De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne en ecgonine verwerkt in melasse. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zeven jaar, stellende dat verdachte de regie voerde over de invoer en op de hoogte was van de drugsinhoud.
Tijdens de terechtzittingen op 11, 12 december 2024 en 30 januari 2025 werd het bewijs beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat er geen rechtstreeks bewijs was dat verdachte wist van de aanwezigheid van verdovende middelen in de melasse. De chatberichten en omstandigheden boden onvoldoende aanwijzingen voor wetenschap of opzet.
De rechtbank oordeelde dat het scenario mogelijk is dat verdachte betrokken was bij de invoer zonder kennis van de drugs, en sprak hem daarom vrij. De vrijspraak werd uitgesproken ondanks de uitgebreide opsomming van gedragingen en contacten die verdachte zou hebben gehad, omdat het vereiste bewijs ontbrak.
De uitspraak benadrukt het belang van wettig en overtuigend bewijs voor wetenschap en opzet bij drugszaken en bevestigt dat verdenkingen zonder voldoende bewijs niet leiden tot veroordeling.