De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer en het vervoer van circa 2371 kilo cocaïne opgelost in melasse. De verdachte zou zakken melasse hebben vervoerd die drugs bevatten, waarbij hij een jammer en een iPhone gebruikte voor instructies.
De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap had van de drugs en eiste 28 maanden gevangenisstraf. De verdediging betoogde dat onvoldoende bewijs bestond voor die wetenschap. De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was. Er was geen direct bewijs dat verdachte wist dat de zakken drugs bevatten, en omstandigheden zoals het lage bedrag dat verdachte kreeg en het ontbreken van duidelijke communicatie over de drugs, ondersteunden dit.
De rechtbank concludeerde dat het alternatieve scenario dat verdachte onwetend was over de drugs niet kon worden uitgesloten. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Daarnaast werd een jammer onttrokken aan het verkeer verklaard, terwijl een in beslag genomen telefoon in bewaring werd gegeven ten behoeve van de rechthebbende.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam op 30 januari 2025.