AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet niet-ontvankelijk wegens te late indiening na betalingsregeling
In deze zaak stond een verzetprocedure centraal tegen een verstekvonnis waarin gedaagde was veroordeeld tot betaling van een restantsom en rente op basis van een kredietovereenkomst met eiseres. Gedaagde stelde dat hij pas recentelijk bekend was geworden met het verstekvonnis en verzocht om ontheffing van de veroordeling.
De kantonrechter oordeelde dat het verzet niet-ontvankelijk was omdat het te laat was ingesteld. Dit volgt uit artikel 143 lid 2 RvPro, dat bepaalt dat verzet binnen vier weken na bekendheid met het vonnis moet worden ingesteld. Uit de stukken bleek dat gedaagde vanaf 28 februari 2013 tot 10 juni 2016 meerdere betalingen had verricht aan eiseres, wat een vermoeden wekte dat hij toen al bekend was met de hoofdinhoud van het verstekvonnis.
Gedaagde voerde geen feiten aan die dit vermoeden konden weerleggen. Zijn stelling dat hij meerdere schulden had en daardoor niet bewust was van de specifieke vordering, werd niet aanvaard. Omdat het verzet pas in februari 2024 werd ingesteld, ruim na de termijn, werd het niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van de proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het verzet van gedaagde is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening na betalingsregeling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10928303 CV EXPL 24-3875
datum uitspraak: 7 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf A],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ( [land] ),
eiseres,
gedaagde in verzet,
gemachtigde: De Kluijver Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[persoon B],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
eiser in verzet,
gemachtigde: mr. A. el Idrissi.
De partijen worden hierna ‘ [bedrijf A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verstekvonnis van deze rechtbank van 9 maart 2012 met zaaknummer 1321459 CV EXPL 12-8530;
de verzetdagvaarding van 5 februari 2024, met bijlagen;
het antwoord in verzet, met bijlagen;
de repliek in verzet.
1.2.
Op 7 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig mr. B.E.R. de Vries namens de gemachtigde van [bedrijf A] en de gemachtigde van [persoon B] .
2.De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Partijen hadden met elkaar een kredietovereenkomst gesloten. Op basis van die overeenkomst was [persoon B] aan [bedrijf A] nog een restantsom van € 1.469,59 en rente van € 254,86 verschuldigd. [bedrijf A] heeft daarom betaling gevorderd van € 1.724,45, met verdere rente en kosten. Deze vordering is toegewezen in het genoemde verstekvonnis. [persoon B] is het daar niet mee eens en heeft verzet ingesteld. Hij verzoekt de kantonrechter om hem te ontheffen van de veroordeling zoals uitgesproken in het verstekvonnis.
2.2.
De kantonrechter verklaart [persoon B] niet-ontvankelijk in zijn verzet, omdat hij dit te laat heeft ingesteld. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Waarom is het verzet te laat ingesteld?
2.3.
In artikel 143 lid 2 RvPro is bepaald dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken. Die verzettermijn vangt in ieder geval aan vanaf het moment dat de veroordeelde een daad van bekendheid heeft verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Kortom, de verzettermijn loopt dus vanaf het moment dat een veroordeelde bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis.
2.4.
[persoon B] heeft gesteld dat hij pas op 15 januari 2024 bekend is geworden met het verstekvonnis. Uit de door [bedrijf A] overgelegde stukken volgt echter dat [persoon B] na de datum van het verstekvonnis met haar gemachtigde een betalingsregeling heeft getroffen en aan haar meerdere betalingen heeft gedaan in de periode van 28 februari 2013 tot en met 10 juni 2016. Deze gang van zaken leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot een vermoeden dat [persoon B] in ieder geval vanaf 28 februari 2013 bekend moet zijn geworden met de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis. [persoon B] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen meebrengen dat het hiervoor bedoelde vermoeden onjuist zou zijn. Dat hij in voornoemde periode meerdere schulden had en hij zich er daarom mogelijk niet van bewust was dat de gedane betalingen betrekking hadden op de onderhavige vordering ligt binnen zijn risicosfeer en leidt niet tot een ander oordeel.
2.5.
Nu de verzetdagvaarding is betekend op 5 februari 2024 is het verzet niet gedaan binnen vier weken nadat [persoon B] op de hoogte was van de inhoud van het verstekvonnis. Hij heeft het verzet dus te laat ingesteld en hij wordt daarom hierin niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde verzet.
Proceskosten
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [persoon B] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 RvPro). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan [bedrijf A] moet betalen op € 306,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 408,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verklaart [persoon B] niet-ontvankelijk in zijn verzet;
3.2.
veroordeelt [persoon B] in de kosten van de verzetprocedure, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op € 408,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.