ECLI:NL:RBROT:2025:13324

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/10/707189 / JE RK 25-1962
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) om de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2011, te verlengen. De minderjarige verblijft momenteel bij zijn grootouders moederszijde, die een stabiele thuissituatie bieden. De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren gevoerd, waarbij de vader, de GI en de moeder aanwezig waren. De moeder en grootouders hebben verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI, waarbij zij stelden dat de minderjarige geen probleemkind is en dat de ondertoezichtstelling niet in zijn belang is. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, maar dat de ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen in een vrijwillig kader. De samenwerking tussen de grootouders en de moeder is goed, en de kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling niet meer noodzakelijk is. Het verzoek van de GI wordt afgewezen, en de kinderrechter geeft de minderjarige de kans om positieve stappen te zetten zonder de betrokkenheid van de GI. De beslissing is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707189 / JE RK 25-1962
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam oma] en [naam opa],
hierna te noemen: de grootouders moederszijde (mz), wonende te [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 23 september 2025;
  • de briefrapportage van de GI, ontvangen op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • de grootouders mz;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de grootouders mz.
2.3.
Op 16 oktober 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 oktober 2025.
2.4.
Op 14 augustus 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders mz, verleend tot 26 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting mondeling gewijzigd, in die zin dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing worden verzocht voor de duur van zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting. Desgevraagd geeft de GI ter zitting aan dat er een aanvullende rapportage is gestuurd, omdat de informatie in het verzoekschrift niet klopt. De GI licht het verzoek als volgt toe. De kern van de zorgen is gelegen in het feit dat [minderjarige] geen stabiele verblijfplek heeft. Hij is in een korte tijd veelvuldig gewisseld van plek. Dit zorgt voor onrust en een gevoel van onveiligheid. Daarnaast is het niet gelukt om de noodzakelijke traumabehandeling in te zetten, omdat [minderjarige] daarvoor een rustige en bestendige verblijfplek nodig heeft. Op dit moment verblijft [minderjarige] weer bij de grootouders mz. Daar wordt een prille, positieve ontwikkeling gezien. Ook de schoolgang van [minderjarige] is sinds kort weer opgestart. Het doel is dat [minderjarige] bij de grootouders mz zijn rust vindt met ondersteuning van de hulpverlening. De situatie is echter pril. Op dit moment staan de neuzen van de grootouders mz en de moeder dezelfde kant op, maar als er iets niet goed gaat staan de twee partijen tegenover elkaar met [minderjarige] in het midden. De betrokkenheid en ondersteuning van een jeugdbeschermer is daarom passend. Als plan B heeft de GI [minderjarige] aangemeld bij een driemilieuvoorziening, zodat voorkomen kan worden dat hij naar een crisisgroep moet als het niet goed gaat bij de grootouders mz.
4.2.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI. [minderjarige] is geen probleemkind, maar hij heeft problemen. Het is belangrijk dat daar hulp voor wordt ingezet, maar dat hoeft niet met de begeleiding van een jeugdbeschermer. De ondertoezichtstelling zet geen zoden aan de dijk en zorgt alleen voor ruis. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . Het is ook niet de jeugdbeschermer, maar de grootmoeder mz die alles regelt. De moeder staat op de achtergrond en geeft in overleg met de grootmoeder mz haar toestemming. Zij werken goed samen en staan naast elkaar voor [minderjarige] . Daarnaast staat de moeder volledig achter de plaatsing bij de grootouders mz. Een back-up plan in een driemilieuvoorziening is niet nodig, [minderjarige] zit nu op zijn plek.
4.3.
De grootouders mz voeren verweer tegen het verzoek van de GI. Zij zijn ontevreden over hoe de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd. De betrokken jeugdbeschermer is vaak gewisseld, er is geen hulp ingezet en er ontstaat ruis doordat foutieve informatie wordt verspreid. Sinds de plaatsing bij grootouders mz gaat het goed met [minderjarige] . Hij gaat inmiddels naar school, komt vrolijk thuis en de grootouders mz zetten zich in om [minderjarige] op het goede spoor te houden. De grootouders mz vormen een stabiele thuissituatie voor [minderjarige] waar hij kan blijven. De grootmoeder mz is daarnaast een aanspreekpunt en regelt veel voor [minderjarige] . Ook staan zij open voor MDFT of een andere vorm van hulpverlening. Het is jammer dat de therapie van Enver is gestopt.

5.De informatie van de vader

5.1.
De vader brengt ter zitting naar voren dat hij een enorme groei ziet bij [minderjarige] . De grootmoeder mz regelt alles voor [minderjarige] . De GI hoeft daar niet bij te helpen. Daarnaast blijft pleegzorg betrokken, waar iedereen een goede relatie mee heeft.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. [1] De kinderrechter zal het verzoek van de GI dan ook afwijzen. Hieronder zal de kinderrechter uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.
6.2.
De kinderrechter moet allereerst de vraag beantwoorden of [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter beantwoordt die vraag bevestigend. [minderjarige] heeft een belast verleden en is de afgelopen anderhalf jaar veelvuldig gewisseld van verblijfplek. Zo heeft hij onder andere bij zijn moeder gewoond, bij de vader en op een crisisgroep. Dit zorgde voor onrust en onduidelijkheid over de plek waar [minderjarige] kan blijven. Daarnaast heeft zijn schoolgang lang stilgelegen en kwam de individuele hulpverlening moeilijk op gang. Ter zitting is aangegeven dat het inmiddels beter gaat met [minderjarige] . Anders dan aanvankelijk in het verzoekschrift van de GI is aangegeven, verblijft [minderjarige] inmiddels al weer langere tijd bij de grootouders mz. Hij is begonnen op school en lijkt beter in zijn vel te zitten. Ook heeft hij een netwerk om zich heen dat hem steunt. Dit is echter een prille positieve ontwikkeling.
6.3.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de ontwikkelingsbedreiging onvoldoende kan worden weggenomen in het vrijwillig kader. De grootouders mz staan open voor de hulpverlening en werken daaraan mee in samenwerking met de moeder. Dat wordt door de GI ook niet betwist. Zo komt ter zitting naar voren dat de grootmoeder mz zonder ondersteuning de nieuwe school van [minderjarige] heeft geregeld en dat de moeder daarvoor toestemming heeft gegeven. Deze samenwerking lijkt goed te gaan en de belangrijke zaken rondom [minderjarige] lijken door de betrokkenheid van de grootmoeder mz geregeld en goed te lopen. Daarnaast geven [minderjarige] , zijn ouders en de grootmoeder mz aan dat zelf aan dat hij geen baat heeft bij de ondersteuning van de GI en dat dat de betrokkenheid van de GI enkel zorgt voor ruis. Gelet op deze weerstand bij verdere betrokkenheid van de GI is de ondertoezichtstelling dan ook niet meer doelmatig.
6.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de ondertoezichtstelling gezien het bovenstaande niet meer noodzakelijk is en wijst het verzoek van de GI dan ook af. De kinderrechter geeft [minderjarige] samen met de volwassenen om hem heen dan ook de kans om de positieve stappen door te zetten in het vrijwillige kader.
6.5.
Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen, komt de kinderrechter niet toe aan de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. de Pater als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.