ECLI:NL:RBROT:2025:13281

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/10/700071 / JE RK 25-1026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdzorg

Op 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2013. De zaak betreft de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, die verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen voor de duur van zes maanden. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin en heeft de wens geuit om bij zijn vader te wonen. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren voortgezet, waarbij de vader, vertegenwoordigers van de GI, de moeder en de pleegouders aanwezig waren. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging, maar heeft wel haar zorgen geuit over de gezinsopname bij de vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, en heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 22 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700071 / JE RK 25-1026
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
[pleegmoeder] en [pleegvader],
hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 17 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI, ingekomen op 26 augustus 2025;
  • de productie ingediend door mr. F. Pool op 10 oktober 2025.
1.2.
Op 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met mr. A.L. Witteveen (waarnemend voor mr. F. Pool);
  • de pleegmoeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 oktober 2025.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Van dit verzoek resteert nog een periode van drie maanden.
3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Een verlenging van de uithuisplaatsing is nog nodig om de plaatsing van [minderjarige] bij de vader goed te kunnen onderzoeken. [minderjarige] is consequent in zijn wens om bij de vader te willen wonen. Binnenkort zal er een gezinsopname plaatsvinden met de vader en [minderjarige] bij Mereo. De gezinsopname zal een week duren en omvat daarna een nazorgtraject van zes maanden. De GI heeft voor deze gezinsopname gekozen omdat er hier snel plek is. Voor [minderjarige] is belangrijk dat hij snel duidelijkheid heeft of hij bij de vader kan gaan wonen. De GI heeft er bovendien vertrouwen in dat deze gezinsopname een goed beeld gaat geven over de opvoedvaardigheden van de vader en herkent de zorgen van de moeder over de kwaliteit van dit traject niet. Het klopt dat met de moeder destijds een uitgebreidere gezinsopname heeft plaatsgevonden, maar de situatie is inmiddels echt anders dan voorheen. De wens van [minderjarige] is heel sterk en de GI heeft geen actuele zorgen bij de vader.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Wel heeft de moeder duidelijk aangegeven niet achter de gezinsopname van de vader en [minderjarige] bij Mereo te staan. Zij geeft haar toestemming hier niet voor. Voor de moeder is onduidelijk waarom [minderjarige] opeens veranderd is van mening waar hij wil wonen. De gezinsopname bij Mereo is veel te kort waardoor geen goed beeld kan worden verkregen over de opvoedvaardigheden en veiligheid bij de vader. In tegenstelling tot de GI heeft de moeder wel zorgen over de vader. De kinderen komen met zorgelijke signalen terug na de omgang met de vader. De moeder moest destijds aan veel voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor haar gezinsopname, maar aan de vader worden die voorwaarden niet gesteld. De moeder heeft dan ook geen vertrouwen in de gezinsopname bij Mereo en ziet daarom liever dat [minderjarige] voorlopig bij het pleeggezin blijft. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] bij de vader wordt geplaatst en dat het vervolgens toch weer mis gaat.
4.2.
De vader stemt in met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij zit lekkerder in zijn vel, doet het goed op school en laat bij de vader thuis merken dat hij daar rust ervaart. Bij de moeder vindt hij het te druk. De vader biedt hem structuur en regelmaat. De vader staat open voor de gezinsopname en het nazorgtraject. Het is erg jammer dat de moeder daar geen vertrouwen in heeft. Op deze manier is sprake van touwtrekken, waar [minderjarige] tussenin zit.
4.3.
De pleegmoeder stemt in met het verzoek van de GI. [minderjarige] geeft bij de pleegouders aan dat hij het erg druk vindt bij de moeder en dat hij daar niet voldoende gezien wordt. Hij heeft echt structuur nodig. Bij de vader is het rustiger. De pleegmoeder staat open voor de gezinsopname met de vader. Inmiddels heeft de vader zijn leven meer op orde. De pleegmoeder denkt dan ook dat een korte gezinsopname voldoende is. Het is jammer dat [minderjarige] tussen de ouders zit. Hij is erg gevoelig en deze situatie maakt hem angstig en onzeker. De pleegmoeder benadrukt dat [minderjarige] altijd bij hen terug mag komen als een plaatsing bij de vader onverhoopt toch misgaat.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter oordeelt daarover het volgende.
5.2.
Ter zitting is duidelijk geworden dat alle partijen het eens zijn over een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders, maar dat zij daar ieder hun eigen redenen aan ten grondslag leggen. Eerder is het perspectief van [minderjarige] – mede op zijn verzoek – bij de pleegouders bepaald. Na de succesvolle terugplaatsing van zijn drie broertjes bij de moeder is dit jaar bij [minderjarige] toch de wens ontstaan om te werken aan een terugplaatsing. [minderjarige] heeft echter vlak voor de zitting van 17 juli 2025 aangegeven in plaats van bij de moeder, toch liever bij de vader te willen wonen. Op dat moment was nog onduidelijk of [minderjarige] daarbij zou blijven. Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] consequent is in zijn wens om bij de vader te gaan wonen. [minderjarige] heeft met beide ouders onbegeleide omgang, maar hij ervaart bij de vader meer rust en structuur. De afgelopen maanden is door de GI nagedacht hoe zo snel mogelijk voldoende zicht gekregen kan worden op de opvoedvaardigheden van de vader, zodat niet te lang onduidelijkheid blijft bestaan voor [minderjarige] . Inmiddels staat daarvoor in november 2025 een gezinsopname met de vader en [minderjarige] gepland bij Mereo.
5.3.
De moeder verzet zich hiertegen. Zij vindt deze gezinsopname te kort en vindt het onbegrijpelijk dat de vader een korter traject mag doorlopen dan zij destijds heeft gedaan. De GI en de pleegmoeder delen de actuele zorgen van de moeder over de opvoedsituatie van de vader echter niet en zien dat de vader de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet waardoor hij zijn leven meer op orde heeft dan de periode waarin door de GI van beide ouders werd gevraagd om deel te nemen aan het uitgebreidere traject. Het is belangrijk dat de GI en de moeder de komende weken hierover het gesprek aangaan, waarbij de moeder open dient te staan voor de argumenten van de GI als het gaat om de kwaliteit van deze gezinsopname en het bijbehorende nazorgtraject. [minderjarige] heeft last van de onzekerheid waarin hij nu verkeert en de strijd tussen de ouders die opnieuw oplaait. Het is voor [minderjarige] dan ook van belang dat er op korte termijn duidelijkheid over zijn perspectief ontstaat.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 11 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.