ECLI:NL:RBROT:2025:13235

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/10/693024 / FA RK 25-476
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 lid 1 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over ouderlijk gezag, omgangsregeling en kinderbijdrage na intrekking verzoeken

De man en vrouw zijn ouders van drie minderjarige kinderen en hebben een procedure gevoerd over gezamenlijk gezag, omgangsregeling en kinderbijdrage. De man trok zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in, waarna de rechtbank dit verzoek afwees. Beide partijen trokken ook hun verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling in, omdat de man geen vertrouwen had in contactherstel en fundamentele obstakels zag. De rechtbank benoemde een bijzondere curator die met partijen en kinderen sprak; de kinderen wilden wel contact, maar het contact kwam niet tot stand.

De rechtbank stelde een brief op voor de kinderen waarin werd uitgelegd dat er voorlopig geen contact met de vader zal zijn, ondanks het verdriet dat dit veroorzaakt. De bijzondere curator is daarmee beëindigd, tenzij er hoger beroep komt. De vrouw verzocht tevens vaststelling van een kinderbijdrage met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023. De man voerde verweer, maar de rechtbank oordeelde dat hij in redelijkheid rekening had moeten houden met de bijdrage en stelde de ingangsdatum op 1 januari 2023.

De rechtbank berekende de behoefte van de kinderen en de draagkracht van beide ouders over verschillende perioden, rekening houdend met inkomenswijzigingen van de man. De man moet een maandelijkse bijdrage betalen die stijgt van €154 per kind in 2023 tot €196 per kind vanaf 2025. De zorgkorting werd niet toegepast vanwege het uitblijven van een omgangsregeling. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en staat open voor hoger beroep.

Uitkomst: Verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling worden afgewezen na intrekking; kinderbijdrage wordt vastgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/693024 / FA RK 25-476
Beschikking van 28 oktober 2025 over het ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de kinderbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.M. Menheere te Den Haag.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
[naam 1], advocaat te Rotterdam, hierna: de bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 januari 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 21 februari 2025;
  • de beschikking van 28 mei 2025 waarbij [naam 1] is benoemd tot bijzondere curator;
  • het verslag van de bijzondere curator van 28 juli 2025;
  • de berichten met bijlagen van de man van 18 september 2025 en 22 september 2025;
  • het verweerschrift tegen zelfstandigen verzoeken met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 19 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 september 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] .
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 1] heeft schriftelijk gereageerd.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3.
De vrouw heeft het eenhoofdig gezag.
2.4.
Partijen zijn op 23 november 2022 een ouderschapsplan overeengekomen.

3.De beoordeling

Het gezag
3.1.
De man heeft zijn verzoek ten aanzien van het gezamenlijk ouderlijk gezag ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
De omgangsregeling
3.2.
De man heeft op 21 februari 2025 een verzoek ingediend om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarigen. Kort gezegd verzoekt de man een regeling te bepalen waarbij de minderjarigen om het weekend van vrijdag na school tot zondag 18:00 uur bij hem zijn en de helft van de vakanties. De vrouw heeft ook een verzoek ingediend voor vaststelling van een omgangsregeling dat in grote lijnen overeenkomt met het verzoek van de man. Omdat de minderjarigen al lang geen contact hebben met hun vader, heeft de rechtbank een bijzondere curator benoemd. De bijzondere curator heeft met beide partijen en de minderjarigen gesproken. De minderjarigen hebben bij de bijzondere curator aangegeven graag contact met hun vader te willen.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man, in afwijking van zijn verzoek, gesteld dat contactherstel tussen hem en de minderjarigen op dit moment niet mogelijk is. Er zouden voor hem fundamentele obstakels zijn. Hij heeft geen vertrouwen in het slagen van een regeling en hij verwacht dat de minderjarigen klem komen te zitten tussen hem en de vrouw, wat hij niet in het belang van de minderjarigen acht. De rechtbank heeft met de aanwezigen vervolgens uitvoerig gesproken over verschillende opties. Zowel de advocaat van de vrouw, de bijzondere curator als de raad hebben daartoe voorstellen gedaan voor (een vorm van) hulpverlening. Ook is gesproken over een regeling waarbij minder frequent contact plaatsvindt. De man heeft echter zijn standpunt gehandhaafd dat hij geen mogelijkheden ziet voor omgang. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat beide partijen hun verzoek ten aanzien van een omgangsregeling hebben ingetrokken. De rechtbank zal die verzoeken dan ook moeten afwijzen. Hierdoor ontstaat voor de minderjarigen de benodigde duidelijkheid. Het gevolg is wel, zoals de vrouw het verwoordde, dat zij nu aan de kinderen zal moeten vertellen dat er geen regeling komt waarbij zij hun vader zullen zien. De vrouw heeft aangegeven voor nazorg voor de kinderen te zorgen in de vorm van een professional.
3.4.
Met partijen is besproken dat de kinderrechter een brief aan de minderjarigen zal sturen. Deze brief luidt als volgt:
Beste [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
Papa en mama waren op 30 september 2025 op de rechtbank om met mij, de kinderrechter, te praten over wie er belangrijke beslissingen mag nemen over jullie en wanneer jullie bij papa zijn. [minderjarige 1] , jij hebt mij een briefje gestuurd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , jullie hebben aangegeven liever niets te willen zeggen. Dat is ook helemaal goed. Met deze brief laat ik jullie weten hoe het is afgelopen.
Over de belangrijke beslissingen: papa wilde dat samen met mama doen maar heeft uiteindelijk toch bedacht dat ik er niet over mag beslissen en dat het moet blijven zoals het is. En dat is, dat mama belangrijke beslissingen over jullie neemt. Bijvoorbeeld naar welke middelbare school jullie gaan, waar jullie wonen en dat soort dingen.
Zowel papa als mama hebben gevraagd om te beslissen wanneer jullie papa zien. Jullie hebben bij [naam 1] , de bijzondere curator, ook aangegeven dat graag te willen. Ik vind het heel verdrietig maar er komt nu geen afspraak. Iedereen wil het maar papa en mama hebben besloten dat ik niet mag beslissen en dat er nu geen contact gaat zijn. Misschien is dat in de toekomst anders maar dat kan ik niet beloven. Voor nu is duidelijk dat jullie papa niet gaan zien.
Ik vind het echt rot dat het zo gaat, ik had graag beslist over wanneer jullie papa zien. Dit zal voor jullie een verdrietig bericht zijn. Praat erover met elkaar en met mama. Misschien komt er iemand zoals [naam 1] die jullie kan helpen hiermee om te gaan. Want dit is niet makkelijk.
Groet van de kinderrechter.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
Kinderbijdrage
3.6.
De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van:
  • € 244,- per maand voor [minderjarige 1] , € 244,- per maand voor Sophie en € 208,- per maand voor [minderjarige 3] per 1 januari 2023;
  • € 279,- per maand voor [minderjarige 1] , € 279,- per maand voor Sophie en € 238,- per maand voor [minderjarige 3] per 1 januari 2024;
  • € 297,- per maand voor [minderjarige 1] , € 297,- per maand voor Sophie en € 253,- per maand voor [minderjarige 3] per 1 januari 2025 en per 1 november 2025 voor [minderjarige 3] ook
3.7.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De ingangsdatum
3.9.
De vrouw verzoekt de vaststelling van een bijdrage met ingang van 1 januari 2023. Hiertegen voert de man verweer. Hij stelt zich op het standpunt op basis van de mededelingen en opstelling van de vrouw geen rekening met een dergelijke ingangsdatum te hebben kunnen en behoeven te houden.
3.10.
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen uitgaan van een eerste vaststelling van een kinderbijdrage omdat er nooit een bedrag is vastgesteld. Bepalend voor de ingangsdatum is per wanneer de man in redelijkheid rekening kon houden met het betalen van een bijdrage. De rechtbank constateert dat partijen bij het uiteengaan al hebben nagedacht over een bijdrage. In het ouderschapsplan van 23 november 2022 zijn partijen namelijk overeengekomen dat de man maandelijks alimentatie overmaakt aan moeder via haar eigen bankrekening tot de kinderen de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Zij hadden afgesproken de bijdrage te laten vaststellen door het LBIO. Tot een vaststelling is het nooit gekomen, waarbij beide partijen naar de andere partij wijzen voor de reden dat dit niet is gebeurd. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat beide partijen niet transparant zijn geweest.
Wat er ook zij van de reden waarom het nooit tot de vaststelling van een bijdrage is gekomen en waarom de vrouw niet eerder een procedure is gestart, de man wist wél dat een bijdrage verschuldigd was, althans had hier in redelijkheid rekening mee moeten houden. Gesteld noch gebleken is dat de man door het hanteren van een eerder gelegen ingangsdatum in de financiële problemen komt. De slotsom is dan ook dat de rechtbank de bijdrage zal bepalen met ingang van 1 januari 2023.
3.11.
De vrouw verzoekt de bijdrage per 1 januari 2024 en per 1 januari 2025 opnieuw te berekenen. Een bijdrage wordt echter slechts gewijzigd indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (1:401 lid 1 BW). Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW Pro). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.12.
Het enkel aanvangen van een nieuw kalenderjaar is dan ook geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zodat de rechtbank niet per 1 januari 2024 en per 1 januari 2025 een nieuwe bijdrage zal vaststellen. Wel staat tussen partijen vast dat de man per 1 februari 2024 vanuit een WW-situatie weer in loondienst is getreden. Dit levert een aanzienlijke inkomensstijging op en daarmee een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal dan ook een bijdrage berekenen voor de periode van 1 januari 2023 tot 1 februari 2024 en voor de periode vanaf 1 februari 2024.
3.13.
Aan de omstandigheid dat de man met ingang van 1 juli 2025 wederom een WW-uitkering ontvangt, gaat de rechtbank voorbij. De man heeft geen inzicht gegeven in de daadwerkelijke reden van het beëindigen van zijn dienstverband. De rechtbank kan dan ook niet beoordelen of het inkomensverlies door de man zelf teweeg is gebracht. Daarnaast heeft de man niet betwist over enig vermogen te beschikken, waarmee hij het inkomensverlies kan opvangen. Tenslotte verwacht de man in het eerste kwartaal van 2026 weer een baan te hebben. Voor de gehele periode vanaf februari 2024 zal dan ook aan de zijde van de man rekening worden gehouden met zijn arbeidsinkomen.
3.14.
De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige 3] per 1 november 2025 hoger wordt omdat hij dan ook extra reiskosten krijgt. Omdat de rechtbank de reiskosten niet aanmerkt als behoefteverhogend (overweging 3.17) is dit geen wijziging van omstandigheden, daargelaten de vraag of het een rechtens relevante wijziging is.
De behoefte
3.15.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te weten december 2022. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2022 meer dan (het maximale bedrag van) € 6.000,- bedroeg.
3.16.
Gelet op het moment van uiteengaan in 2022 is de rechtbank met de man van oordeel dat gekeken moet worden naar de tabel eigen aandeel kosten van kinderen over 2022. De rechtbank bepaalt, net als de man, het aantal kinderbijslagpunten op 6, omdat [minderjarige 1] pas aan het eind van 2022 twaalf jaar is geworden (vanaf twaalf jaar staan de punten op nul). Het genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert dan een behoefte op van € 1.540,- per maand. Geïndexeerd naar 2023 levert dat op een bedrag van € 1.593,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld op € 531,- per maand per kind.
3.17.
De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en vanaf 1 november 2025 ook voor [minderjarige 3] ) verhoogd moet worden met kosten voor niet vergoede ziektekosten (zoals kosten voor een bril en beugel) en met kosten voor het openbaar vervoer van en naar school. Dit wordt door de man betwist, waartoe hij aanvoert dat deze kosten in de tabelbedragen zijn verdisconteerd. Conform het Rapport alimentatienormen (uit 2022) zijn correctieposten kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat het kosten zijn die bij de behoefte opgesteld moeten worden, zodat de rechtbank zal uitgaan van de eerder vastgestelde behoefte van € 531,- per maand per kind. Hierdoor kan het verweer van de man dat de kosten niet zijn aangetoond, onbesproken worden gelaten.
Draagkrachtberekening over de periode 1 januari 2023 tot 1 februari 2024
3.18.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen in 2023 vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2023-1.
3.19.
Partijen zijn het eens dat voor het inkomen van de man in 2023 moet worden uitgegaan van een arbeidsinkomen van € 20.433,-, een uitkering van € 4.194,- en een WW-uitkering van € 34.251,-. In geschil zijn de inkomsten van de man uit verhuur van de woning in Amsterdam. De man stelt in 2023 in het geheel geen huurinkomsten te hebben gehad omdat hij is gesommeerd de huur te beëindigen. Een concrete einddatum wordt daarbij door de man niet genoemd. De overgelegde huuropzegging dateert van 11 april 2023 zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat de man in 2023 nog in ieder geval vier maanden (januari tot en met april) huurinkomsten heeft gehad. Partijen zijn het eens dat huur € 1.550,- per maand bedraagt, maar de vrouw betwist de door de man opgevoerde lasten (bijlage 1 van de man). Deze lasten komen de rechtbank redelijk voor, met uitzondering van de gebudgetteerde onderhoudskosten die niet zijn aangetoond. De rechtbank bepaalt de huurinkomsten dus op € 1015,17 netto per maand, zodat bij het inkomen van de man een netto totaalbedrag van € 4.060,68 wordt opgeteld.
3.20.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar in deze beschikking als bijlage 1 opgenomen berekening) het NBI van de man over het jaar 2023 op € 3.892,- per maand.
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen. De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.930,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)] en bedraagt € 1.084,- per maand.
3.21.
Partijen zijn het eens dat voor het inkomen van de vrouw in 2023 moet worden uitgegaan van haar aangifte IB 2023. Daaruit volgt een arbeidsinkomen van € 46.319,- bij [naam stichting] en van € 13.074,- bij [bedrijf] Mij. Daarnaast had de vrouw een winst uit onderneming van € 69.592,-. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar in deze beschikking als bijlage 2 opgenomen berekening) het NBI vrouw over het jaar 2023 op € 7.113,- per maand. De zelfstandigenaftrek van € 5.030,- en de startersaftrek van € 2.123,- zijn in aanmerking genomen. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 8.741,-.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting is in aanmerking genomen.
Rekening is gehouden met de door de vrouw op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 411,- per jaar. Tenslotte is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 2.890,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.22.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.930,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)] en bedraagt € 2.663,- per maand.
Draagkrachtvergelijking over de periode van 1 januari 2023 tot 1 februari 2024
3.23.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.084 / € 3.747 x € 1.593 = € 461
het deel van de vrouw bedraagt: € 2.663 / € 3.747 x € 1.593 = € 1.132 +
samen € 1.593.
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 461,- per maand ofwel € 154,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 1.132,- per maand ofwel € 377,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Draagkrachtberekening vanaf 1 februari 2024
3.24.
Voor de bepaling van de bijdrage vanaf 1 februari 2024 moet de behoefte opnieuw geïndexeerd worden. De behoefte van de minderjarigen bedraagt dan € 1.692,- per maand, oftewel 564,- per maand per kind. In welke verhouding deze behoefte over de ouders moet worden verdeeld, gebeurt naar rato van hun draagkracht in 2024. Gerekend wordt met de tarieven 2024-1.
3.25.
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van zijn inkomen dat hij per 1 februari 2024 geniet. De rechtbank realiseert zich hierbij dat de man in januari 2024 nog een WW-uitkering had, maar omdat de bijdrage (ook) voor de toekomst wordt vastgesteld, acht de rechtbank het redelijk om voor het gehele jaar 2024 uit te gaan van een arbeidsinkomen. Dit inkomen is de man ook in staat te verdienen. Verder wordt geen rekening gehouden met inkomen uit vermogen. Van de zijde van de vrouw is aangegeven dat de man vermogen moet hebben, omdat de woning in Amsterdam in oktober 2024 is verkocht en zij hem heeft moeten uitkopen uit de voormalig echtelijke woning. Zij stelt echter niet op welke wijze de rechtbank hiermee rekening moet houden. Levert dit vermogen een rendement op en zo ja, hoeveel? Of moet van de man verwacht worden dat hij inteert op dit vermogen, en zo ja, met hoeveel? Omdat de vrouw geen rechtsgevolg verbindt aan haar stelling, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.
3.26.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 3 opgenomen berekening) het NBI van de man op € 4.478,- per maand. waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over december 2024):
- basisloon € 6.350,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 11,34.
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.26.1.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,- , vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI +1.270)] en bedraagt € 1.306,- per maand.
3.27.
Over 2024 heeft de vrouw alleen haar jaaropgave overgelegd van [naam stichting] waarop een jaarloon staat vermeld van € 50.352,-. Onduidelijk is of zij, net als in 2023, ook nog werkzaam is geweest bij [bedrijf] Mij. Evenmin heeft zij inzicht gegeven in haar winst uit onderneming over 2024. Zij volstaat met de stelling dat haar inkomsten en winst gelijk zijn gebleven aan 2023. Met de man is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om inzicht te geven in haar inkomens en onderneming (facturen en kosten). Dit inzicht is er niet. De man geeft echter niet aan van welk inkomen dan moet worden uitgegaan, zodat de rechtbank niet anders kan dan uitgaan van de gegevens over 2023. Overigens acht de rechtbank dit een redelijk inkomen, omdat de vrouw (in ieder geval in 2025 blijkt uit de loonstroken) bij [naam stichting] een dienstverband heeft van 36 uur per week. Daarnaast realiseert zij dus ook nog een winst uit onderneming van bijna € 70.000,- per jaar.
3.28.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 4 opgenomen berekening) het NBI van de vrouw op € 7.313,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 3.750,- en de startersaftrek van € 2.123,- zijn in aanmerking genomen. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 8.481,-.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting is in aanmerking genomen.
Rekening is gehouden met de door de vrouw op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 651,- per jaar. Tenslotte is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 5.555,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.29.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 2.694,- per maand.
Draagkrachtvergelijking vanaf 1 februari 2024
3.30.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.306 / € 4.000 x € 1.692 = € 552
het deel van de vrouw bedraagt: € 2.694 / € 4.000 x € 1.692 = € 1.140 +
samen € 1.692
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 552,- per maand ofwel € 184,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 1.140,- per maand ofwel € 380,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.31.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer.
3.32.
Omdat een omgangsregeling is uitgebleven, wordt de toepassing van de zorgkorting door de rechtbank achterwege gelaten.
Conclusie
3.33.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen kinderbijdrage van € 154,- per maand per kind met ingang van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.34.
Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking. Hoewel niet expliciet is verzocht om de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren, leest de rechtbank dit in het verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen. Gezien het vorenstaande is een door de man te betalen kinderbijdrage van € 164,- per maand per over de maand januari 2024 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.35.
Vanaf 1 februari 2024 is een door de man te betalen kinderbijdrage van € 184,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Geïndexeerd naar 2025 is dat vanaf 1 januari 2025 een bedrag van € 196,- per maand per kind.
Proceskosten
3.36.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling, zal voldoen:
over de periode 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 € 154,- per maand per kind;
over de maand januari 2024 € 164,- per kind;
over de periode 1 februari 2024 tot 1 januari 2025 € 184,- per maand per kind;
vanaf 1 januari 2025 € 196,- per maand per kind;
4.2.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 28 oktober 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.