ECLI:NL:RBROT:2025:13315

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
83/052161-21 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing heropening ontnemingsonderzoek na afwijkend strafvonnis

De rechtbank Rotterdam heeft op 18 november 2025 een tussenvonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen de verdachte, die eerder veroordeeld werd voor deelname aan een criminele organisatie en andere strafbare feiten in de periode augustus 2018 tot oktober 2019. De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van bijna drie miljoen euro.

In het strafvonnis werd echter geoordeeld dat voor een deel van de periode niet kon worden vastgesteld dat de vergoeding van lesuren door DUO onrechtmatig was, waardoor de basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam te vervallen. Hierdoor is de officier van justitie verzocht om de ontnemingszaak aan te houden en nadere conclusies uit te wisselen.

De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend en de procedure geschorst voor onbepaalde tijd. Nieuwe termijnen voor het indienen van conclusies van eis en antwoord, repliek en dupliek zijn vastgesteld, met een afsluitende zitting op een nader te bepalen datum. De rechtbank benadrukt het belang van strikte naleving van deze termijnen om proceseconomische redenen.

Deze tussenbeslissing volgt op het vonnis van dezelfde dag in de strafzaak en is gebaseerd op het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het ontnemingsonderzoek wordt heropend en geschorst, met nieuwe termijnen voor conclusies en een nader te bepalen zitting.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 83/052161-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 18 november 2025
Tegenspraak
Tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1993,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadslieden mrs. J. Leyten en M. Kuipers, advocaten te Amsterdam-Duivendrecht.

1.Procedure

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 6, 9, 13 en 14 oktober 2025 en 18 november 2025 gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 november 2025 is [veroordeelde] (hierna: [veroordeelde] ) veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie, feitelijke leiding geven aan het opzettelijk gebruik maken van vervalste geschriften en feitelijke leiding geven aan het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, gepleegd in de periode van augustus 2018 tot en met 22 oktober 2019. Dit vonnis is niet onherroepelijk.

3.Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. H.C. Vermaseren strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht op een bedrag van € 2.998.395,-
- het opleggen aan [veroordeelde] van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.998.395,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten (met name deelname aan een criminele organisatie) waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld.

4.Tussenbeslissing

De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: het rapport). [1] In dit rapport is een berekening gemaakt over de periode van 14 mei 2018 tot 17 september 2020 en is voor de berekening als uitgangspunt genomen dat alleen lesuren die door docenten worden gegeven voor vergoeding door DUO in aanmerking komen.
Uit het vonnis van heden in de strafzaak volgt dat in ieder geval voor de periode van 2 juli 2018 tot 1 juni 2019 niet kan worden vastgesteld dat e-learning in de vorm van het bekijken van vooraf opgenomen video’s niet was toegestaan en evenmin dat [naam taalschool] daar dus ten onrechte een vergoeding voor heeft ontvangen van DUO. Uit het vonnis volgt voorts dat voor de periode vanaf 1 juni 2019 weliswaar geen lessen meer mochten worden gegeven die bestonden uit het bekijken van video’s vanuit huis, maar dat ook voor deze periode niet kan worden vastgesteld dat DUO ten onrechte door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] is bewogen tot vergoeding van lesuren. Voor wat betreft de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode, te weten 14 mei 2018 tot en met 2 juli 2018, bevat het dossier evenmin aanknopingspunten voor strafbaar handelen door [naam taalschool] op dit vlak.
Aldus is de basis ontvallen aan het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend en gevorderd.
De officier van justitie heeft de rechtbank tijdens haar repliek verzocht om de ontnemingszaken van [veroordeelde] en [medeveroordeelde] aan te houden en een nadere conclusiewisseling te gelasten, indien de rechtbank tot een wezenlijk ander oordeel komt in de strafzaken dan zij bij haar requisitoir heeft bepleit. Nu hiervan sprake is, zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie en de verdediging via schriftelijke rondes en een afsluitende zitting in de gelegenheid stellen om hun standpunten nader te onderbouwen.

5.Beslissing

De rechtbank:
heropent het gesloten onderzoek ter terechtzitting en schorst deze voor onbepaalde tijd;
de officier van justitie dient uiterlijk binnen 8 weken na heden (dus uiterlijk op
13 januari 2026) een conclusie van eis in bij de griffie van deze rechtbank, door deze conclusie te sturen naar het e-mailadres: ontnemingszaken.rb.rotterdam@rechtspraak.nl, onder vermelding van de naam [veroordeelde] en het parketnummer;
de verdediging dient uiterlijk binnen 8 weken gerekend vanaf het aflopen van voorgaande termijn, dus uiterlijk
10 maart 2026, een conclusie van antwoord in, ook door verzending naar voormeld e-mailadres;
de officier dient uiterlijk binnen 6 weken gerekend vanaf het aflopen van voorgaande termijn, dus uiterlijk
21 april 2026, een conclusie van repliek in, ook door verzending naar voormeld
e-mailadres;
de verdediging dient uiterlijk binnen 6 weken gerekend vanaf het aflopen van voorgaande termijn, dus uiterlijk
2 juni 2026, een conclusie van dupliek in, ook door verzending naar voormeld e-mailadres;
de officier van justitie en de verdediging dienen van de door hen aan de rechtbank overgelegde conclusies gelijktijdig een exemplaar aan de wederpartij te doen toekomen;
de rechtbank hecht waarde aan een strikte naleving van voormelde termijnen vanwege
redenen van proceseconomische aard en ziet graag dat de procespartijen zich hieraan
houden;
beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat op een nader te bepalen datum en tijdstip;
beveelt dat tegen de nadere terechtzitting dient te worden opgeroepen:
- [veroordeelde] , met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadslieden van [veroordeelde] .
Dit tussenvonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en J.C. Tijink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op 18 november 2025.

Voetnoten

1.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 8 t/m 31 van het ontnemingsdossier.