ECLI:NL:RBROT:2025:13156

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
C/10/683038 / FA RK 24-5478
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging onderhoudsbijdrage en ouderschapsplan na ontbinding geregistreerd partnerschap

De rechtbank Rotterdam heeft op 22 oktober 2025 een beschikking gegeven waarin de onderhoudsbijdrage en het ouderschapsplan tussen de vrouw en de man, na ontbinding van hun geregistreerd partnerschap, worden gewijzigd. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap werd eerder uitgesproken in 2021 en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 4 januari 2022.

Partijen zijn gezamenlijk ouders van drie minderjarige kinderen, waarvan het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en de hoofdverblijfplaats bij de vrouw is. Zij hadden een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend in mei 2021, waarin zij afspraken maakten over de kostenverdeling van de kinderen naar rato van draagkracht.

In de procedure, die schriftelijk werd gevoerd zonder mondelinge behandeling, bereikten partijen uiteindelijk overeenstemming over de onderhoudsbijdrage. De rechtbank neemt deze regeling over en wijzigt de eerdere beschikking door vast te leggen dat de man vanaf 1 januari 2025 maandelijks € 235,- aan de vrouw betaalt voor de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen. Tevens dient hij een betalingsachterstand van € 2.115,- af te lossen met een extra maandelijkse betaling van € 65,- vanaf 6 oktober 2025. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen en overige verzoeken worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de onderhoudsbijdrage en neemt de onderlinge regeling van partijen over met een maandelijkse bijdrage van € 235,- en aflossing van een betalingsachterstand.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/683038 / FA RK 24-5478
Beschikking van 22 oktober 2025 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
advocaat mr. P.H. Kramer te Spijkenisse,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 juli 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 16 september 2024;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 5 augustus 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 5 augustus 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 augustus 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 september 2025 tevens wijziging van het verzoek;
  • het bericht met bijlagen van de man van 26 september 2025;
  • het bericht van de vrouw van 6 oktober 2025 tevens wijziging van het verzoek;
  • het bericht van de man van 6 oktober 2025.
1.2.
Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2021 is tussen partijen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. Op 4 januari 2022 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is bij de vrouw.
2.5.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld dat zij op 18 mei 2021 hebben ondertekend. Dit ouderschapsplan is opgenomen in de hiervoor genoemde beschikking. Partijen zijn daarin overeengekomen dat zij in onderling overleg de kosten van de kinderen dragen naar rato van hun draagkrachtruimte.

3.De beoordeling

3.1.
Onderhoudsbijdrage
Partijen hebben bij afzonderlijke berichten van 6 oktober 2025 de rechtbank laten weten dat zij uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank complimenteert hen daarmee en zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.
3.2.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2021 en het daarin opgenomen ouderschapsplan als volgt door op te nemen de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, te weten:
- dat de man met ingang van 1 januari 2025 dient bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van partijen met een bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw te betalen bedrag van € 235,- per maand (€ 78,33 per kind per maand), waarbij de man de daardoor sinds 1 januari 2025 opgelopen betalingsachterstand van totaal € 2.115,- ter zake van de vorenbedoelde bijdrage voor de minderjarige kinderen van partijen, met ingang van
6 oktober 2025 dient af te lossen door maandelijks een bedrag van € 65,- bovenop de vorenbedoelde bijdrage voor de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw te betalen tot deze achterstand is ingelopen;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wahedi (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 22 oktober 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.