ECLI:NL:RBROT:2025:13144

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
C/10/695863 / HA ZA 25-235
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 195 RvArt. 194 RvArt. 209 RvArt. 133 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident inzake inzage en akte niet dienen in hoofdzaak factoringgeschil

In deze civiele procedure tussen ECP Factoring en Prevdent International staat een geschil over een factoringovereenkomst centraal. Prevdent vordert inzage in administratieve gegevens van ECP Factoring om de hoogte van de vordering in de hoofdzaak te kunnen vaststellen. De rechtbank beoordeelt dat een voorafgaande beslissing op deze incidentele vordering niet noodzakelijk is en houdt de beslissing aan.

Daarnaast verleent de rechtbank ECP Factoring het verzoek om aan Prevdent akte niet dienen te verlenen voor het nemen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, omdat Prevdent deze proceshandeling niet tijdig heeft verricht en geen uitstel heeft verkregen. Dit betekent dat Prevdent niet meer kan reageren met een conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor het bepalen van een mondelinge behandeling waarin het volledige geschil, inclusief het verzoek tot inzage, aan de orde zal komen. De beslissing in het incident wordt aangehouden, met uitzondering van de akte niet dienen.

Uitkomst: Beslissing op het verzoek tot inzage wordt aangehouden en akte niet dienen verleend voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/695863 / HA ZA 25-235
Vonnis in incident van 5 november 2025
in de zaak van
ECP FACTORING B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: ECP Factoring,
advocaat: mr. M.P.J. Kik,
tegen
PREVDENT INTERNATIONAL B.V.,
te Ilpendam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Prevdent,
advocaat: mr. G. van der Spek.

1.De zaak in het kort

In de hoofdzaak vordert ECP Factoring om Prevdent te veroordelen tot betaling van € 523.328,99, omdat Prevdent stelselmatig tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichting onder een tussen partijen gesloten factoringovereenkomst. Prevdent vordert in dit incident op grond van artikel 195 Rv Pro jo 194 Rv inzage en afgifte van gegevens die zich onder ECP Factoring bevinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele vordering van ECP Factoring en houdt de beslissing aan. Daarnaast verleent de rechtbank akte niet dienen aan Prevdent voor het nemen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 februari 2025, met producties;
- de incidentele conclusie houdende vordering tot inzage ex artikel 195 Rv Pro, met producties;
- de conclusie van antwoord in het incident met producties;
- de e-mail van 14 oktober 2025 van de rechtbank aan partijen, waarin Prevdent in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verzoek van ECP Factoring om aan Prevdent akte niet dienen te verlenen voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
2.2.
Prevdent heeft van de hiervoor vermelde gelegenheid geen gebruik gemaakt, waarna de rechtbank vonnis heeft bepaald in het incident.

3.De feiten, voor zover van belang in het incident

3.1.
Op 31 oktober 2018 is de ‘Overeenkomst Debiteurenbeheer en Factoring’ (hierna: de factoringovereenkomst) gesloten tussen ECP Factoring en ECP Nederland enerzijds en Prevdent anderzijds.
3.2.
Op grond van de factoringovereenkomst moest ECP Nederland ten behoeve van Prevdent het debiteurenbeheer verrichten en moest ECP Factoring aan Prevdent financiering verstrekken op basis van overname van vorderingen.
3.3.
ECP Nederland is op 25 maart 2020 in staat van faillissement verklaard. ECP Factoring houdt zich nu bezig met de afwikkeling van haar vorderingenportefeuille en met de afwikkeling van de relatie met (voormalige) factoring klanten.

4.Het geschil in het incident

4.1.
Prevdent vordert dat de rechtbank bij vonnis ECP Factoring gebiedt om binnen twee weken na dit vonnis aan Prevdent ter inzage te overleggen een afschrift van:
alle betalingen ontvangen door ECP Factoring van klanten van Prevdent in de periode van januari 2020 tot heden; en
de administratie ten aanzien van de verwerking van het totaal door Prevdent in het IT-platform ingediende facturen.
4.2.
Prevdent heeft aangevoerd dat ECP Factoring de verplichting heeft mee te werken aan de opheldering en aan een eventuele oplossing van dit geschil. Volgens Prevdent kan de procedure pas inhoudelijk worden gevoerd als de exacte hoogte van de door ECP Factoring gestelde vordering wordt vastgesteld. Hiervoor is Prevdent afhankelijk van inzage in administratie en gegevens die zich onder ECP Factoring bevinden, aldus Prevdent.
4.3.
ECP Factoring voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Prevdent in de vorderingen in het incident, althans tot afwijzing daarvan met veroordeling van Prevdent, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt ECP Factoring aan Prevdent akte niet dienen te verlenen voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Artikel 209 Rv Pro bepaalt dat op een incidentele vordering, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist. Of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering. [1]
5.2.
Prevdent baseert haar verzoek op artikel 195 Rv Pro. Artikel 195 lid 1 Rv Pro heeft betrekking op het verzoek om inzage tijdens een lopende procedure. De rechter kan naar aanleiding van een verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid Pro 1, eerste volzin, Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
5.3.
Uit de stellingen van Prevdent blijkt dat de incidentele vordering erop is gericht om de exacte hoogte van de door ECP Factoring (gestelde) vordering vast te stellen. Het onderbouwen van de hoogte van de vordering ligt echter primair op de weg van ECP Factoring en Prevdent heeft de stellingen van ECP Factoring over de hoogte van de vordering al in het kader van haar incidentele vordering betwist.
5.4.
Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele vordering van Prevdent. Of aan een van partijen bewijs moet worden opgedragen, is een vraag die in de hoofdzaak aan de orde kan komen met toepassing van de regels van het bewijsrecht. De rechtbank zal de beslissing op het incidentele verzoek daarom aanhouden.

6.Het verdere verloop van de hoofdzaak

6.1.
Met het oordeel dat de ingestelde incidentele vordering niet noodzaakt tot een voorafgaande behandeling staat achteraf bezien vast dat Prevdent de proceshandeling waarvoor de zaak eigenlijk stond, de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, ten onrechte niet heeft verricht. Prevdent heeft geen uitstel verkregen voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
6.2.
De rechtbank verleent daarom op grond van artikel 133 lid 4 Rv Pro, zoals door ECP Factoring verzocht, akte niet dienen aan Prevdent voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. In dit geval is dat niet een zeer verstrekkende sanctie voor Prevdent, omdat zij in de incidentele conclusie al uitgebreid verweer heeft gevoerd op de vordering in de hoofdzaak.
6.3.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor het bepalen van een mondelinge behandeling. Tijdens die mondelinge behandeling zal het geschil in volle omvang – dus inclusief het incidentele verzoek tot inzage – aan de orde kunnen komen.

7.De beslissing

in het incident
7.1.
houdt iedere beslissing aan,
in de hoofdzaak
7.2.
verleent aan Prevdent akte niet dienen voor de conclusie van antwoord,
7.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
26 november 2025voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op
5 november 2025.
3242/2819

Voetnoten

1.HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176.