ECLI:NL:RBROT:2025:13328

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
11888805 VV EXPL 25-561
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van sociale huurwoning en betaling huurachterstand in kort geding

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een verhuurder en de bewindvoerder van een huurder die in detentie zit. De verhuurder, eiseres, heeft de ontruiming van de woning geëist en betaling van een huurachterstand van € 6.581,40. De huurder, [persoon A], heeft de woning sinds september 2024 niet meer als hoofdverblijf, wat in strijd is met de huurvoorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat de huurder ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen, zowel door het ontbreken van hoofdverblijf als door de aanzienlijke huurachterstand. De persoonlijke omstandigheden van de huurder, zoals zijn re-integratie en omgang met zijn dochter, wegen niet op tegen de belangen van de verhuurder, die verantwoordelijk is voor het beschikbaar stellen van sociale huurwoningen. De kantonrechter heeft de vorderingen van de verhuurder toegewezen, waarbij de huurder binnen vijf dagen de woning moet ontruimen en de bewindvoerder moet betalen voor de huurachterstand en de lopende huur tot de ontruiming. De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11888805 VV EXPL 25-561
datum uitspraak: 19 november 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde],
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Pieterse.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd. [persoon A] wordt hierna ‘ [persoon A] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding, met bijlagen;
  • de mail van de bewindvoerder van 4 november 2025, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Op 5 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon B] namens [eiseres] met mr. R. van der Hoeff namens mr. Lichtenveldt, de gemachtigde van de bewindvoerder en [persoon A] .

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[persoon A] , die sinds 24 november 2020 onder bewind staat, huurt sinds 13 oktober 2017 de woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning) van [eiseres] . De huurprijs is nu € 659,77 per maand. [eiseres] eist dat [persoon A] de woning ontruimt, omdat hij al langere tijd in detentie zit en daardoor niet meer zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Daarnaast bestaat er een huurachterstand van € 6.581,40 tot en met september 2025. [eiseres] wil dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van deze achterstand, tot doorbetaling van de maandelijkse huur totdat de woning is ontruimd en tot vergoeding van de proceskosten.
2.2.
De bewindvoerder betwist het spoedeisend belang, omdat de huurachterstand oud is (van vóór 2020) en de lopende huur wordt betaald door familie van [persoon A] . [eiseres] weet al sinds mei 2025 van de detentie, maar zij is pas maanden later een kort geding gestart. Voor zover sprake is van een tekortkoming, is deze niet ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure te rechtvaardigen, zeker nu [persoon A] via een nieuw schuldhulpverleningstraject de achterstand wil aflossen en binnenkort weer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Tot slot wegen de persoonlijke belangen van [persoon A] in dit geval zwaarder dan de belangen van [eiseres] , omdat hij de woning dringend nodig heeft voor zijn re-integratie (plaatsing op een Beperkt Beveiligde Afdeling per april 2026 en het verkrijgen van verlof) en voor de omgang met zijn driejarige dochter.

3.De beoordeling

3.1.
De vorderingen wordt toegewezen. [persoon A] moet de woning ontruimen. De bewindvoerder moet de huurachterstand van € 6.581,40 betalen en de maandelijkse huurprijs totdat de woning is ontruimd. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
Het beoordelingskader
3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon A] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
3.3.
Voldoende is gebleken dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, zodat zij daarin ontvankelijk is. [eiseres] is verhuurder van sociale huurwoningen en het tekort daaraan is een feit van algemene bekendheid. De vordering is erop gericht een einde te maken aan de leegstand van een dergelijke woning. Dat [persoon A] (via familie) de lopende huur betaalt, doet niet af aan het belang van [eiseres] om de woning beschikbaar te stellen aan iemand die er daadwerkelijk woont.
3.4.
Het verweer dat [eiseres] haar eigen spoedeisend belang heeft gecreëerd door te lang te wachten, slaagt niet. [eiseres] is na het ontdekken van de detentie (1 mei 2025) juist de geëigende weg ingeslagen door eerst contact op te nemen met de bewindvoerder (12 mei 2025). De bewindvoerder heeft vervolgens zelf geprobeerd de huur te beëindigen door een machtiging aan te vragen bij de rechter-commissaris. Omdat deze machtiging nog steeds op zich laat wachten, kan [eiseres] niet worden verweten dat zij haar belangen nu via een kort geding veiligstelt.
Tekortkoming: geen hoofdverblijf
3.5.
Vaststaat dat [persoon A] sinds september 2024 (en in ieder geval tot augustus 2026) niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning, terwijl dit op grond van de huurvoorwaarden wel verplicht is. Door zijn detentie, die ten tijde van de zitting reeds ruim een jaar duurt en nog zeker acht maanden zal duren, kan hij deze verplichting structureel niet nakomen. Een detentie van een dergelijke (lange) duur levert een tekortkoming op die ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure rechtvaardigt en daarop kan in dit kort geding vooruit worden gelopen. [eiseres] hoeft als sociale verhuurder niet te accepteren dat een schaarse sociale huurwoning bijna twee jaar leegstaat.
Tekortkoming: huurachterstand
3.6.
Daarnaast staat vast dat [persoon A] een huurachterstand heeft van € 6.581,40 tot en met september 2025, overeenkomend met bijna tien maanden huur. Dit is een aanzienlijke achterstand. Dat deze achterstand “oud” is en dateert van vóór 2020 leidt niet tot een ander oordeel. Niet gesteld is dat de gevorderde huurachterstand is verjaard. Daar komt bij dat een schuldbemiddelingstraject beëindigd is met als gevolg dat de huurschuld bestaat en opeisbaar is. Dat familieleden nu de lopende huur betalen, is geen garantie voor de toekomst en doet niet af aan de reeds bestaande achterstand. In beginsel is een huurachterstand van drie maanden (of meer) ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen.
3.7.
Gelet op het bovenstaande schiet [persoon A] op twee wezenlijke punten ernstig tekort in de nakoming van zijn kernverplichtingen uit de huurovereenkomst. Ieder van deze tekortkomingen vormt op zichzelf al grond voor ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure.
Belangenafweging
3.8.
De bewindvoerder beroept zich op de persoonlijke omstandigheden van [persoon A] , die volgens haar een ontbinding (en de daarop vooruitlopende ontruiming) in de weg moeten staan. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
3.9.
Volgens de bewindvoerder heeft [persoon A] de woning nodig voor zijn re-integratie, in het bijzonder met het oog op een mogelijke plaatsing op een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) per april 2026 en voor het verkrijgen van verlof. Dit belang is evident, maar legt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de belangen van [eiseres] . De BBA-plaatsing en de toekenning van verlof zijn toekomstige en, tot op zekere hoogte, onzekere gebeurtenissen, omdat daarvoor goedkeuring is vereist en die heeft
[persoon A] op dit moment niet. Daartegenover staat vast dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand en een langdurig leegstaande woning. Verder blijkt uit de overgelegde stukken van de bewindvoerder (productie 2) dat de (eerste) verlofaanvraag van [persoon A] ziet op een bezoek van enkele uren aan zijn moeder en (nog) niet op verlof met een of meer overnachtingen.
3.10.
Het belang van [persoon A] bij de omgang met zijn minderjarige dochter leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel dit belang zwaar weegt, staat een ontruiming van de thans leegstaande woning hieraan niet in de weg. [persoon A] heeft ter zitting zelf verklaard dat hij op dit moment geen omgang met zijn dochter heeft omdat hij niet wil dat zij hem in detentie bezoekt. Niet gesteld en onderbouwd is dat er voor [persoon A] geen enkele geschikte locatie voor de omgang met zijn dochter beschikbaar is, mocht hij verlof krijgen.
3.11.
[eiseres] heeft als sociale verhuurder een bijzondere verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid brengt mee dat zij rekening moet houden met woningschaarste en wachttijden. Zij heeft er belang bij dat de sociale huurwoningen die zij verhuurt daadwerkelijk worden bewoond door haar huurders. Omdat de woning al lange tijd leegstaat en er bovendien een aanzienlijke huurachterstand is, weegt het belang van woningzoekenden en dus dat van [eiseres] zwaarder dan het belang van [persoon A] bij het vasthouden van een lege woning.
3.12.
Tot slot weegt de kantonrechter mee dat ook de bewindvoerder zelf kennelijk heeft ingezien dat beëindiging van de huurovereenkomst voor de hand ligt, gelet op het door haar ingediende verzoek om daarvoor een machtiging te krijgen.
Ontruiming
3.13.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal ontbinden. Vooruitlopend daarop moet [persoon A] de woning ontruimen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op vijf dagen nadat het vonnis is betekend.
Huurachterstand
3.14.
De vordering tot betaling van de huurachterstand van € 6.581,40 is ook toewijsbaar. De bewindvoerder heeft de hoogte en verschuldigdheid van de huurachterstand niet betwist. Zij wordt dan ook veroordeeld tot betaling daarvan. Zij moet ook vanaf 1 oktober 2025 tot en met de dag van de ontruiming de maandelijkse huurprijs van € 659,77 (blijven) betalen.
Proceskosten
3.15.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan [eiseres] moet betalen op € 135,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 813,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikelen 233/258 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [persoon A] om binnen vijf dagen nadat dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [persoon A] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
4.2.
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiseres] te betalen € 6.581,40 aan achterstallige huurtermijnen die [eiseres] heeft berekend tot en met september 2025;
4.3.
veroordeelt de bewindvoerder te betalen € 659,77 per maand met ingang van 1 oktober 2025 tot aan de datum van ontruiming;
4.4.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 813,-;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
53954