ECLI:NL:RBROT:2025:13203

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/10/699456 / HA ZA 25-388
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor oproeping in vrijwaring van joint venture vennootschap

In deze civiele procedure vorderen de bestuurders van een joint venture, via hun persoonlijke vennootschappen, toestemming om de joint venture vennootschap in vrijwaring op te roepen. Dit naar aanleiding van een hoofdzaak waarin de eiser boetes vordert wegens vermeende schendingen van de meer partijen overeenkomst (MPO) door de bestuurders.

De bestuurders baseren hun vordering op vrijwaringsbedingen in hun managementovereenkomsten met de joint venture vennootschap. De eiser betwist dat de bestuurders zich op deze bedingen kunnen beroepen, omdat de managementovereenkomsten onderscheid maken tussen de bestuurders en de managers die de vrijwaringsbedingen dekken.

De rechtbank oordeelt dat de vordering tot oproeping in vrijwaring toewijsbaar is omdat voldoende is gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de vennootschap gehouden kan zijn de gevolgen van een veroordeling te dragen. De uiteindelijke beoordeling van het beroep op het vrijwaringsbeding zal in de hoofdzaak plaatsvinden.

De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, welke nihil worden begroot omdat de vordering in de hoofdzaak is ingesteld. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak is vastgesteld op 3 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank staat toe dat de bestuurders de joint venture vennootschap in vrijwaring oproepen en veroordeelt de eiser in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/699456 / HA ZA 25-388
Vonnis in incident van 8 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,
eiser in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident,
advocaat mr. M. Hoogendoorn te Rotterdam,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,
2.
[gedaagde 2],
wonende te Zierikzee,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. M.J. Siegers te Rotterdam.
Partijen worden hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 6 augustus 2025 en de daarin vermelde processtukken,
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende incident tot oproeping in vrijwaring, met producties BRJ-1 tot en met BRJ-20,
  • de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring, met productie RD-31 en RD-32.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank hen toestaat om [bedrijf 1] B.V. in vrijwaring op te roepen.
2.2.
Zij leggen hieraan het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] (en de aan hem verbonden partijen) en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (en de aan hen verbonden partijen) bestaat een joint venture. Deze joint venture is gestructureerd via [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ), waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestuurders zijn. De joint venture verhoudingen zijn onder meer vastgelegd is een overeenkomst getiteld ‘meer partijen overeenkomst’ (MPO). In de hoofdzaak vordert [eiser] vordert boetes vanwege vermeende schendingen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de MPO. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] althans hun vennootschappen zijn in hun managementovereenkomsten met [bedrijf 1] een vrijwaring overeengekomen. Op grond van deze vrijwaringsbedingen moet [bedrijf 1] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schadeloos stellen voor financiële gevolgen in de hoofdzaak.
2.3.
De conclusie van [eiser] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van het incident.
2.4.
[eiser] voert aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen beroep kunnen doen op het vrijwaringsbeding in de betreffende managementovereenkomsten. In de managementovereenkomsten zijn [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. gedefinieerd als ‘managers’ en wordt er uitdrukkelijk en stelselmatig onderscheid gemaakt tussen de managers en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in persoon. Het vrijwaringsbeding geldt slechts voor de managers. Dat zijn niet de bestuurders die de overtredingen van de MPO hebben begaan. [eiser] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] handelen dat rechtstreeks in strijd is met de MPO. Dit handelen valt niet in binnen het kader van de managementovereenkomsten.

3.De beoordeling

In het incident

3.1.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is op tijd en vóór alle weren genomen.
3.2.
Op grond van artikel 210 lid 1 Rv Pro kan de gedaagde een derde partij in vrijwaring oproepen als hij meent hiertoe gronden te hebben. Hiervoor is voldoende dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voldoende gesteld dat van de hierboven bedoelde rechtsverhouding sprake kan zijn. De managementovereenkomsten tussen [bedrijf 1] en de persoonlijke vennootschappen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevatten een vrijwaringsbeding. Of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich met succes op dat vrijwaringsbeding kunnen beroepen, moet in de vrijwaringszaak beslist worden.
3.4.
Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot nihil. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun incidentele vordering namelijk niet in een apart processtuk ingesteld, maar in hun conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een conclusie van antwoord genomen. De rechtbank heeft partijen al op de hoogte gesteld van de datum van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak, zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
staat toe dat [bedrijf 1] B.V. door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in vrijwaring wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
5 november 2025,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, begroot op nihil.
in de hoofdzaak
4.3.
verstaat dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op
3 februari 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
[2083/1729]