In deze civiele procedure vorderen de bestuurders van een joint venture, via hun persoonlijke vennootschappen, toestemming om de joint venture vennootschap in vrijwaring op te roepen. Dit naar aanleiding van een hoofdzaak waarin de eiser boetes vordert wegens vermeende schendingen van de meer partijen overeenkomst (MPO) door de bestuurders.
De bestuurders baseren hun vordering op vrijwaringsbedingen in hun managementovereenkomsten met de joint venture vennootschap. De eiser betwist dat de bestuurders zich op deze bedingen kunnen beroepen, omdat de managementovereenkomsten onderscheid maken tussen de bestuurders en de managers die de vrijwaringsbedingen dekken.
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot oproeping in vrijwaring toewijsbaar is omdat voldoende is gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de vennootschap gehouden kan zijn de gevolgen van een veroordeling te dragen. De uiteindelijke beoordeling van het beroep op het vrijwaringsbeding zal in de hoofdzaak plaatsvinden.
De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, welke nihil worden begroot omdat de vordering in de hoofdzaak is ingesteld. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak is vastgesteld op 3 februari 2026.