ECLI:NL:RBROT:2025:13206

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/10/708137/ HA RK 25-992
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 FaillissementswetArt. 69 FaillissementswetArt. 73 lid 1 FaillissementswetArt. 63a FaillissementswetArt. 282 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontslag en vervanging curator in faillissement Vava-vennootschappen

Participaties c.s., schuldeisers in de faillissementen van de Vava-vennootschappen, verzochten de rechtbank om de curator te ontslaan en te vervangen. Zij stelden dat de curator onvoldoende beschikbaar was, fouten maakte in het beheer van de boedel, het biedingsproces niet transparant was en dat hij onzorgvuldig handelde ten aanzien van een doorstart en het pandrecht van Van der Valk Participaties II.

De curator en de rechter-commissaris weerlegden deze stellingen, benadrukten dat het faillissementsbeheer zorgvuldig verliep, dat het biedingsproces eerlijk en transparant was en dat de curator zijn taken naar behoren uitvoerde. De rechter-commissaris adviseerde afwijzing van het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat Participaties c.s. onvoldoende onderbouwd hadden dat zij in alle faillissementen schuldeisers waren en dat de klachten tegen de curator niet zwaarwegend genoeg waren om ontslag te rechtvaardigen. Het verzoek werd daarom afgewezen. De rechtbank benadrukte dat het ontslag van een curator een discretionaire bevoegdheid is die slechts bij zwaarwegende omstandigheden wordt toegekend.

Uitkomst: Het verzoek tot ontslag en vervanging van de curator wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/708137 / HA RK 25-992
Schriftelijke uitwerking als bedoeld in artikel 29a lid 6 Rv van een mondelinge uitspraak van 11 november 2025 betreffende een verzoek tot ontslag en vervanging van een curator als bedoeld in artikel 73 lid 1 Faillissementswet Pro
in de zaak van

1.VAN DER VALK PARTICIPATIES II B.V.,

te Tiel,
2.
VAN DER VALK PARTICIPATIES B.V.,
te Tiel,
3.
VAN DER VALK INTERNATIONAL B.V.,
te Amsterdam,
4.
AL DENTE FOOD & BEVERAGE B.V.,
te Amsterdam,
5.
HOTEL GORINCHEM-WEST B.V.,
te Gorinchem,
6.
HOTEL VUGHT B.V.,
te Vught,
7.
KOVIT DEVELOPMENT B.V.,
te Amsterdam,
8.
TECHVAL B.V.,
te Nuland,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: Participaties c.s.,
advocaat: mr. A.C.L. Beneder en mr. C.J.G.M. van Meggelen,
tegen
[persoon A], in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de Vava-venootschappen (zoals hierna gedefinieerd),
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Curator,
advocaten: mr W.H.A.M. van den Muijsenbergh en mr. [persoon B] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 3 oktober 2025 met producties 1-27;
- de oproepingsbrieven van 5 november 2025, waarbij Participaties c.s., de Curator en mr. C.G.E. Prenger (de rechter-commissaris) zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 11 november 2025;
- het verweerschrift van de Curator van 7 november 2025 met producties 1-30;
- de brief van de rechter-commissaris van 7 november 2025;
- de akte van Participaties c.s. van 7 november 2025 met producties 28-54;
- de akte van Participaties c.s. van 10 november 2025 met producties 55 en 56;
- de akte van de Curator van 10 november 2025 met producties 31-38;
- de spreekaantekeningen namens Participaties c.s. en de Curator voor de mondelinge behandeling van 11 november 2025;
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Ter zitting zijn Participaties c.s. en de Curator verschenen.
Aan het eind van de zitting is mondeling uitspraak gedaan.

2.De feiten

2.1.
Participaties c.s. zijn alle in een groep verbonden. Van der Valk participaties II B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van Vava Holding B.V., Vava Binnenrotte B.V., Vava Plaza B.V., Vava Buitenhof B.V., Vava Heuvel Galerie B.V., Vava Hoog Catharijne B.V., Vava Piusplein B.V. en Vava Leidsenhage B.V., hierna gezamenlijk te noemen de “Vava-vennootschappen”.
2.2.
Bij vonnis van 4 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op vordering van Payper Payroll B.V. de Vava-vennootschappen hoofdelijk veroordeeld om Payper Payroll een voorschot van € 715.063,22 te betalen.
2.3.
De Vava-vennootschappen zijn bij vonnissen van 9 en 10 september 2025 op eigen aangifte failliet verklaard met benoeming van de Curator tot curator en mr. C.G.E. Prenger tot rechter-commissaris. Alle faillissementen worden behandeld door de rechtbank Rotterdam.
2.4.
Participaties c.s. hebben samen vorderingen in het faillissement van de Vava-vennootschappen ingediend voor een bedrag van meer dan € 7.000.000,00. Van der Valk Participaties II stelt pandrechten te hebben op de activa van de Vava-vennootschappen. Zij heeft hiertoe op 13 juni 2025 een onderhandse akte laten registreren bij de Belastingdienst.
2.5.
De Vava-vennootschappen exploiteerden Italiaanse fastfood restaurants in Nederland onder de naam “ [naam 1] ”. [naam 1] is een franchiseformule van de Tsjechische franchisegever VAP Franchising s.r.o. (in de stukken ook wel aangeduid als “ [naam 2] ”).
2.6.
Bij de Vava-vennootschappen waren voor het faillissement ca. 240 werknemers werkzaam.
2.7.
Van der Valk Participaties II heeft op 10 september 2025 op het kantoor van de Curator in een gesprek met twee medewerkers van de Curator haar belangstelling uitgesproken om de ondernemingen van de Vava-vennootschappen voort te zetten. Een van die twee medewerkers was mr. [persoon B] , verbonden aan hetzelfde advocatenkantoor als de Curator. In overleg met (medewerkers van) de Curator is besloten om de restaurants open te houden om de kans op een doorstart te vergroten.
2.8.
De Vava-vennootschappen hebben op 10 september 2025 op verzoek van de Curator (zekerheids)documentatie verstrekt. Deze documentatie is met medewerking van de Curator in een dataroom beschikbaar gemaakt voor potentiële kopers. Namens de Curator is een bidbook opgesteld, waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder alle activa van de Vava-vennootschappen met het oog op een doorstart worden verkocht. In het bidbook staat dat gegadigden uiterlijk 19 september 2025 een bod dienen uit te brengen en dat de Curator omstreeks 26 september 2025 in contact zal treden met de partijen die naar het oordeel van de Curator het beste bod hebben uitgebracht. Het bidbook is op 16 september 2025 aan Van der Valk Participaties II en een aantal andere potentiële kopers verstuurd.
2.9.
Een aantal potentiële bieders heeft een Non Disclosure Agreement (NDA) getekend en heeft toegang verkregen tot de dataroom. Dat heeft geleid tot een aantal biedingen.
2.10.
Ook Van der Valk Participaties II heeft op 19 september 2025 een bod uitgebracht. Dat bod was indicatief en nog aan voorwaarden onderworpen (o.a. interne goedkeuring, overeenstemming met de franchisegever en met alle verhuurders over nieuwe huurovereenkomsten met minimaal vergelijkbare condities). Van der Valk Participaties II heeft ook de voorwaarde gesteld dat haar bod uiterlijk 26 september 2025 aanvaard moest zijn.
2.11.
Bij e-mail van 24 september 2025 heeft de advocaat van Participaties c.s. zich er bij de Curator over beklaagd dat een medewerker van de Vava-vennootschappen (de heer [persoon C] ) door de Curator telefonisch met aansprakelijkstelling was bedreigd, indien opnieuw rechtstreeks contact zou worden opgenomen met verhuurders van de Vava-vennootschappen. De Curator heeft bij e-mail van diezelfde dag gereageerd. In die mail staat onder meer:
“Het is inmiddels komen vast te staan dat de heer [persoon C] zonder mijn instemming, en zonder mij voorafgaand of achteraf te informeren, contact heeft opgenomen met verhuurders. Deze handelwijze is niet acceptabel en ondermijnt het belang van de boedel. Ik stel dan ook nadrukkelijk dat ik dit niet toelaat. Het is goed dat de heer [persoon C] inmiddels telefonisch heeft bevestigd dat hij hiervan zal afzien.”
2.12.
De advocaat van Participaties c.s. heeft daarop weer gereageerd met de mededeling dat het hem niet bekend is dat [persoon C] een dergelijke bevestiging heeft gegeven en ook – samengevat – dat het verbod om contact op te nemen met verhuurders “een nadere toelichting behoeft”, omdat het biedingsproces te lang duurt en een volwaardige doorstart daardoor in gevaar komt.
2.13.
Mr. [persoon B] heeft op 26 september 2025 in een telefoongesprek met de advocaat van Van der Valk Participaties II verklaard dat het bod van Van der Valk Participaties II te laag was.
2.14.
Van der Valk Participaties II heeft op 26 september 2025 haar bod verhoogd. Van der Valk Participaties II heeft een voorbehoud (interne goedkeuring) laten vallen en de overige voorwaarden gehandhaafd. Van der Valk Participaties II heeft de Curator verzocht om haar nieuwe bod uiterlijk op 29 september 2025 te aanvaarden.
2.15.
De advocaat van Van der Valk Participaties II heeft bij e-mail aan de Curator van 29 september 2025 namens Van der Valk Participaties II zijn zorgen uitgesproken over de voortgang van de faillissementen. Van der Valk Participaties II heeft in de brief gesteld dat er nagenoeg geen contact heeft plaatsgevonden tussen de Curator en het bestuur van de Vava-vennootschappen en dat de Curator structureel niet bereikbaar is gebleken voor afstemming of overleg.
2.16.
De Curator heeft bij e-mail van 30 september 2025 op de brief van 29 september 2025 gereageerd. Hij heeft geschreven dat hij de zorgen niet kan plaatsen en dat gesprekken worden gevoerd met het oog op een mogelijke doorstart. De Curator heft ook geschreven dat de advocaat van Van der Valk Participaties II het beheer van de boedel bemoeilijkt door rechtstreeks contact te zoeken met de verhuurders en met de Belastingdienst.
2.17.
Bij e-mail van 30 september 2025 heeft de advocaat van Van der Valk Participaties II zich gewend tot de rechter-commissaris om zich te beklagen over – kortweg - het gebrek aan bereikbaarheid van de Curator en aan voortgang en ook dat de Curator de afwikkeling van de faillissementen overlaat aan twee medewerkers zonder ervaring als curator. Van der Valk Participaties II heeft geschreven dat de grootste risico's als gevolg van de talmende houding en de kennelijke onbeschikbaarheid van de Curator verband houden met de positie van de verhuurders en het personeel. Volgens Van der Valk Participaties II dreigen zij op zoek te gaan naar een andere huurder of werkgever, waardoor een doorstart in gevaar komt.
2.18.
Bij e-mail van 2 oktober 2025 aan de rechter-commissaris heeft Van der Valk Participaties II daaraan toegevoegd, dat de Curator bepaalde informatie niet met Van der Valk Participaties II heeft gedeeld, zoals de opzegging van een huurovereenkomst en een bericht van de franchisegever dat zij rechten op inventariszaken pretendeert. Van der Valk Participaties II heeft ook aangevoerd dat de ondernemingen in problemen dreigen te komen, doordat de Curator niet tijdig afspraken heeft gemaakt met KPN over voortzetting van het internetabonnement, waardoor twee restaurants niet volledig operationeel zijn.
2.19.
Bij e-mail van 3 oktober 2025 heeft Van der Valk Participaties II de Curator geschreven zij als pandhouder haar recht van parate executie wenst uit te oefenen en dat zij zo snel mogelijk tot verkoop van de verpande voorraadzaken en bedrijfsinventaris van de Vava-vennootschappen wil overgaan.
2.20.
Bij brief van 6 oktober 2025 heeft de Curator het pandrecht betwist, omdat het niet geldig gevestigd zou zijn. De Curator heeft het pandrecht, voor zover het tot stand zou zijn gekomen, vernietigd op grond van faillissementspauliana (artikel 42 Faillissementswet Pro).
2.21.
Bij e-mail van 6 oktober 2025 heeft mr. [persoon B] aan de advocaat van Van der Valk Participaties II medegedeeld dat de Curator overeenstemming had bereikt over de verkoop van Vava-Leidsenhage aan de hoogste bieder. Zij heeft in die e-mail gevraagd of Van der Valk Participaties II interesse heeft om de activa en werknemers van de overige restaurants over te nemen.
2.22.
Op 7 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris een hoorgesprek gehouden, waaraan is deelgenomen door de Curator en de advocaat van Van der Valk Participaties II. Het doel van dat gesprek was om de rechter-commissaris in staat te stellen om een geïnformeerde beslissing te nemen op het machtigingsverzoek van de Curator om tot een doorstart te komen van de onderneming van Vava-Leidsenhage. De advocaat van Van der Valk Participaties II heeft bij die gelegenheid het bod van Van der Valk Participaties II op van 26 september 2025 toegelicht. Dat bod bleek te zijn gedaan namens [naam 2] . Na afloop van het gesprek heeft de rechter-commissaris de Curator machtiging verleend om het bod van een derde partij op de activa van Vava-Leidsenhage te aanvaarden.
2.23.
Op 7 oktober 2025 heeft de Curator een koopovereenkomst gesloten met die derde partij met betrekking tot de activa van Vava-Leidsenhage.
2.24.
Op 9 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris op verzoek van de Curator een afkoelingsperiode afgekondigd (artikel 63a Faillissementswet).
2.25.
Bij e-mail van 15 oktober 2025 heeft [naam 2] een nieuw bod uitgebracht dat mede betrekking had op de activa van Vava-Leidsenhage. In de e-mail wordt een oplossing gesuggereerd voor de reeds door de Curator met een derde gesloten koopovereenkomst met betrekking tot Vava-Leidsenhage. Die oplossing hield in dat [naam 2] zich zou inspannen om op dezelfde locatie in Leidsenhage een alternatieve locatie voor de vestiging van een fastfood restaurant te vinden ten behoeve van die derde. Daardoor zou die derde haar eigen concept op een alternatieve locatie kunnen realiseren, terwijl het [naam 1] -concept op de bestaande locatie kon worden voortgezet.
2.26.
De Curator heeft [naam 2] op 15 oktober 2025 geschreven dat hij over Leidsenhage al overeenstemming had bereikt met een andere partij. [naam 2] heeft haar bod vervolgens ingetrokken.
2.27.
Op 16 oktober 2025 is een online publicatie verschenen van RTL-Z onder de titel: “Curator restaurantketen [naam 1] botst met horecagigant Van der Valk”. In dat artikel staat onder meer:
“Ik heb het pandrecht betwist en voor zover nodig vernietigd”, Licht [persoon A] desgevraagd toe. “Dat kan een curator doen als een pandrecht is gevestigd op een moment dat een faillissement al te voorzien was.” Als waardevolle delen aan een bedrijf worden onttrokken op een moment dat men al had kunnen weten dat een faillissement mogelijk was, dan worden andere schuldeisers benadeeld, legt hij uit.”

3.Het verzoek en de gronden ervan

3.1.
Het verzoek strekt ertoe dat de Curator wordt ontslagen en wordt vervangen door een andere curator (artikel 73 lid 1 Faillissementswet Pro).
De gronden van het verzoek
3.2.
Aan het verzoek hebben Participaties c.s. – samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.
  • i) De Curator is onvoldoende beschikbaar. Er heeft nagenoeg geen contact plaatsgevonden en de Curator is structureel niet bereikbaar gebleken. De Curator heeft op 10 september 2025 tijdens een inventarisatiegesprek gezegd: “
  • ii) De Curator beheert de boedel niet naar behoren. Hij slaagt er niet in om afspraken te maken met leveranciers (o.a. KPN en de leverancier van pastasaus), verhuurders en werknemers, waardoor een integrale doorstart in gevaar komt. Een beslissing over een geste voor de werknemers heeft lang op zich laten wachten;
  • iii) Het biedingsproces is niet transparant en eerlijk. De Curator heeft cruciale informatie niet gedeeld, waaronder i) de opzegging van de huurovereenkomst van de locatie Rotterdam-Binnenrotte van 26 september 2025 en ii) het bericht van de franchisegever van 24 september 2025 waaruit volgt dat zij rechten op de inventariszaken pretendeert;
  • iv) De Curator lijkt gericht te zijn op de separate verkoop van de meest rendabele [naam 1] -vestiging, Vava-Leidsenhage, en hij doet daardoor aan cherry-picking, waardoor de schuldeisers schade zullen lijden. Dat is in strijd met het belang van de boedel en onzorgvuldig;
  • v) De Curator heeft een subliem doorstartvoorstel van [naam 2] ten onrechte afgewezen;
  • vi) De Curator handelt onbetamelijk en curator-onwaardig door Van der Valk Participaties II en haar advocaat onder dreiging met aansprakelijkheid te verbieden om contact op te nemen met verhuurders. Andere overnamekandidaten zijn niet door een dergelijk verbod beperkt in het leggen van contact met verhuurders en dat verstoort het level playing field;
  • vii) De Curator heeft over het pandrecht van Van der Valk Participaties II een onjuist standpunt ingenomen en hij heeft dat standpunt niet willen herzien;
  • viii) De Curator heeft in de media onjuiste mededelingen gedaan over het pandrecht van Van der Valk Participaties II;
  • ix) De Curator heeft een afkoelingsperiode afgekondigd op een te laat tijdstip en hij maakt daardoor misbruik van recht;
  • x) De Curator heeft verklaringen afgelegd die onwaar zijn en hij is onvoldoende transparant geweest; het bericht op 6 oktober 2025 dat
  • xi) De Curator verwaarloost de belangen van de werknemers. Werknemers hebben negatieve verklaringen afgelegd over de samenwerking met de Curator;
  • xii) De Curator heeft nog meer fouten gemaakt. De Curator laat boedelschuldeisers onbetaald, zoals de royalty’s van [naam 2] . De Curator heeft geen specifieke instructie gegeven om BTW-aangifte te doen, waardoor boetes dreigen te worden opgelegd, en hij heeft kennelijk het klantnummer bij Bavaria van Vava-Leidsenhage vooruitlopend op een verkoop aan een derde alvast laten omzetten, zodat niet meer besteld kon worden. De lijst met fouten is nog langer.

4.Het standpunt van de Curator

4.1.
De Curator verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe – samengevat - het volgende aan.
4.2.
Participaties c.s. zijn niet-ontvankelijk. Niet elke verzoeker is schuldeiser in elk van de faillissementen. Participaties c.s. hebben hun stelling dat zij schuldeiser in alle faillissementen zijn niet onderbouwd.
4.3.
Het verwijt dat de Curator een talmende houding zou aannemen, is niet terecht. Het werk is zoveel mogelijk gedelegeerd aan daartoe geëquipeerde medewerkers. De Curator houdt het overzicht, beoordeelt en neemt de beslissingen. Dat de Curator zou hebben gezegd dat het faillissement op een voor hem ongunstig moment zou zijn gekomen, wordt betwist. Het is terecht dat de Curator voorzichtig is geweest met het voeren van overleg met (leden van) het bestuur van de Vava-vennootschappen, omdat datzelfde bestuur ook de bieder vertegenwoordigt. De Curator moet waken voor een eerlijk en transparant biedingsproces.
4.4.
De gestelde fouten bij de exploitatie worden betwist. Die gestelde fouten zijn kennelijk gebaseerd op mededelingen van [persoon C] en zij zijn zonder verificatie in het verzoekschrift beland. Het is ook niet de taak van de Curator om zich in detail met de operaties bezig te houden. Dat kan het management beter. Met leveranciers, zoals KPN, is overeenstemming bereikt. Beslissingen ten aanzien van het al dan niet (trachten te) behouden van werknemers zijn een kwestie van boedelbeheer. Deze klachten zijn al eerder door de rechter-commissaris afgewezen.
4.5.
Het biedingsproces is eerlijk en transparant geweest. De opzegging van de verhuur van Vava-Rotterdam Binnenrotte is, voor zover al relevant, ook niet gedeeld met andere bieders. Het bericht van de franchisegever van 24 september 2025 waaruit volgt dat zij rechten op de inventariszaken pretendeert, is kennelijk ingegeven door strategische afstemming tussen Van de Valk Participaties II en [naam 2] , omdat inmiddels is gebleken dat 22,6% van de aandelen in het kapitaal van [naam 2] in handen is van een persoon die aan Van der Valk Participaties II is gelieerd.
4.6.
De verkoop van de activa van Vava-Leidsenhage is in het belang van de boedel. Het bod van Van der Valk Participaties II van 26 september 2025 was te laag. Van der Valk Participaties II heeft tijdens het hoorgesprek bij de rechter-commissaris haar bod nog kunnen toelichten en heeft vragen van de rechter-commissaris beantwoord. Daarna heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven voor de verkoop van Vava-Leidsenhage aan een derde. Het bod van [naam 2] van 15 oktober 2025 kwam te laat. Toen was Vava-Leidsenhage al aan een derde verkocht. Het bod was bovendien voorwaardelijk, zodat het niet “subliem” was, maar bij aanvaarding onzekerheid voor de boedel zou meebrengen.
4.7.
Het is niet onbetamelijk dat de Curator Van der Valk Participaties II en haar vertegenwoordigers een verbod heeft opgelegd om buiten hem om contact op te nemen met verhuurders. Een verzoek om toestemming om verhuurders te mogen benaderen is door de Curator afgewezen. Daar hebben Participaties c.s. zich niets van aangetrokken. Een verbod was nodig om voor een eerlijk biedingsproces te zorgen.
4.8.
Het pandrecht is in het belang van de boedel op grond van vestigingsgebreken betwist en voor zover nodig op grond van faillissementspauliana vernietigd. Overigens is het belang van het pandrecht beperkt, indien de Belastingdienst haar voorrecht op de bodemzaken geldend maakt. De afkoelingsperiode is niet door de Curator, maar door de rechter-commissaris afgekondigd. Dat was in het belang van de boedel. In de faillissementsverslagen staat op een neutrale wijze dat de Curator het pandrecht betwist en voor zover nodig heeft vernietigd. Naar aanleiding van de verslagen hebben media contact gezocht met de Curator en heeft de curator duiding gegeven aan de verslagen.
4.9.
De Curator betwist dat hij onware verklaringen heeft gedaan. Vava-Leidsenhage was op 6 oktober 2025 verkocht onder de gebruikelijke voorwaarde dat de rechter-commissaris moest instemmen. Dat de koper niet deugdelijk geïnformeerd zou zijn over pandrecht en huuropzegging is klinkklare onzin. De Curator kan in een biedingsproces niet volledig transparant zijn.
4.10.
De communicatie met de ca. 240 werknemers verloopt voornamelijk via de vestigingsmanagers. De Curator begrijpt de teleurstelling over het ontslag en het feit dat geen algehele doorstart is gerealiseerd. Dat is geen fout van de Curator, maar een gevolg van het faillissement. Participaties c.s. hebben zelf weinig oog gehad voor de belangen van de werknemers, omdat zij de Vava-vennootschappen het eigen faillissement hebben laten aanvragen, toen de Vava-vennootschappen waren veroordeeld om Payper te betalen.
4.11.
De Curator betwist dat schuldeisers ten onrechte onbetaald zijn gelaten. De kwalificatie van schulden is een taak van de Curator en de erkenning of betwisting ervan zal tijdens de verificatievergadering plaatsvinden. De BTW-kwestie berust op een vermeend gesprek met een medewerker van de Curator, waarin gezegd zou zijn dat er geen administratie meer wordt gevoerd. Dat gesprek wordt betwist. Op 29 oktober 2025 hebben de boedels de administrateur verzocht om BTW-aangifte te doen. De Curator heeft geen opdracht gegeven om het klantnummer van Vava-Leidsenhage bij Bavaria te wijzigen. Dat is kennelijk een gevolg geweest van een gesprek tussen de koper en de leverancier. Toen dit werd ontdekt, is het teruggedraaid. Meer in het algemeen stellen en onderbouwen Participaties c.s. onvoldoende concreet dat de Curator fouten heeft gemaakt en dat daardoor schade aan de boedels is ontstaan.

5.Het standpunt van de rechter-commissaris

5.1.
De rechter-commissaris heeft haar standpunt kenbaar gemaakt bij brief van 7 november 2025. Dat standpunt komt – samengevat – op het volgende neer. Van de ontvankelijkheid van Participaties c.s. in hun verzoek ten aanzien van alle Vava-vennootschappen kan niet worden uitgegaan. Van fouten in het boedelbeheer is geen sprake, laat staan van fouten die zwaarwegend genoeg zijn. De ondernemingen zijn gedurende enkele weken opengebleven om een doorstart mogelijk te maken. De voortzetting is goed verlopen, heeft een netto positief resultaat gehad en zal een substantiële bate (van meer dan € 1.000.000,00) opleveren voor de boedel. Dat de Curator de werkzaamheden in verband met de voortzetting (vergaand) heeft gedelegeerd aan kantoorgenoten met een lager uurtarief heeft hieraan bijgedragen. De rechter-commissaris is niet gebleken van ernstige verstoringen in de bedrijfsvoering die toerekenbaar zouden zijn aan de Curator en zijn team. Er zijn ook geen derde partijen die zich in dat kader hebben gemeld.
5.2.
De rechter-commissaris onderschrijft niet de stelling van Participaties c.s. dat het biedingsproces niet zorgvuldig en transparant is geweest. Er is actieve marktverkenning geweest, waarbij ook horecamakelaars zijn ingeschakeld. Er is een dataroom opengesteld voor gegadigden, een bidbook opgesteld en er zijn verschillende partijen geweest die een NDA hebben getekend en daarna toegang hebben gekregen tot de dataroom. De Curator heeft vervolgens onderhandeld met de partij die de beste bieding had uitgebracht.
5.3.
Het ontslagverzoek moet beoordeeld worden tegen de achtergrond van de omstandigheid dat Van der Valk Participaties II enig aandeelhouder en bestuurder is van de Vava-vennootschappen en ook pandhouder en bieder op de activa van de Vava-vennootschappen, nadat de faillissementen op eigen aangifte waren uitgesproken. Dat de Curator er in bepaalde fasen voor heeft gekozen om de communicatie af te houden en
eerst onderzoek te doen naar andere, niet-gelieerde en potentieel betere biedingen, is vanuit
het boedelbelang bezien te billijken.
5.4.
Er heeft op 7 oktober 2025 een hoorgesprek plaatsgevonden, waarin de advocaat van Van der Valk Participaties II het bod nader heeft toegelicht. Daarna heeft de rechter-commissaris de Curator gemachtigd om het bod van een andere partij te aanvaarden, omdat dat bod de boedel netto een substantieel hogere bate zou opleveren. Daarbij is meegenomen dat Van der Valk Participaties II, mocht sprake zijn van een geldig pandrecht, in dat scenario niet benadeeld wordt ten opzichte van haar eigen bieding.
5.5.
Het ontslag van de Curator is niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren, omdat de opgedane kennis verloren gaat en een opvolger tegen hoge kosten tijd moet besteden om zich de faillissementen eigen te maken. Dit leidt tot de volgende conclusie: naar het oordeel van de rechter-commissaris verricht de Curator de hem in artikel 68 Faillissementswet Pro gegeven taak om de failliete boedel te beheren en te vereffenen behoorlijk en zijn er geen omstandigheden die het verzochte ontslag van de curator rechtvaardigen.

6.De beoordeling

Ontvankelijkheid
6.1.
Tegenover de concrete en gedetailleerde betwisting door de Curator hebben Participaties c.s. onvoldoende onderbouwd welke verzoeker schuldeiser is in welk faillissement. Participaties c.s. hebben een geconsolideerde benadering bepleit, waarbij in feite aan de identiteitsverschillen tussen de Vava-vennootschappen, wordt voorbijgegaan, maar voor die benadering is geen wettelijke basis. Dat neemt niet weg dat ook volgens de stellingen van de Curator sommige verzoekers wel schuldeiser zijn in sommige van de faillissementen in die zin dat zij in sommige faillissementen vorderingen hebben ingediend. Een beslissing over de ontvankelijkheid van elke verzoeker ten aanzien van elke failliete vennootschap kan achterwege blijven, omdat het verzoek van alle verzoekers – als er van wordt uitgegaan dat zij ontvankelijk zijn - op inhoudelijke gronden wordt afgewezen.
Toetsingskader
6.2.
Artikel 73 lid 1 Faillissementswet Pro luidt:
“De rechtbank heeft de bevoegdheid de curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeisers, de commissie uit hun midden, of de gefailleerde.”
6.3.
De bevoegdheid van de rechtbank om de curator te ontslaan is een discretionaire bevoegdheid. Beoordeeld moet worden of er zwaarwegende omstandigheden zijn die het ontslag van de curator rechtvaardigen. Zwaarwegende omstandigheden zijn bijvoorbeeld: ernstige fouten bij het beheer van de boedel, misdragingen jegens de persoon van de gefailleerde, belangenverstrengeling en frauduleuze handelingen.
6.4.
Artikel 73 Faillissementswet Pro is niet bedoeld om het beleid van de curator te laten toetsen. Toezicht op dat beleid wordt door de rechter-commissaris uitgeoefend. De rechter-commissaris heeft daarbij een ruime bevoegdheid. Artikel 69 Faillissementswet Pro geeft een schuldeiser de bevoegdheid om tegen handelingen van de curator bij de rechter-commissaris op te komen of van de rechter-commissaris een bevel uit te lokken dat de curator een bepaalde handeling verricht of nalaat.
Geen gronden voor ontslag
6.5.
Het verzoek van Participaties c.s. wordt, zoals onder 6.1 al is gezegd, afgewezen. Van zwaarwegende omstandigheden die vervanging van de Curator rechtvaardigen is niet gebleken. Daartoe is het volgende redengevend.
6.6.
De klachten van Participaties c.s. over beschikbaarheid en bereikbaarheid van de Curator (grond 3.2 (i)) houden tegenover de gemotiveerde betwisting van de Curator geen stand. In dit verband heeft de Curator onbetwist aangevoerd dat delegatie van werkzaamheden gebruikelijk en ook gewenst is en dat de gedelegeerde werkzaamheden steeds onder zijn regie hebben plaatsgevonden. Participaties c.s. hebben niet betwist dat onder regie van de Curator de ondernemingen met het oog op een doorstart aanvankelijk zijn voortgezet, dat een dataroom is ingericht, dat een bidbook is opgesteld en dat verschillende partijen biedingen hebben uitgebracht. Participaties c.s. kunnen niet verlangen dat de Curator hen op afroep te woord staat, wel dat door of namens de Curator adequaat op vragen of mededelingen wordt gereageerd. Dat dit niet is gebeurd is onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Participaties c.s. niet uitgelegd, wat er in hun ogen als gevolg van onvoldoende beschikbaarheid en bereikbaarheid van de Curator is misgegaan.
6.7.
Participaties c.s. hebben gesteld dat sprake is geweest van ernstige fouten bij het beheer van de boedel (gronden 3.2 (ii) en (xii)). De voorbeelden die Participaties c.s. in dit verband hebben genoemd (geen tijdige afspraken met KPN, het niet bestellen van pastasaus, een dreigend personeelstekort, vertraging bij het beslissen over een geste voor de werknemers, het klantnummer bij Bavaria en de kennelijke miscommunicatie rond de BTW-aangifte) zijn door de Curator gemotiveerd betwist en zij zijn, ook als zij juist zouden zijn, van onvoldoende gewicht om ontslag te rechtvaardigen. De Curator hoeft zich niet met ieder detail van de operatie bezig te houden. De Curator heeft betwist dat hij ten onrechte schulden onbetaald laat. Er zijn wel schulden waarvan de status nog niet vaststaat en dat is iets anders. Het is de taak van de Curator om schulden te kwalificeren, te erkennen en te betwisten. Als schuldeisers het met de uitkomst niet eens zijn, staan er andere wegen open dan het ontslag van de Curator.
6.8.
De klachten van Participaties c.s. over het biedingsproces houden overwegend verband met een verschil van inzicht tussen Participaties c.s. en de Curator over een door Participaties c.s. gewenste doorstart. Uit de gewisselde correspondentie stijgt het beeld op dat Participaties c.s. en hun advocaat met grote vasthoudendheid hebben geprobeerd om Participaties c.s. (althans Van der Valk Participaties II) te positioneren als enige overnamekandidaat en dat de Curator in weerwil van die pogingen een competitief biedingsproces heeft willen bewerkstelligen, waarbij andere kandidaten niet door Participaties c.s. op een oneigenlijke manier uit de race werden gereden, bijvoorbeeld door buiten de Curator om contact op te nemen met verhuurders en de Belastingdienst. Dat de Curator de contacten met Participaties c.s. af en toe heeft afgehouden, is tegen die achtergrond te billijken. Tegen die achtergrond is ook te billijken dat de Curator stevig positie heeft gekozen, bijvoorbeeld door middel van (het dreigen met) aansprakelijkstellingen. Dat is, anders dan Participaties c.s. stellen, niet “onbetamelijk” of “curator-onwaardig”.
6.9.
Participaties c.s. menen kennelijk dat hun verbeterde bod van 26 september 2025 op de activa van de Vava-vennootschappen aanvaard had moeten worden en de Curator heeft met toestemming van de rechter-commissaris anders beslist. Een dergelijke beslissing valt binnen de vrijheid die een curator heeft bij het uitoefenen van zijn in artikel 68 Faillissementswet Pro bedoelde taak. Het standpunt van de rechter-commissaris dat – kortweg – de verkoop aan een derde de boedel netto een substantieel hogere bate zou opleveren dan een verkoop aan Participaties c.s. en ook dat de positie van Van der Valk Participaties II als mogelijke pandhouder niet door de verkoop aan een derde wordt geschaad, is door Participaties niet voldoende gemotiveerd weersproken. Het bod van [naam 2] van 15 oktober 2025 werd ruim buiten de biedingstermijn uitgebracht en nadat de Curator al overeenstemming had bereikt over verkoop van de onderneming van Vava-Leidsenhage aan een derde. Het bod van [naam 2] was niet met de verkoop van Vava-Leidsenhage te verenigen, omdat het uitdrukkelijk ook op de activa van Vava-Leidsenhage betrekking had. Participaties c.s. mochten niet verwachten dat de Curator reeds gemaakte afspraken zou schenden om een te laat binnengekomen bod te faciliteren. De samenhangende gronden die hiervoor onder 3.2 (iii), (iv), (v), (vi) zijn weergegeven, rechtvaardigen daarom geen ontslag.
6.10.
De gronden onder 3.2 (vii), (viii) en (ix) houden verband met het pandrecht dat Van der Valk Participaties II stelt te hebben op de activa van de Vava-vennootschappen. Het staat de Curator vrij om, als hij daarvoor gronden aanwezig acht, het pandrecht te betwisten of te vernietigen. Die bevoegdheid heeft hij ten dienste van de hem opgedragen taak (artikel 68 lid 2 onder Pro a Faillissementswet). Van der Valk Participaties II kan daartegen opkomen in andere procedures als zij dat wenst. Het is niet de Curator, maar de rechter-commissaris die de afkoelingsperiode heeft afgekondigd (artikel 63a Faillissementswet). Dat de Curator hierom heeft verzocht, levert geen misbruik van recht op. De Curator heeft onbetwist verklaard dat hij vragen over het pandrecht heeft beantwoord van journalisten die contact hebben opgenomen na publicatie van de faillissementsverslagen en dat hij niet zelf de publiciteit heeft gezocht. De mededelingen in de media over het pandrecht die aan de Curator worden toegeschreven, zijn niet onjuist.
6.11.
Participaties c.s. hebben gesteld dat de Curator verklaringen heeft afgelegd die onwaar zijn en dat hij onvoldoende transparant is geweest (grond 3.2 (x)). Die stellingen worden verworpen. De verklaring over de verkoop van Vava-Leidsenhage op 6 oktober 2025 was niet onwaar om de door Participaties c.s. genoemde reden dat die transactie nog was onderworpen aan het verkrijgen van een machtiging van de rechter-commissaris. De strekking van die verklaring was evident dat de boedel zich op 6 oktober 2025 niet meer vrij achtte om dezelfde activa ook aan Van der Valk Participaties II te verkopen. De stellingen over gebrek aan transparantie zijn tegenover de betwisting door de Curator onvoldoende concreet onderbouwd.
6.12.
Het laatste verwijt dat Participaties c.s. de Curator maakt, is dat de Curator de belangen van de werknemers verwaarloost (grond 3.2 (xi)). Voor zover Participaties c.s. hiermee bedoelen dat hun bod of dat van [naam 2] om maatschappelijke redenen verkozen had moeten worden boven de verkoop van de activa van Vava-Leidsenhage aan een derde, geldt dat het faillissement in de eerste plaats de belangen van de gezamenlijke schuldeisers dient. Hiervoor is onder 6.9 al overwogen dat Participaties c.s. onvoldoende hebben weersproken dat verkoop van de activa van Vava-Leidsenhage de hoogste netto baten voor de boedel opbracht. Onder bijzondere omstandigheden kan het belang van de werknemers bij het behoud van hun baan zwaarder wegen dan het belang van de gezamenlijke schuldeisers, maar in dit geval is, mede gelet op de huidige situatie op de arbeidsmarkt, onvoldoende gebleken van een zodanige onevenwichtigheid dat de Curator niet tot de door hem gekozen uitkomst kon komen. Het is begrijpelijk dat bij de werknemers gevoelens van teleurstelling bestaan over het faillissement en het mislukken van een doorstart, zoals blijkt uit de overgelegde verklaringen, maar dat is geen zwaarwegende omstandigheid die de Curator kan worden aangerekend.
6.13.
Tenslotte heeft de rechtbank bij haar oordeel ook het advies van de rechter-commissaris betrokken. Zij heeft geconcludeerd dat de Curator de hem in artikel 68 Faillissementswet Pro gegeven taak om de failliete boedel te beheren en te vereffenen behoorlijk verricht en dat er geen omstandigheden zijn die het verzochte ontslag van de curator rechtvaardigen.
6.14.
De conclusie op basis van het voorgaande is dat van zwaarwegende omstandigheden die vervanging van de Curator rechtvaardigen niet is gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Bezwaren tegen het laat indienen van stukken worden afgewezen
6.15.
Participaties c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen het verweerschrift van de Curator van 7 november 2025 en de akte van de Curator van 10 november 2025, omdat die te laat en daardoor in strijd met een goede procesorde zin ingediend. Participaties c.s. wensen, mochten deze stukken worden geaccepteerd, nog bij antwoordakte kunnen reageren. Het bezwaar wordt afgewezen en het nemen van een antwoordakte wordt niet toegestaan. Het verweerschrift was ingediend binnen de termijn van artikel 282 lid 1 Rv Pro. Participaties c.s. hebben bij akte van 7 november 2025 nadere omstandigheden aan hun verzoek ten grondslag gelegd en producties in het geding gebracht. De akte van de Curator van 10 november 2025 houdt een reactie in op de akte van Participaties c.s. van 7 november 2025. De Curator had niet veel sneller kunnen reageren en van strijd met een goede procesorde is geen sprake.
Mondeling uitspraak
6.16.
De Curator heeft verzocht dat de rechtbank mondeling uitspraak doet. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de afronding van de verkoop van de activa van Vava-Leidsenhage wordt bemoeilijkt doordat zijn ontslag “boven de markt hangt”. Die transactie dreigt daardoor te mislukken. Dat is schadelijk voor de boedel. Er dient op korte termijn een kortgeding tegen de verhuurder van Vava-Leidsenhage en ook met het oog hierop is duidelijkheid over de positie van de Curator belangrijk.
6.17.
Participaties c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat zij de spoedeisendheid van een beslissing onderschrijven, maar de voorkeur geven aan een uitgewerkte beslissing.
6.18.
De rechtbank heeft op 11 november 2025 op de voet van artikel 29a lid 5 Rv mondeling uitspraak gedaan omdat naar haar oordeel een schriftelijke uitspraak niet kon worden afgewacht vanwege het door de Curator gestelde spoedeisende belang. Deze schriftelijke uitwerking op de voet van artikel 29a lid 6 Rv komt tegemoet aan het belang dat Participaties c.s. hechten aan een uitgewerkte beschikking.

7.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot ontslag van de Curator af.
Deze beschikking is op 11 november 2025 in het openbaar mondeling gegeven door mr. P.D. Olden, rechter, in tegenwoordigheid van N.J. C. Wolfert, griffier, en op 14 november 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
[3669/3965/106]