Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13193

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
ROT 25/2500
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. van der Wal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering VOG P voor buitengewoon opsporingsambtenaar wegens onvoldoende motivering

Eiser vroeg op 3 september 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag met politiegegevens (VOG P) aan voor zijn functie als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn van 10 jaar, die volgens hem een te groot risico voor de samenleving vormden. Eiser maakte bezwaar, maar de staatssecretaris handhaafde het besluit op 7 maart 2025.

De rechtbank behandelde het beroep op 30 september 2025 en oordeelde dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende had gemotiveerd. De belangenafweging tussen het risico voor de samenleving en het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG P was niet zorgvuldig gemaakt. De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat eiser meerdere lichte veroordelingen had, maar sindsdien geen nieuwe feiten had gepleegd, positieve persoonlijke ontwikkeling had doorgemaakt en dat de functie van boa geen verkeersdeelname vereist.

De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2500

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. N.D. Bouman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak over de weigering van de staatssecretaris om eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag met politiegegevens (VOG P) te geven. Eiser heeft deze VOG P nodig voor zijn baan als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) bij Rotterdamse Electrische Tram N.V., afgekort R.E.T. N.V., te Rotterdam.
1.1.
Op 3 september 2024 heeft eiser een VOG P aangevraagd. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 7 november 2024 afgewezen, omdat binnen de terugkijktermijn van 10 jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) informatie is aangetroffen die de afgifte van een VOG P niet rechtvaardigt (het afwijzingsbesluit). Volgens de staatssecretaris is er sprake van een te groot risico voor de samenleving om eiser (toch) een VOG P te geven. Eiser is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 7 maart 2025 (het bestreden besluit), waarin de staatssecretaris bij het afwijzingsbesluit is gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden deelgenomen.
1.4.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
2. Een VOG (P) is een verklaring die laat zien dat het (justitiële) verleden van de aanvrager geen bezwaar vormt voor een bepaalde baan of functie. Voor het beoordelen van aanvragen om een VOG (waaronder een VOG P) heeft de staatssecretaris de Beleidsregels VOG NP-RP 2024 (Beleidsregels) opgesteld. In deze Beleidsregels staat in paragraaf 3.1.3. dat de afgifte van de VOG in beginsel wordt geweigerd als wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij het objectieve criterium gaat het om de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, wanneer herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Bij het subjectieve criterium gaat het om de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat een VOG toch wordt afgegeven, ook al is er in het geval van de aanvrager een objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving (paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels). Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval gekeken naar de afdoening van de strafzaak (lichte of zware straf), het tijdsverloop en de hoeveelheid strafbare feiten.
Welke feiten staan niet ter discussie?
3. Niet ter discussie staat dat eiser binnen de terugkijktermijn van 10 jaar in aanraking is geweest met justitie. Op 19 april 2024 is een zaak van eiser geseponeerd vanwege ‘onvoldoende nationaal belang’. Deze zaak ging om het overschrijden van de maximumsnelheid, gepleegd op 2 juli 2023. Daarnaast is eiser op 31 maart 2023 onherroepelijk veroordeeld vanwege meerdere verkeersdelicten, gepleegd op 22 april 2022, tot een boete van € 800,00 subsidiair 15 dagen gevangenisstraf, 15 dagen schorsing van het rijbewijs, een boete van € 80,00 subsidiair 3 dagen gevangenisstraf en een boete van € 200,00 subsidiair 15 dagen schorsing van het rijbewijs. Tot slot is hij op 3 januari 2017 onherroepelijk veroordeeld vanwege oplichting, gepleegd op 25 september 2015, waarvoor aan hem een geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis is opgelegd.
Wat zijn de standpunten van eiser in beroep?
4. Eiser vindt dat de staatssecretaris ten aanzien van het subjectieve criterium onterecht heeft geoordeeld dat de belangen van eiser geen aanleiding geven voor het alsnog verstrekken van de VOG P. Volgens eiser wordt onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden rondom de overtredingen en de afdoeningen hiervan. Daarnaast is de positieve uitslag van de psychologische test onvoldoende in overweging genomen. De staatssecretaris lijkt volgens eiser onevenredig veel waarde toe te kennen aan de hoeveelheid antecedenten en het geringe tijdsverloop en te weinig waarde toe te kennen aan de omstandigheden rondom de overtredingen, de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn belang bij de VOG P.
Mocht de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag blijven?
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in dit specifieke geval onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico's zwaarder dient te wegen dan eisers belang bij het verkrijgen van een VOG P. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
5.1.
In deze zaak is het objectieve criterium niet in geschil. Als aan het objectieve criterium is voldaan, wordt op grond van het subjectieve criterium beoordeeld of het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG P zwaarder weegt dan het vastgestelde risico voor de samenleving.
5.2.
Het is niet onjuist dat de staatssecretaris in het nadeel van eiser meeweegt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor oplichting, dat hij meerdere verkeersovertredingen heeft begaan en dat er nog relatief weinig tijd is verstreken sinds het laatste strafbare feit is gepleegd. Weliswaar is oplichting geen licht misdrijf en is geen sprake van lichte verkeerovertredingen die eiser heeft begaan, maar dit misdrijf en deze overtredingen zijn wel relatief licht afgedaan. Eiser heeft in het beroepschrift en tijdens de zitting toegelicht hoe het misdrijf en de verkeersovertredingen zijn begaan. Hoewel de rechtbank niet kan verifiëren in hoeverre dit een rol heeft gespeeld bij de strafoplegging door de politierechter en bij de afdoeningsbeslissingen van het Openbaar Ministerie (in België), ziet zij wel dat de enige verkeersovertreding in Nederland met een sepot is afgedaan en dat er geen verhoging van de straf heeft plaatsgevonden ten aanzien van de laatste overtreding in België die is afgedaan. Verder wordt door de staatssecretaris niet betwist dat eiser sindsdien geen verkeersovertreding of ander strafbaar feit heeft begaan. Daarbij komt dat er bij de aanvraag van de VOG P niet alleen gekeken wordt naar de justitiële gegevens, maar ook naar politiegegevens. Over eiser is er geen enkel politiegegeven geregistreerd. Verder heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat voor de functie van boa op zichzelf niet is vereist dat hij als bestuurder van een motorvoertuig deelneemt aan het verkeer. De staatssecretaris heeft dat ook niet betwist.
5.3.
Eiser heeft toegelicht dat hij na een moeilijke periode in zijn leven erin is geslaagd om het D-rijbewijs (busrijbewijs) te halen. Eiser heeft hierna 4 jaar gewerkt als buschauffeur bij R.E.T. N.V. Tijdens dit werk is zijn ambitie om door te groeien naar de functie van boa opgemerkt. Eiser is de kans geboden om zich daarin verder te ontwikkelen. Hij heeft een psychologisch onderzoek ondergaan en deelgenomen aan een sporttest. Daarnaast heeft eiser een dag vrijwillig meegelopen met boa’s, wat voor hem bevestigde dat dit het beroep is dat hij wil uitoefenen. De rechtbank ziet dat eiser zijn loopbaan heeft toegespitst op het zijn van boa. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij, als gevolg van het weigeren van de VOG P, zijn droom om de functie van boa te vervullen niet langer kan najagen. Weliswaar volgt hij op dit moment de beveiligersopleiding, maar hij wil nog altijd niets liever dan boa worden.
5.4.
Eiser heeft de rapportage van het psychologisch onderzoek overgelegd. Uit die rapportage leidt de rechtbank af dat eisers kwaliteiten onder meer veiligheidsbewustzijn en besluitvaardigheid zijn. In de rapportage staat onder meer:
“Hij is zich continu bewust van zijn eigen veiligheid in de bus en die van reizigers. Hij stelt de veiligheid van zichzelf, collega’s en reizigers centraal tijdens het rijden. Ook kan hij inschatten of het wel veilig genoeg is om in situaties te handhaven of handelen. […] Hij neemt op de bus tijdig besluiten en hij doet dat zelfstandig. Hij denkt na voordat hij in actie komt en hij neemt besluit op basis van beschikbare informatie en feiten. Hij kan de rol van dienstverlener en handhaver afwisselen bij besluiten en zijn handelen. Hij kan een besluit naar reiziger toe, onderbouwen.”Ook staat in de rapportage dat eiser gesprekpartners durft aan te spreken op hun gedrag en hen durft te wijzen op hun verantwoordelijkheden. De rechtbank vindt dat dit een positieve ontwikkeling bij eiser laat zien. Ook op de rechtbank heeft eiser tijdens de zitting een positieve indruk gemaakt. Hij komt over als een hardwerkende en welwillende man die heeft gewerkt aan zijn verleden en die verantwoordelijkheid voor zijn leven neemt.
5.5.
De staatssecretaris heeft bij de toetsing aan het subjectieve criterium zwaar meegewogen dat sprake is van een herhaling van strafbare feiten, het meermalen overtreden van de verkeersregels en een gebrek aan tijdsverloop, en dat voor een boa strenge integriteitsregels gelden. De staatssecretaris heeft echter, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende gemotiveerd of en hoe hij rekening heeft gehouden met de relatief lichte afdoening van de strafbare feiten, het feit dat eiser – ondanks de veroordelingen voor verkeersovertredingen – lange tijd als buschauffeur bij R.E.T. N.V. heeft gewerkt, de aard van de werkzaamheden van een boa en eisers positieve persoonlijke ontwikkeling. De staatssecretaris moet daarom het subjectieve criterium opnieuw toetsen, met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de staatssecretaris hiervoor een termijn van zes weken.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,00. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,00. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding van de proceskosten bedraagt dan in totaal € 2.461,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 maart 2025;
- draagt de staatssecretaris op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de staatssecretaris op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 194,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.461,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.