De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer van in melasse verwerkte cocaïne en ecgonine. De verdachte zou logistieke handelingen hebben verricht bij het lossen van een container met zakken melasse waarin drugs waren verwerkt. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 54 maanden.
Tijdens het onderzoek en de terechtzittingen bleek dat verdachte aanwezig was bij het lossen van de container en handelde als bestuurder van een vorkheftruck. Ook gaf hij een contante betaling van 5.000 euro aan een vriend van een medeverdachte. De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap had van de drugs in de container en als onmisbare schakel fungeerde.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts hulp verleende zonder opzet of wetenschap van de illegale lading. De rechtbank concludeerde dat er geen direct bewijs was dat verdachte wist van de aanwezigheid van verdovende middelen. Onderzoek van telefoons leverde geen belastende communicatie op. De handelingen van verdachte konden niet leiden tot de conclusie dat hij opzettelijk handelde in strijd met de Opiumwet.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om opzet aan te tonen en dat verdachte niet kon worden veroordeeld voor medeplegen of voorbereidingshandelingen.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 30 januari 2025.