Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13124

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
C/10/687976 / FA RK 24-7835
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oma niet-ontvankelijk in verzoek tot gezamenlijk gezag zonder medewerking moeder

Oma heeft een verzoek ingediend om samen met moeder het gezag over de minderjarige kleinkinderen te verkrijgen. Volgens artikel 1:253t lid 1 BW moet een dergelijk verzoek gezamenlijk met de met het gezag belaste ouder worden ingediend. Hoewel oma stelde dat moeder achter het verzoek stond, is moeder niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft de rechtbank haar standpunt niet kunnen vaststellen.

De rechtbank constateert dat het verzoek van oma daarom niet als een gezamenlijk verzoek kan worden beschouwd. De wettelijke vereisten zijn niet vervuld omdat moeder niet heeft deelgenomen aan de procedure. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin het belang van de met gezag belaste ouder en de rechtszekerheid voor het kind wordt benadrukt.

Gelet op deze omstandigheden verklaart de rechtbank oma niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gezamenlijk gezag. Het vonnis is uitgesproken op 17 september 2025 door de kinderrechter L. Berghuis-Knijff. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: Oma wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gezamenlijk gezag omdat moeder niet heeft ingestemd of deelgenomen aan de procedure.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/687976 / FA RK 24-7835
Beschikking van 17 september 2025 over het gezag
in de zaak van:
[de oma], hierna: oma,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. M. Nentjes te Rotterdam,
Belanghebbende in deze zaak is:
[de moeder], hierna: moeder,
wonende te [plaats] ,
zonder advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van oma, ingekomen op 22 oktober 2024;
  • de beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2025;
  • de herstelbeschikking van deze rechtbank van 16 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • oma, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Uit de moeder zijn geboren:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
De minderjarigen zijn niet erkend door hun verschillende biologische vaders. Beide biologische vaders spelen geen rol in het leven van de minderjarigen.
2.3.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.

3.De beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
Oma verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen ook aan haar toekomt.
3.1.2.
Op grond van lid 1 van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, als het ouderlijk gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het ouderlijk gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over het kind belasten. Op grond van lid 2 van het hiervoor genoemde artikel wordt, als het kind ook in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen als:
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het ouderlijk gezag over het kind belast is geweest.
Het verzoek wordt, op grond van lid 3 van het hiervoor genoemde artikel, afgewezen als, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.1.3.
Oma heeft gesteld dat zij de minderjarigen al vanaf hun geboorte verzorgt en opvoedt. De moeder is (onder meer) doof en verstandelijk beperkt, waardoor zij, aldus oma, nooit in staat is geweest om de minderjarigen op te voeden. Volgens oma staat de moeder achter het verzoek ook oma met het gezag te belasten en is aan alle wettelijke voorwaarden daarvoor voldaan.
3.1.4.
In tegenstelling tot de vrouw constateert de rechtbank dat niet aan alle wettelijke vereisten is voldaan, nu slechts oma dit verzoek heeft ingediend. Op grond van het bovengenoemd artikel 1:253t BW dient een dergelijk verzoek namelijk, in dit geval door oma en moeder, gezamenlijk gedaan te worden.
Weliswaar stelt oma dat moeder achter het door haar ingediende verzoek staat, maar de rechtbank heeft dat niet kunnen vaststellen nu moeder niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was en haar stem ook niet op andere wijze heeft laten horen. Dat moeder zoals oma stelt gelet op haar situatie ook niet in staat is om aanwezig te zijn of haar standpunt naar voren te brengen, heeft de rechtbank evenmin kunnen vaststellen. Gelet op het voorgaande is het enige wat de rechtbank over de situatie weet dat wat oma daarover heeft gesteld en is niet komen vast te staan hoe de moeder over het verzoek denkt. Een en ander is in ieder geval onvoldoende om het verzoek van oma als een gezamenlijk verzoek te beschouwen.
3.1.5.
Zoals ook naar voren komt in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 18 oktober 2005 (ECLI:NL:GHARN:2005:AU4705) strekt artikel 1:253t BW tot bescherming van de met het gezag belaste ouder en dient voorts de rechtszekerheid en daarmee ook het belang van het kind dat het niet met onverwachte aanspraken op het gezag wordt geconfronteerd. In dit geval begrijpt de rechtbank het verzoek van oma wel, maar dat brengt niet zonder meer met zich mee dat aan het wettelijk vereiste van een gezamenlijk verzoek en de daaraan verbonden (bovengenoemde) waarborgen voorbij kan worden gegaan. Door oma wordt ook niet gesteld of toegelicht waarom daar in dit geval aan voorbij gegaan kan worden.
De rechtbank verklaart oma, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk in haar verzoek.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart oma niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.R. den Boer, griffier, op 17 september 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.