De man en vrouw zijn ouders van drie minderjarige kinderen en hebben een procedure gevoerd over gezamenlijk gezag, omgangsregeling en kinderbijdrage. De man trok zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in, waarna de rechtbank dit verzoek afwees. Beide partijen trokken ook hun verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling in, omdat de man geen vertrouwen had in contactherstel en fundamentele obstakels zag. De rechtbank benoemde een bijzondere curator die met partijen en kinderen sprak; de kinderen wilden wel contact, maar het contact kwam niet tot stand.
De rechtbank stelde een brief op voor de kinderen waarin werd uitgelegd dat er voorlopig geen contact met de vader zal zijn, ondanks het verdriet dat dit veroorzaakt. De bijzondere curator is daarmee beëindigd, tenzij er hoger beroep komt. De vrouw verzocht tevens vaststelling van een kinderbijdrage met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023. De man voerde verweer, maar de rechtbank oordeelde dat hij in redelijkheid rekening had moeten houden met de bijdrage en stelde de ingangsdatum op 1 januari 2023.
De rechtbank berekende de behoefte van de kinderen en de draagkracht van beide ouders over verschillende perioden, rekening houdend met inkomenswijzigingen van de man. De man moet een maandelijkse bijdrage betalen die stijgt van €154 per kind in 2023 tot €196 per kind vanaf 2025. De zorgkorting werd niet toegepast vanwege het uitblijven van een omgangsregeling. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en staat open voor hoger beroep.