ECLI:NL:RBROT:2025:13259

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/10/709306 / KG ZA 25-1091
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:274 lid 1 BWArt. 3:274 lid 3 BWArt. 3:29 lid 1 BWArt. 3:29 lid 4 BWArt. 334 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring hypotheekrecht wegens niet-bestaande schuldeiser

Eiser is eigenaar van een woning geworden via erfopvolging en wil een hypothecair krediet afsluiten om erfbelasting te betalen. Bij notariële controle blijkt dat er een recht van eerste hypotheek rust op de woning ten behoeve van een oude handelsnaam van gedaagde, een rechtspersoon die in 2012 failliet is gegaan en in 2017 is ontbonden. De hypotheek betreft een schuld van 4.000 gulden uit 1968 die volgens eiser allang is afbetaald.

Eiser vordert in kort geding een verklaring dat het hypotheekrecht waardeloos is. De rechtbank verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen gedaagde omdat deze niet meer bestaat en dus geen partij kan zijn. Echter, eiser wordt wel erkend als onmiddellijk belanghebbende en krijgt het recht om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te laten verklaren op grond van artikel 3:29 lid 1 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat de hypotheekschuld is afgelost en het recht is tenietgegaan, mede ondersteund door een e-mail van een voormalig bestuurder die bevestigt dat er geen openstaande vordering is. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gaat in kracht van gewijsde doordat eiser afziet van hoger beroep. Proceskosten worden gecompenseerd omdat gedaagde niet meer bestaat.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos en wijst het verzoek daartoe toe, ondanks niet-ontvankelijkheid van eiser tegen gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709306 / KG ZA 25-1091
Vonnis in kort geding van 13 november 2025
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Gorinchem,
eisende partij,
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
tegen
[gedaagde],
laatste statutaire vestigingsplaats: Almere,
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] is door erfopvolging eigenaar geworden van de woning aan het adres [adres]. Om zorg te kunnen dragen voor betaling van de erfbelasting heeft [eiser] een hypothecair krediet aangevraagd. Bij de notaris is echter gebleken dat al een recht van eerste hypotheek is gevestigd op de woning ten behoeve van [naam bedrijf], een oude handelsnaam van [gedaagde]. Dat hypotheekrecht is gevestigd tot zekerheid van voldoening van een schuld van 4.000,00 gulden daterend uit 1968. Uit de hypotheekakte blijkt dat een aflossing van 400 gulden per jaar moest worden betaald, zodat de schuld na tien jaar zou zijn afbetaald. Gelet op de inmiddels verstreken periode sindsdien, gaat [eiser] ervan uit dat de schuld geheel is afbetaald. Eén van de destijds ingeschreven (indirect) bestuurders van [naam bedrijf], [naam], heeft ook bevestigd dat de schuld niet meer openstaat en dat de inschrijving van de hypotheek kan worden doorgehaald. Omdat [gedaagde] in 2012 failliet is gegaan en is ontbonden, bestaat [gedaagde] inmiddels niet meer en is er geen mogelijkheid om de hypotheek door haar alsnog te laten doorhalen. Daarom vordert [eiser] in deze zaak een verklaring dat het hypotheekrecht waardeloos is. De voorzieningenrechter verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering, maar verklaart de inschrijving van het hypotheekrecht wel waardeloos. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 november 2025, met bijlagen 1 tot en met 8;
  • de akte eiswijziging.

3.De beoordeling

De wetsartikelen die van toepassing zijn
3.1.
Artikel 3:274 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer een hypotheek is tenietgegaan, de schuldeiser verplicht is om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven artikel 3:29 BW Pro van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3:29 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven de rechtbank de inschrijving waardeloos verklaart op vordering van de onmiddellijk belanghebbende.
[eiser] is niet-ontvankelijk
3.2.
Volgens [eiser] is [gedaagde] in 2012 in staat van faillissement geraakt, is [gedaagde] als gevolg daarvan opgeheven en is [gedaagde] in 2017 uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel wegens gebrek aan baten. Dit blijkt ook uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel van 10 oktober 2025 van [gedaagde] (bijlagen 4 en 5). Hierdoor hield [gedaagde] op te bestaan. [eiser] heeft dus een vennootschap gedagvaard die niet meer bestaat. Dat kan niet. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan ook geen partij meer zijn in een procedure. [eiser] moet daarom, voor zover zijn vordering is gericht tegen [gedaagde], niet-ontvankelijk worden verklaard.
De inschrijving van het hypotheekrecht wordt waardeloos verklaard
3.3.
Maar [eiser] is wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbende in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW Pro en op grond daarvan heeft hij een zelfstandig belang om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te (laten) verklaren als degene die de verklaring had behoren af te geven dat niet doet. De reden voor het niet afgeven van die verklaring is hiervoor niet relevant. Dus ook in deze situatie, waarin de reden is gelegen in de feitelijke onmogelijkheid van [gedaagde] om de vereiste verklaring af te geven, kan [eiser] om die verklaring vragen.
3.4.
[eiser] stelt dat de schuld ter voldoening waarvan het hypotheekrecht is gevestigd allang is afbetaald. Dit onderbouwt [eiser] met de door hem in het geding gebrachte e-mail van 9 oktober 2025 van een voormalig (indirect) bestuurder van [naam bedrijf], [naam] (bijlage 7). In die e-mail staat dat [naam] niets kan vinden van een openstaande vordering, dat navraag bij zijn broer niets heeft opgeleverd en dat [eiser] kan aannemen dat de vordering niet meer openstaat. Verder zou de oorspronkelijke schuld op grond van de in de hypotheekakte vermelde aflossingen inmiddels (allang) moeten zijn afgelost.
3.5.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het hypotheekrecht van [naam bedrijf] teniet is gegaan en dat de inschrijving daarvan dus waardeloos is. De voorzieningenrechter verklaart de hierna onder de beslissing opgenomen hypothecaire inschrijving dan ook waardeloos. [eiser] heeft daar voldoende spoedeisend belang bij, omdat hij een hypothecair krediet moet afsluiten om de verschuldigde erfbelasting te betalen en hij maandelijks rente moet betalen omdat hij uitstel voor de betaling van de erfbelasting heeft gevraagd en verkregen (zie bijlage 8).
Kracht van gewijsde
3.6.
Op grond van artikel 3:29 lid 4 BW Pro kan de verklaring van waardeloosheid die dit vonnis bevat, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen rechtsmiddel meer open staat. De hoger beroepstermijn voor dit vonnis bedraagt vier weken. Een manier om dit vonnis onmiddellijk in kracht van gewijsde te laten gaan, is dat [eiser] afziet van zijn recht op hoger beroep en berust in dit vonnis (artikel 334 Rv Pro). [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard van zijn recht op hoger beroep af te zien. Dat betekent dat er geen rechtsmiddel tegen dit vonnis open staat en dat het per vandaag in kracht van gewijsde gaat.
De proceskosten
3.7.
[eiser] wordt weliswaar materieel in het gelijk gesteld, maar een niet bestaande entiteit kan uiteraard niet in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter compenseert daarom de proceskosten, wat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. Dit heeft feitelijk tot gevolg dat alleen [eiser] de eigen proceskosten moet betalen, omdat [gedaagde] geen proceskosten heeft gemaakt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de vordering gericht tegen [gedaagde];
4.2.
verklaart de hypothecaire inschrijving van 28 oktober 1968 ten behoeve van [naam bedrijf], nadien h.o.d.n. [gedaagde] op de onroerende zaak aan het adres [adres], kadastraal bekend als [perceel], waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW Pro;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.
3349 / 638