekening van Erasmus MC, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Erasmus MC aan [eiseres] moet betalen op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 1.186,50 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.705,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.22.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Erasmus MC daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de gevorderde verklaringen voor recht af;
3.2.
veroordeelt Erasmus MC om aan [eiseres] te betalen:
het netto equivalent van € 240,75 bruto over de periode 22 oktober 2023 t/m 31 oktober 2023, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering;
het netto equivalent van € 2.771,42 bruto over de periode 1 november 2023 t/m 16 februari 2024, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering;
het netto equivalent van € 2.302,29 bruto over de periode 17 februari 2024 t/m 30 april 2024, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering;
het netto equivalent van € 2.638,00 bruto over de periode 1 mei 2024 t/m 31 juli 2024, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering;
het netto equivalent van € 5.504,- bruto per maand vanaf augustus 2024 tot het einde van het dienstverband als arts-promovendus, voor zover dat nog niet is betaald, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering;
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor onder a t/m e genoemde bedragen vanaf de dag van verschuldigdheid van het loonbedrag tot de dag dat volledig is betaald;
de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW ad 10% over de hiervoor onder a t/m e genoemde bedragen;
3.3.
veroordeelt Erasmus MC in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.705,47;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
754