ECLI:NL:RBROT:2025:13296

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
11120203
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Detacheringsovereenkomst en toepasselijkheid cao in arbeidsconflict

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] en OnderwijsPost BV. [Eiseres] was in dienst van OnderwijsPost op basis van een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na een periode van arbeidsongeschiktheid betwistte [eiseres] dat zij correct was betaald volgens de toepasselijke cao, die zij stelde de cao PO te zijn. OnderwijsPost voerde aan dat de cao NBBU van toepassing was en dat zij niet verplicht was om de cao PO te volgen. De kantonrechter oordeelde dat de cao NBBU van toepassing was en dat [eiseres] recht had op haar laatstverdiende feitelijk loon, maar dat de vorderingen van [eiseres] grotendeels niet toewijsbaar waren. De kantonrechter wees de vorderingen van [eiseres] af, met uitzondering van de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon van september en november 2023, en kende een bedrag van € 2.345,95 toe, plus buitengerechtelijke incassokosten van € 351,89. De proceskosten werden aan [eiseres] opgelegd, omdat zij voor het grootste deel ongelijk kreeg.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11120203 CV EXPL 24-13411
datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. T.S. Brinkman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OnderwijsPost BV
vestigingsplaats Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.P. Gasseling.
De partijen worden hierna [eiseres] en OnderwijsPost genoemd.
De zaak in het kort
[eiseres] is in dienst van OnderwijsPost getreden, op basis van een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
[eiseres] vindt dat zij na een periode waarin zij als uitzendkracht tewerkgesteld is geweest niet volgens de toepasselijke cao is betaald. De toepasselijke cao is volgens haar de cao PO. [1] Zij eist daarom nabetaling van loon, plus de wettelijke verhoging wegens te late betaling en de wettelijke rente. Zij beroept zich ook op artikel 8 lid 1 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. OnderwijsPost is het daarmee niet eens.
De vorderingen van [eiseres] worden grotendeels afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

1.De procedure

1.1
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 15 mei 2024, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de akte van de zijde van [eiseres] met bijlagen 6 tot en met 8;
  • het antwoord;
  • de akte overlegging producties, met bijlagen 1 tot en met 9;
  • de akte houdende eiswijziging met bijlagen 6 tot en met 8;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die op 4 december 2024 heeft plaatsgevonden;
  • de spreekaantekeningen van de mrs. Brinkman en Gasseling.
1.2
Op 4 december 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken.
Daarbij waren aanwezig: [eiseres] met mr. Brinkman,
[persoon A] als [naam functie] van OnderwijsPost en haar boekhouder [persoon B] , met
mr. Gasseling.

2.De feiten

2.1
[eiseres] en OnderwijsPost hebben op 4 mei 2015 een detacherings-overeenkomst fase 4 voor onbepaalde tijd gesloten. OnderwijsPost stelt uitzendkrachten ter beschikking.
2.2
In de aanhef van deze detacheringsovereenkomst staat vermeld dat
“(…)
op deze detacheringsovereenkomst steeds de meest recente versie van de cao voor Uitzendkrachten van de NBBU [2] van toepassing is (…).
2.3
Artikel 1.1 van de detacheringsovereenkomst bepaalt dat deze overeenkomst kwalificeert als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW.
2.4
Artikel 5.1 van de detacheringsovereenkomst bepaalt dat de werknemer jegens de werkgever aanspraak heeft op salaris en emolumenten, zoals in de detacherings-overeenkomst en de uitzendbevestiging is bepaald.
2.5
Artikel 5.2 van de detacheringsovereenkomst bepaalt dat als de uitzendarbeid tijdens de looptijd van de detacheringsovereenkomst wegvalt en er geen werkzaamheden worden verricht, het loon verschuldigd blijft.
2.6
Artikel 2 van de cao NBBU luidt, voor zover hier van belang:
In deze cao wordt verstaan onder:
(…)
d. feitelijk loon: het met inachtneming van de cao toegekende, naar tijdruimte vastgestelde actuele brutoloonbedrag, exclusief vakantiebijslag, reserveringen,t
oeslagen, vergoedingen, overuren, compensatie-uren etc;
2.7
In artikel 5 lid 3 van de cao NBBU is bepaald dat de bepalingen van die cao zogenaamde minimumbepalingen zijn. Afwijking van de cao en de bijlagen is alleen toegestaan als dit in het voordeel van de uitzendkracht is.
2.8
In artikel 22 lid 8 cao NBBU is bepaald dat de uitzendonderneming bij het wegvallen van de uitzendarbeid aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase 4 het laatstverdiende feitelijk loon verschuldigd is zolang en/of voor het deel van de arbeidsduur dat de uitzendkracht nog niet is herplaatst.
2.9
Ingevolge artikel 25 lid 2 van de cao NBBU heeft de uitzendkracht bij arbeidsongeschiktheid, zolang de uitzendovereenkomst voortduurt, recht op:
- 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid en ten minste het voor hem geldende wettelijke minimumloon
- 80% van het naar tijdruimte vastgestelde loon gedurende de 53ste t/m de 104e week.
2.1
Op 10 oktober 2021 hebben [eiseres] en OnderwijsPost een uitzendbevestiging ondertekend. [eiseres] werd ter beschikking gesteld voor de periode van 27 augustus 2021 tot 8 juli 2022 bij “ [naam school] ” als groepsleerkracht voor 40 uur per week.
Bij “bruto salaris” in deze uitzendbevestiging staat vermeld:
“Per 01-10-2021: CAO PO L10.14 € 4.072,- o.b.v. 40 uur.”
2.11
Op 8 december 2021 is [eiseres] arbeidsongeschikt geraakt.
Deze arbeidsongeschiktheid duurt onverminderd voort.
2.12
Het UWV heeft OnderwijsPost een loonsanctie opgelegd, waardoor OnderwijsPost het loon aanvankelijk moest doorbetalen tot 8 december 2024. Bij beslissing van
14 augustus 2024 van het UWV is die periode verkort tot 15 augustus 2024.

3.Het geschil

3.1
[eiseres] eist dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, OnderwijsPost veroordeelt aan haar te betalen:
  • 1 de wettelijke verhoging van 37 % over het loon van september 2023, plus de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 2. de eenmalige uitkering van € 350,-- bruto, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 3 de wettelijke verhoging van 20 % over het loon van november 2023, plus de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 4 het achterstallig loon over december 2023 van € 3.650,80 bruto, minus het reeds betaalde bedrag van € 1.800,-- netto, plus de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024;
  • 5 de eindejaarsuitkering van € 4.113,26 bruto, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 6 het loon over januari 2024 van € 3.521,--, minus € 1.800,-- netto, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding ;
  • 7 het loon over februari 2024 van € 3.521,-- , minus € 1.800,-- netto, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 8 de wettelijke verhoging van 37 % over het loon van februari 2024, plus de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 9 het loon over maart 2024 van € 3.521,-- , minus € 1.800,-- netto, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 10 het loon over april 2024 van € 3.521, plus de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • 11 de buitengerechtelijke incassokosten van € 801,74;
  • 12 het achterstallige vakantiegeld van € 3.995,83, plus de maximale wettelijke verhoging;
  • 13 de proceskosten, plus nasalaris van € 50,-, plus € 68,--, onder de voorwaarde dat het vonnis is betekend en OnderwijsPost niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief BTW.
3.2
[eiseres] baseert de eis op het volgende.
Zij is in de uitzendbevestiging ingeschaald op L.10.14. Dat is op grond van de conversietabel van artikel 5.7 lid 4 cao PO gelijk aan LB.12. Op grond van de loontabellen in bijlage A2 van de cao PO 2023-2024 kwam zij in aanmerking voor een bruto maandloon van € 4.573,- tussen 1 mei en 30 juni 2023 en voor een bruto maandloon van € 5.030,- vanaf juli 2023.
Werknemers in de schaal LB.12 hebben op grond van artikel 6.1a lid 2 cao PO in november 2023 recht op een eenmalige uitkering van € 350,-.
Naast het basissalaris hebben werknemers op grond van artikel 6.11 van de cao PO recht op een eindejaarsuitkering van 8,33 %.
Vanaf 8 december 2021 tot 8 december 2022 had zij recht op 90% van het naar tijdsruimte vastgesteld loon.
Vanaf 8 december 2022 tot 8 december 2023 had zij recht op 80% van het naar tijdsruimte vastgesteld loon.
Vanaf 8 december 2023 tot 8 december 2024 had zij recht op 70% van het naar tijdsruimte vastgesteld loon.
OnderwijsPost heeft haar vanaf september 2023 niet conform de cao PO betaald.
Na augustus 2023 heeft zij geen loonstroken meer ontvangen. Vanaf januari 2024 ontving zij weer loonstroken. Daarop staat vermeld dat er per maand € 3.520,94 bruto en € 2.764,46 netto wordt betaald.
OnderwijsPost heeft haar te laat betaald over de maanden september en november 2023. Daarom maakt zij aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
3.3
OnderwijsPost is het niet eens met de eis en voert het volgende aan.
De cao NBBU is op de detacheringsovereenkomst van toepassing.
Op grond van artikel 22 lid 8 van deze cao is de uitzendonderneming bij het wegvallen van de uitzendarbeid aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase 4 het laatstverdiende feitelijk loon verschuldigd zolang en/of voor het deel van de arbeidsduur dat de uitzendkracht nog niet is herplaatst. Daarmee is echter niet gezegd dat de cao PO vanaf het eindigen van de plaatsing bij “ [naam school] ” van toepassing is. Vanaf het einde van de uitzending geldt niet langer de verplichting om aan [eiseres] de inlenersbeloning als bedoeld in artikel 16 cao NBBU te betalen. [eiseres] heeft daarom geen aanspraak op de eenmalige uitkering van € 350,- bruto en op de eindejaarsuitkering (vorderingen onder 2 en 5, die immers zijn gebaseerd op de - niet toepasselijke - cao PO.)
Abusievelijk heeft zij gedurende het tweede ziektejaar van [eiseres] 90% van het salaris betaald, terwijl zij conform de cao NBBU slechts 80% hoefde te betalen.
Het te veel betaalde bedroeg € 5.142,87 bruto. Daarom heeft zij, met instemming van
de toenmalige gemachtigde van [eiseres] , van december 2023 tot en met april 2024 telkens een voorschot van € 1.800,- netto betaald, zodat zij het te veel betaalde verrekende. Over deze maanden heeft zij dus niet te weinig betaald. De wettelijke verhoging (vorderingen onder 4, 6, 7, 9 en 10) is zij dus niet verschuldigd.
Bovendien is haar gebleken dat zij vanaf het einde van de uitzending van [eiseres] niet het laatstverdiende feitelijke loon heeft betaald, maar het loon en de loonsverhogingen conform de - niet toepasselijke - cao PO. Als productie 7 heeft zij een berekening van het te veel betaalde overgelegd. Het gaat om een bedrag van € 11.767,47 bruto.
Ook de vorderingen onder 1, 3 en 8 zijn niet toewijsbaar, omdat die zijn gebaseerd op het te hoge salaris dat [eiseres] heeft ontvangen.
Subsidiair geldt dat [eiseres] zich ten onrechte beroept op artikel 6.4 van de cao PO, die immers niet van toepassing is. De cao NBBU kent een dergelijke bepaling niet en dus is artikel 7:625 BW van toepassing.

4.De beoordeling

[eiseres] heeft sinds het wegvallen van de uitzendarbeid aanspraak op haar laatstverdiende feitelijk loon
4.1
Op de detacheringsovereenkomst is steeds de cao NBBU van toepassing. Daarover bestaat tussen [eiseres] en OnderwijsPost geen geschil. Voor de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] gaat het om de cao NBBU 2023/2024 en 2024/2025.
[eiseres] heeft daarom sinds het wegvallen van de uitzendarbeid geen aanspraak meer op het op basis van de cao PO bepaalde loon, maar, op basis van artikel 22 lid 8 van de cao NBBU, op haar laatstverdiende feitelijk loon, zolang zij niet was herplaatst. Tot een herplaatsing is het niet meer gekomen: zij is op 8 december 2021 arbeidsongeschikt geraakt. Op grond van artikel 25 lid 2 van de cao NBBU heeft zij sindsdien recht op 90% van het loon tot 8 december 2022. Vanaf die datum heeft zij tot 8 december 2023 recht op 80% van het loon en vanaf 8 december 2023 tot 8 december 2024 op 70% van het loon.
4.2
In deze procedure is niet in geschil dat het laatstverdiende feitelijk loon per mei 2022 € 4.573,- bruto per maand bedroeg. Per 8 juli 2022, toen de uitzendarbeid wegviel, tot 8 juli 2023 had [eiseres] dus aanspraak op 90% van dat bedrag. Vanaf 8 juli 2023 tot
8 juli 2024 had zij aanspraak op 80% van dat loon, en vanaf 8 juli 2024 op 70% tot
15 augustus 2024.
OnderwijsPost mocht het te veel betaalde bedrag van € 5.142,- verrekenen
4.3
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat OnderwijsPost in haar voordeel van de bepalingen van de cao NBBU mocht afwijken omdat dat minimumbepalingen zijn en er tussen haar en OnderwijsPost geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het loon bij ziekte gedurende het tweede jaar. Zij kon daarom niet weten, zo stelt zij, dat zij slechts recht had op een lager percentage. Bovendien beletten redelijkheid en billijkheid volgens haar de verrekening van het teveel betaalde.
OnderwijsPost voert daartegen aan dat de betaling van 90% niet haar bedoeling is geweest, en dat zij het over het tweede ziektejaar bij vergissing te veel betaalde, met instemming [3] van [eiseres] , via haar toenmalige gemachtigde, heeft verrekend.
4.4
De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat aan haar te weinig loon is betaald over de maanden december 2023 en januari tot en met april 2024.
In de toepasselijke cao NBBU staat immers duidelijk vermeld dat het percentage in het tweede ziektejaar 80% bedraagt. Dat was dus voor [eiseres] kenbaar.
Ook haar beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Artikel 6:248 BW vereist dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om het teveel betaalde te verrekenen. Die - hoge - drempel wordt in de gegeven omstandigheden, waaronder het door [eiseres] genoemde argument van de schuldhulpverlening, niet gehaald. Zij heeft bovendien, via haar gemachtigde, ingestemd met de verrekening en heeft dat in deze procedure ook niet betwist.
4.5
Het totaalbedrag van de verrekeningen die OnderwijsPost heeft verricht, € 5.142,87, is door [eiseres] niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat.
De vorderingen onder 4, 6, 7, 8 [4] , 9 en 10 [5] zijn dan ook niet toewijsbaar.
Geen verrekening met een gestelde vordering van € 11.767,14
4.6
OnderwijsPost wil de vorderingen van [eiseres] verrekenen met een vordering van € 11.767,14 die zij op haar stelt te hebben en die door [eiseres] wordt betwist.
Zij heeft echter geen tegenvordering ingesteld en behoudt op dit punt zich alle rechten voor. Voor verrekening met een wellicht in de toekomst in te stellen vordering (die bovendien is betwist) is dan ook geen plaats.
Te late betaling over de maanden september en november 2023: de wettelijke verhoging bedraagt 28% over het loon van september 2023 en 9% over het loon van november 2023
4.7
Onweersproken is dat het loon over de maand september 2023 op 31 oktober 2023 is betaald en het loon over de maand november 2023 op 12 december 2023. Dat is te laat.
Die vertraging kan aan OnderwijsPost worden toegerekend.
[eiseres] heeft daarom aanspraak op de wettelijke verhoging.
[eiseres] kan zich niet beroepen op artikel 6.4 lid 1 cao PO omdat die cao niet toepasselijk is. De cao NBBU bevat geen bepaling over het tijdstip van de loonbetaling.
Met toepassing van artikel 7:623 in verbinding met artikel 7:625 BW bedraagt de wettelijke verhoging over de maand september 2023 37% van 90% van € 4.573,- = € 1.522,81 bruto, en over de maand november 2023 20% van 90% van € 4.573,- bruto is € 823,14 bruto.
Het totaalbedrag is € 2.345,95.
Eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering;
4.8
Deze vorderingen vinden hun oorsprong in de - niet toepasselijke - cao PO.
[eiseres] stelt dat deze vergoedingen wel vallen onder het loonbegrip van artikel 22 lid 8 cao NBBU: het laatst verdiende feitelijk loon. Daarvoor zoekt zij aansluiting bij
artikel 8 lid 1 Waadi [6] .
Dit laatste artikel is echter op dit geval niet van toepassing omdat het betrekking heeft op
ter beschikking gestelde uitzendkrachten. [eiseres] is sinds 8 juli 2022 niet meer ter beschikking gesteld.
De vorderingen onder 2 en 5 zijn dan ook niet toewijsbaar.
Vakantiebijslag 2024: OnderwijsPost is die niet verschuldigd
4.9
OnderwijsPost is op grond van artikel 22 lid 8 van de cao NBBU aan [eiseres] het laatstverdiende feitelijk loon verschuldigd zolang zij niet is herplaatst. Onder “feitelijk loon” wordt volgens artikel 2 van de cao NBBU verstaan
“het met inachtneming van de cao toegekende, naar tijdruimte vastgestelde actuele brutoloonbedrag, exclusief vakantiebijslag, reserveringen, toeslagen, vergoedingen, overuren, compensatie-uren etc;”
Dat betekent dat OnderwijsPost zolang [eiseres] niet was herplaatst op basis van dit artikel van de cao NBBU geen vakantiebijslag was verschuldigd, maar uitsluitend het actuele bruto maandloon.
OnderwijsPost heeft tijdens de mondelinge behandeling in reactie op de vordering aangevoerd dat zij de vakantiebijslag heeft betaald, althans, zo begrijpt de kantonrechter, gedeeltelijk heeft betaald.
Nu is het zo dat het volgens artikel 5 lid 3 van de cao NBBU op zichzelf genomen toegestaan is van de cao-bepalingen af te wijken als dat in het voordeel van de uitzendkracht is. Zou de kantonrechter de vordering op dit punt door die bril bezien dan zou zij echter eigenmachtig invulling geven aan de bedoelingen van [eiseres] en OnderwijsPost op dit punt, die zij niet kent en ook niet kan kennen, omdat geen van beiden zich daarover in deze procedure heeft uitgelaten. Daarom laat de kantonrechter deze mogelijkheid buiten beschouwing. De vordering onder 12 is daarom niet toewijsbaar.
OnderwijsPost moet buitengerechtelijke incassokosten betalen over het toewijsbare bedrag
4.1
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van € 351,89 toegewezen.
OnderwijsPost moet de wettelijke rente betalen
4.11
De wettelijke rente over de wettelijke verhogingen wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, 15 mei 2024, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en OnderwijsPost dat niet heeft betwist.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
4.12
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die
[eiseres] aan OnderwijsPost moet betalen op € 678,- aan salaris voor de gemachtigde
(2 punten x € 339,-) en € 50,- aan nakosten. Dat is in totaal € 728,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.13
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en OnderwijsPost daar tegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1
veroordeelt OnderwijsPost om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.345,95, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 15 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2
veroordeelt OnderwijsPost aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 351,89 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van OnderwijsPost worden begroot op € 728,-;
5.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
73878

Voetnoten

1.Cao Primair Onderwijs
2.Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen
3.Die instemming blijkt uit een e-mailbericht daarover van de heer [persoon C] aan de directeur van OnderwijsPost van 28 december 2023, waarin hij schrijft:
4.Voor de vordering onder 8 geldt dat die in elk geval niet toewijsbaar kan zijn omdat die overlapt met de vordering onder 7.
5.Voor de vordering onder 10 geldt dat OnderwijsPost ter mondelinge behandeling onweersproken heeft aangevoerd dat over april 2024 € 1.800,- netto is betaald en dat het restant in de verrekening van het eerder te veel betaalde is betrokken.
6.Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs